Nederlandse vertalingen in 2020

De oogst met Nederlandse vertalingen van Chinese literatuur is dit jaar schraal: één bundel verhalen van Zhang Yueran, één dichtbundel van de Taiwanese Yang Mu, en een uitgebreide selectie “Dertig eeuwen Chinese poëzie“. En dat terwijl het toch zo langzamerhand misschien wel tijd wordt dat we eens wat meer van dat grote land gaan begrijpen.

Voor het NRC schreef ik in het voorjaar een recensie van Zhang Yuerans “Tien liefdes”:

Er verschijnt maar bar weinig Chinese literatuur in Nederland, wat best opmerkelijk is, gezien de enorme opmars die China maakt en de massale belangstelling voor Ruben Terlouws reizen door China. Maar gelukkig bracht De Geus onlangs een verhalenbundel uit van de schrijfster Zhang Yueran, en wat voor een!

Tien liefdes heet die bundel en daarin draait het om, dat zal niemand verbazen, de liefde. Geen romantische liefdes met een goed eind, maar eerder moeizame, traumatische relaties van jonge vrouwen die zichzelf volledig wegcijferen voor hun echtgenoot, hun ridder op het witte paard – of voor het beeld dat ze hebben van een gelukkige liefde, want zo ridderlijk zijn die mannen niet. Exemplarisch is ‘Harp en witte bottengeest’, het kortste, sterkste én mooiste verhaal, waarin een muzikant een harp maakt van de prachtige, witte botten van zijn vrouw, die zij liefdevol aan hem afstaat; hij is immers een kunstenaar, haar liefde!

Zhang Yueran lijkt haar lezers aldus een spiegel voor te willen houden van de sterk patriarchale maatschappij waarin ze leeft, en waar ook wij in Europa nog altijd mee te maken hebben, zij het minder extreem. De boodschap is duidelijk: kijk wat je jezelf aandoet als je je grenzen niet stelt en jezelf blijft opofferen. Een heel herkenbaar fenomeen dat Zhang hier dan wel toespitst op man-vrouw verhoudingen, maar dat je natuurlijk overal aantreft waar machtsverhoudingen zijn, ook tussen een baas en een werknemer bijvoorbeeld.

Dat Zhang er ondanks die tragische inslag in slaagt de verhalen niet zwaarmoedig te laten worden heeft alles te maken met haar montere en absurdistische, soms zelfs wat surreële of sprookjesachtige stijl. In sommige gevallen heeft haar benadering wel wat weg van de traditionele wonderverhalen zoals die van Pu Songling (17e eeuw), waarin bijvoorbeeld vrouwelijke vossengeesten opduiken om arme, ijverige mannen te verleiden en uit te zuigen, maar over het algemeen spelen Zhangs verhalen zich af tegen een weinig cultureel bepaald decor en maken een erg internationale indruk, mede door personages als Vincent van Gogh en Pinokkio.

In de verhalen over de laatste twee laat Zhang zich ook van een originele, humoristische kant zien, want wie laat er nou een zonnebloem verliefd worden op Vincent van Gogh? En in ‘De bloem op de neus’ is de neus van een gemene, berekende Pinokkio zo lang gegroeid dat hij alleen nog kan liggen. Zhang gaat inventief en origineel met haar materie om; nooit is ze voorspelbaar en het einde is altijd een verrassing.

In zekere zin kun je het werk van Zhang Yueran, die nog geen veertig is, een verademing noemen ten opzichte van de generatie schrijvers voor haar, zoals Su Tong, Yu Hua, Mo Yan, waar we de laatste jaren in het Nederlands kennis van konden nemen. Ook dat waren stuk voor stuk mooie boeken en originele geluiden, maar hun werk is gekenmerkt door een harde, onverschillige maatschappij vol geweld, waar de mensen vaak grof zijn – wellicht een reactie op de persoonlijke ervaringen van de auteurs tijdens de culturele revolutie. Zhang Yueran is veel zachter en speelser van toon. Al met al een prachtige bundel die nieuwsgierig maakt naar een roman van deze schrijfster. Hopelijk komt die er ook!

