Het Chinese hof stuurde Nederlanders altijd weg

‘De Hollanders bezitten, naar onpartijdig oordeel, nauwelijks ééne van de vijf hoofddeugden: menschlievendheid, regtvaardigheid, welvoegelijkheid, wijsheid en opregtheid.’ Dat was het weinig florissante beeld dat de Chinezen van ons hadden in de achttiende eeuw, verwoord door een Chinese huisleraar op Java.

Wie het boek China en de Nederlanders. Geschiedenis van de Nederlands-Chinese betrekkingen 1600-2007 door Leonard Blussé en Floris-Jan van Luyn leest, kan de Chinezen niet helemaal ongelijk geven. De koloniale houding werd nu eenmaal gekenmerkt door strijd, verovering, religieuze zendingsdrang, macht en rijkdom – boven alles stonden de economische belangen van het moederland en de handelaren.

Omwille van die handel werd het wenselijk geacht voet aan de grond te hebben in China zelf, zoals verschillende andere Europese naties op gezette tijden hebben gehad, maar dat is Nederland nooit gelukt. Door de weigering van China om Nederland een handelspost te laten opzetten, maar ook door VOC-bemoeienis, verliep de handel vrijwel altijd via Batavia en in de zeventiende eeuw gedurende een jaar of veertig via Formosa, het huidige Taiwan, waarvan de oorspronkelijke bewoners niet verwant waren aan de Chinezen.

Zowel op Formosa als in Batavia groeide de Chinese bevolking tijdens de Nederlandse bezetting explosief. Na een dynastiewisseling in China zochten vele Chinezen hun toevlucht op Formosa, maar de overweldigende immigratie van Chinezen naar Batavia was vooral door de VOC gestimuleerd: Chinese koelies stonden erom bekend harde werkers te zijn, die zich zeer goed aanpasten aan de nieuwe omstandigheden.

Aan het einde van de negentiende eeuw ontstond door die grote Chinese bevolking in Nederlands-Indië een groeiende behoefte aan kennis van taal, cultuur en beschaving van deze onderdanen, en daar is uiteindelijk de Nederlandse sinologie uit voortgekomen, die in Europa nog altijd een zeer vooraanstaande positie heeft.

Het is interessant om over dergelijke Nederlands-Chinese betrekkingen te lezen, die dus lange tijd vooral indirect waren; de diverse gezantschappen die de Nederlandse regering door de eeuwen heen naar het Chinese hof stuurde, keerden vrijwel altijd onverrichter zake terug naar huis. Alleen rond het begin van de twintigste eeuw kon Nederland ook enkele decennia rechtstreeks profiteren van de verzwakte positie van China en de vele concessies die het land noodgedwongen aan de Europese mogendheden moest doen.

In China en de Nederlanders kunnen we alles lezen over de Hollandse handelsdrift, de negatieve en positieve invloed die Nederland in zijn koloniën had, de diplomatie van de laatste decennia, de culturele uitwisseling, de chinoiserie et cetera, en allerlei aardige weetjes houden het boek levendig: zo schijnen thee en koffie positief te hebben bijgedragen aan het emancipatieproces, omdat deze dranken rond 1700 zo populair werden dat ze tot theepartijtjes leiden die de Nederlandse vrouw in staat stelden gezellig buitenshuis onder haar seksegenoten te vertoeven.

Tegelijkertijd blijft dit mooi uitgegeven boek met prachtige illustraties toch te veel een aaneenschakeling van gebeurtenissen en wetenswaardigheden, waardoor het als geheel soms wat moeizaam leest. Een overkoepelende analyse ontbreekt.

Dat blijkt ook uit het feit dat de delen van de verschillende schrijvers niet erg op elkaar zijn afgestemd. Tachtig procent van het boek is geschreven door Blussé, historicus en sinoloog, en de overige twintig procent door Van Luyn, sinoloog en journalist, die uitsluitend de betrekkingen tussen 1989 en 2008 behandelt. Zo overlapt het laatste hoofdstuk van Blussé gedeeltelijk met wat Van Luyn daarna veel uitgebreider beschrijft.

Dat is op zichzelf misschien niet zo heel erg, maar het zou interessant zijn geweest te zien in hoeverre er parallellen zijn tussen de Nederlands-Chinese betrekkingen van nu en van een paar eeuwen geleden. Zijn er geen terugkerende elementen in die vier eeuwen van betrekkingen, waar we eventueel lering uit kunnen trekken voor de toekomst?

Om zijde, porselein of thee gaat het allang niet meer, maar zeker is dat China zich nog altijd niets laat opleggen dat het niet wil.

Recensie in NRC Handelsblad van:
Leonard Blussé & Floris-Jan van Luyn, China en de Nederlanders. Geschiedenis van de Nederlands-Chinese betrekkingen 1600-2007. Walburg pers, 255 blz.

Categorie: China, Recensies, Taiwan | Permalink.

Comments are closed.