Zhang Yueran: Tien liefdes. Vertaald uit het Chinees door diverse vertalers onder redactie van Annelous Stiggelbout. De Geus, 301 blz. € 21,50



Interview Knetterende Letteren over Mo Yan

Sometimes translators get into the picture!

Voor wie mijn nieuwste vertaling nog niet heeft gelezen :-), hier een televisie-interview met mij dat hopelijk aanzet tot! Interview Mo Yan
 

Letteren &cetera: 24 oktober, NTR

Kenneth van Zijl spreekt met vertaalster Silvia Marijnissen over De sandelhoutstraf, de roman van Mo Yan. De chinese schrijver ontving in 2012 de Nobelprijs voor literatuur. De sandelhoutstraf is een grootse en waanzinnige vertelling voor mensen met een sterke maag. Over een man die zich verzet tegen buitenlandse invloeden in zijn land en dat moet bekopen met de gruwelijkste foltering denkbaar.

Van blind geweld naar blinde hebzucht

 ‘In een volgend leven zul je hiervoor worden beloond.’ Dat boeddhistisch getinte zinnetje komen we een paar keer tegen in Broers, de lijvige roman van Yu Yua, die in China in 2006 een omstreden bestseller was. Het wordt gezegd wanneer een personage uit mededogen iets voor een ander heeft gedaan zonder daar zelf beter van te worden – een opvallende uitspraak, want veel goedheid komt in het boek niet voor.

Broers schotelt ons een behoorlijk sombere wereld voor, vol geweld, smerigheid en hypocrisie. Het eerste deel, ongeveer een derde van het boek, speelt zich af tijdens de Culturele Revolutie. Het tweede deel speelt in de jaren dat China zijn economische boom beleeft, een tijdperk ‘van morele ontwrichting, frivoliteit en hedonisme’, aldus de auteur zelf.

Yu contrasteert die twee tijdperken: blind geweld lijkt te worden vervangen door blinde geldzucht. In beide gevallen sluiten de mensen hun ogen voor wat er zich afspeelt, oprecht medeleven is zeldzaam –maar weinigen zullen in een volgend leven worden beloond.

Tegen de achtergrond van die turbulente laatste halve eeuw volgen we het wel en wee van twee stiefbroers. De goedige Song Gang, de oudste, komt zelden voor zichzelf op en heeft daardoor moeite zich staande te houden. Zijn tegenpool, de zelfverzekerde Kaalkop Li, gaat met veel succes in zaken en kan uiteindelijk alles kopen wat hij wil. Maar hem is net zo min een gelukkig leven beschoren.

Het verhaal begint vrij onschuldig, wanneer Kaalkop Li, de jongste stiefbroer, als veertienjarige wordt betrapt terwijl hij naar de vrouwenkonten in de latrines gluurt. Alle mogelijke aspecten en gevolgen worden in geuren en kleuren verteld en er wordt keer op keer naar terugverwezen.

De banale anekdote krijgt er een absurd en onwerkelijk tintje door, en dat is tekenend voor de verteltrant van Yu: of het nu gaat om de pogingen van Kaalkop Li om zijn liefde te verklaren aan de mooie Lin Hong, de Grote Maagdelijke Missverkiezing die een handel in kunstmaagdenvliezen op gang brengt, of de affaire van de implantaatborsten van Song Gang, met alles wordt de draak gestoken.

Critici verweten Yu zijn ongenuanceerde beschrijvingen en zijn te negatieve beeld van het huidige China. Maar Yu heeft overduidelijk geen realistische beschrijving willen geven, al zijn er nog zoveel elementen die met de geschiedenis overeenstemmen.

Het hele boek staat juist in het teken van de overdrijving, wat een bewuste stilistische keuze is: Yu schrijft in een plat register, vertelt omslachtig, hanteert een relatief beperkte woordenschat, herhaalt informatie tot uitentreuren, maakt karikaturen van vrijwel alle personages en stapelt de ene groteske anekdote op de andere. Die groteske uitweidingen maken het boek vaak hilarisch – voor wie ervoor openstaat, want het is wel pure slapstick, die heel lang doorgaat.

Yu Hua, Broers. Vertaald door Jan De Meyer. De Geus, 861 blz. Bespreking in NRC Handelsblad op 1 maart 2013.

Schuld en verantwoordelijkheid: Kikkers van Mo Yan

Een jaar of tien geleden stelde ik uitgeverij Bert Bakker voor een boek te vertalen van Mo Yan, een van mijn favoriete Chinese schrijvers. Het ging om zijn lijvige roman De sandelhoutstraf, die toen net in het Chinees was verschenen. Mij leek het een goed idee als Bert Bakker, die Mo Yan tot dan toe uitgaf, de schrijver voortaan direct uit het Chinees zou laten vertalen, in plaats van een flink bewerkte Amerikaanse vertaling als uitgangspunt te nemen. Uiteindelijk ging het niet door omdat Mo Yan niet goed liep, de uitgever liet de schrijver vallen. Maar in 2010 had ik meer geluk: Eric Visser van De Geus bleek al langer geïnteresseerd in Mo Yan, en zo kon ik aan de slag met de in 2009 verschenen roman Kikkers. 1 oktober heb ik de vertaling ingeleverd, en tien dagen later kwam het grote nieuws: Mo Yan heeft de Nobelprijs gekregen.

Centraal in Kikkers staat een gynaecologe, die werkt in Mo Yans geboorteplaats Gaomi, op het platteland van de provincie Shandong, waar veel van zijn romans spelen. De vrouw, kortweg ‘tante’ genoemd, is beroepsmatig in eerste instantie vooral bezig om mensen bij te staan bij hun zwangerschappen en bevallingen, maar krijgt dan te maken met de eenkindpolitiek. Om de overheidsregels uit te voeren (tante is een trouw partijlid) verschuift haar taak nu steeds meer en moet ze bijvoorbeeld regelmatig mannen die al een kind hebben steriliseren en vrouwen die toch zwanger raken aborteren. Waar tante in het begin van haar carrière als een heldin wordt toegejuicht, na het leven te hebben gered van verschillende vrouwen en baby’s die het niet zouden hebben gehaald met de traditionele vroedvrouwen, wordt ze uiteindelijk als de duivelin van het dorp gezien. Tante is een complex personage, een vrouw die zelf haar hele leven kinderloos blijft, in wier handen het lot van vele baby’s ligt, en die aan het eind van haar leven met een enorme schuldvraag zit.

De zesenvijftigjarige Mo Yan is in China een geliefde, ‘dwarse’ schrijver, iemand die in zijn romans niet de gebaande paden bewandelt en het nodige durft uit te proberen. Zijn spreektaalachtige Chinees, zijn plastische taalgebruik, ironie en overdrijving blijven daarbij zijn vaste handelsmerk. Critici noemen zijn stijl soms gemakzuchtig, hij zou te vertellerig, te breedsprakig en te bloemrijk zijn. Maar in een goede Mo Yan, zoals Het rode korenveld, De sandelhoutstraf of Kikkers, beheerst de auteur zijn stijl en geven zijn beelden het boek juist vaak een humoristisch tintje.

Mo Yans boeken spelen meestal in het China van de twintigste eeuw en laten vaak zien wat voor enorme veranderingen die eeuw met zich mee heeft gebracht. Meerdere van zijn romans beslaan dan ook een groot deel van de eeuw, en vrijwel allemaal tonen ze een grote maatschappelijke betrokkenheid. Maar dat betekent niet dat hij daarom een politiek geëngageerd schrijver is. Zijn antwoord op de vraag hoe hij tegenover de Chinese politiek staat, luidt meestal, net zoals dat van vele andere Chinese schrijvers, dat die hem natuurlijk aan het hart gaat, maar dat hij onrechtmatigheden aan de kaak wil stellen zonder een politiek activist te willen zijn; hij is bovenal schrijver.

Ook Kikkers is geen politiek boek. Wel is er in China alom bewondering voor het feit dat de schrijver een thema dat politiek zo gevoelig ligt ter hand heeft durven nemen. Via de lotgevallen van de gynaecologe en haar familieleden en dorpsgenoten lezen we over de recente geschiedenis van China, bijvoorbeeld over hoe hongerige kinderen in de grote hongersnood na de Grote Sprong Voorwaarts ontdekken hoe lekker steenkool toch wel niet is; of we lezen hoe tante door de Rode Garde wordt mishandeld. Maar hoe de indringend die geschiedenis ook kan zijn, ze blijft toch op de achtergrond; het zijn de personages, hun karakters, hun beweegredenen, die centraal staan. Die personages zijn geen bordkartonnen figuren, maar tonen hun goede en slechte kanten en laten hun dilemma’s zien. Ze leven. Mo Yan psychologiseert daarbij nauwelijks, de lezer moet zelf uit de gebeurtenissen, handelingen en uitspraken van de personages zijn conclusies trekken – een traditionele Chinese manier van schrijven.

Voor verschillende van die personages blijkt een enkele gebeurtenis of een enkele stap die zij nemen beslissend te zijn voor de rest van hun leven. Kikkers lijkt dan ook een roman in de lijn van Sartre, over de persoonlijke verantwoordelijkheid van een mens voor zijn leven en zijn daden. Niet voor niets spreekt de verteller van het boek, een schrijver met het pseudoniem Kikkervisje, in het begin in een brief aan een bevriende Japanse schrijver zijn bewondering uit voor Sartres toneelstukken, zoals Vliegen en Vuile handen, en de wens om het verhaal van zijn tante in zo’n soort toneelvorm op te schrijven – wat hij ook doet in het laatste deel. Had tante ‘nee’ kunnen zeggen tegen wat haar werd opgelegd? Had de verteller, wiens vrouw met zeven maanden wordt geaborteerd, waarbij hij vrouw en kind verliest, zich niet gewoon tegen de abortus moeten keren, met alle gevolgen van dien voor hun verdere leven? Waarom deed hij dat niet? Waarom riskeerde zijn vrouw haar leven door illegaal zwanger te worden? Kikkers gaat over schuld en verantwoordelijkheid, thema’s die de Chinese context ruimschoots overstijgen.

De anekdotische verteltrant maakt Mo Yan ook tot een toegankelijke auteur, veel meer dan de vrij intellectuele, modernistische Gao Xingjian die twaalf jaar eerder de Nobelprijs binnenhaalde. Destijds waren de reacties verdeeld want Gao was immers een in Frankrijk woonachtige dissident. De eer voor China was daarmee twijfelachtig. Dit keer zijn zijn de reacties in China uitbundig: eindelijk heeft een echte Chinese schrijver de Nobelprijs gekregen, en dan nog wel een die in alle lagen van de bevolking wordt gelezen.

Mo Yan wint Nobelprijs

China is blij: eindelijk heeft een echte Chinese schrijver de Nobelprijs gekregen: de zesenvijftigjarige Mo Yan. Toen twaalf jaar geleden Gao Xingjian de prijs binnenhaalde waren de reacties verdeeld, want Gao was immers een in Frankrijk woonachtige dissident. De eer voor China was daarmee twijfelachtig.

Mo Yan is in China zelf juist een geliefde, ‘dwarse’ schrijver, iemand die in zijn romans niet de gebaande wegen bewandelt en keer op keer een andere stijl durft uit te proberen. Hij heeft een heel breed, gemengd publiek, dat wordt aangetrokken door zijn spreektaalachtige Chinees, zijn plastische taalgebruik, ironie en overdrijving. Mo Yan zou een traditionele verhalenverteller kunnen worden genoemd, in die zin dat hij via vele verhaallijnen op indirecte wijze het leven in al zijn aspecten probeert weer te geven. Het gebruik van fantastische elementen daarbij doen wel wat denken aan de traditionele Chinese wonderverhalen. De anekdotische verteltrant maakt Mo Yan ook tot een toegankelijke auteur, terwijl Gao Xingjian eerder een intellectuele, modernistische schrijver kan worden genoemd.

Critici verwijten Mo Yan, van wie in het Chinees elf romans, zo’n tachtig verhalen en ook een aantal toneelstukken zijn verschenen, soms dat hij te veel schrijft (niet voor niets mat de schrijver zichzelf het pseuodoniem Mo Yan aan, dat ‘niet spreken’ betekent). Volgens die critici zou hij te gemakzuchtig zijn met zijn vertellerige toon, zijn breedsprakigheid en zijn bloemrijke taal. In zijn mindere boeken, zoals de roman Dikke borsten, brede heupen, kan die overdadige stijl inderdaad te veel van het goede worden, zodat het boek lijkt te verdrinken in de beeldende beschrijvingen, maar in een goeie Mo Yan, zoals Het rode korenveld, De sandelhoutstraf of Kikkers, beheerst de auteur zijn stijl en geven zijn beelden het boek juist vaak een humoristisch tintje.

Mo Yans boeken spelen meestal in het China van twintigste eeuw en laten vaak zien wat voor enorme veranderingen die eeuw met zich mee heeft gebracht. Meerdere van zijn romans beslaan dan ook een groot deel van de eeuw, en vrijwel allemaal tonen ze een grote maatschappelijke betrokkenheid. Maar dat betekent niet dat hij daarom een politiek geëngageerd schrijver is. Zijn antwoord op de vraag hoe hij tegenover de Chinese politiek staat, luidt meestal, net zoals dat van andere Chinese schrijvers, dat die hem natuurlijk aan het hart gaat, en dat hij onrechtmatigheden aan de kaak wil stellen zonder een politiek activist te willen zijn; hij is bovenal schrijver. Mo Yans werken zijn dan ook vooral levensechte, menselijke taferelen.

Mo Yan begon al in de jaren tachtig te schrijven en werd op slag beroemd met zijn roman Het rode korenveld (1986). In Nederland kreeg datzelfde boek ook enige bekendheid dankzij de verfilming van het boek door Zhang Yimou, die een groot internationaal succes werd. Maar echt doorgebroken is Mo Yan hier nooit. Uitgeverij Bert Bakker liet nog een aantal romans uit het Engels vertalen (De knoflookliederen, Alles voor een glimlach, De wijnrepubliek, Grote borsten, brede heupen) en hield het vervolgens voor gezien. De Geus zag meer in Mo Yan en besloot het een paar jaar geleden goed aan te pakken, zodat aan het einde van dit jaar voor het eerst een roman van Mo Yan verschijnt die direct uit het Chinees is vertaald. Dat wordt Kikkers, zijn laatste roman, uit 2009, waarvoor hij in China in 2011 de prestigieuze Mao Dunprijs kreeg.

Deze roman gaat over een vrouwelijke gynaecologe in Mo Yans geboorteplaats Gaomi, op het platteland van de provincie Shandong, waar veel van zijn romans spelen. De vrouw, kortweg ‘tante’ genoemd, is beroepsmatig in eerste instantie vooral bezig om mensen bij te staan bij hun zwangerschappen en bevallingen, maar krijgt dan te maken krijgt met de eenkindpolitiek. Om de overheidsregels uit te voeren (tante is een trouw partijlid) verschuift haar taak nu steeds meer, en moet ze bijvoorbeeld regelmatig mannen die al een kind hebben steriliseren en vrouwen die toch zwanger raken aborteren, ook als ze al zeven maanden ver zijn. Waar tante in het begin van haar carrière als een heldin wordt toegejuicht, na het leven te hebben gered van verschillende vrouwen en baby’s die het niet zouden hebben gehaald met de traditionele vroedvrouwen, die soms barbaarse, bijgelovige werkwijzen hadden, wordt ze uiteindelijk als de duivelin van het dorp gezien. Tante is een complex personage, een vrouw die zelf haar hele leven kinderloos blijft, in wier handen het lot van vele baby’s ligt, en die aan het eind van haar leven met een enorme schuldvraag zit. In China is er alom bewondering voor het feit dat Mo Yan een thema ter hand heeft durven nemen dat politiek zo gevoelig ligt.

Hieronder een kort fragment uit Kikkers, dat 9 november 2012 verschijnt bij uitgeverij De Geus. Vertaling Silvia Marijnissen.

Toen tante het nieuws kreeg dat Lotus Ai elk moment kon bevallen, reed ze er razendsnel heen op haar fiets, waarvan er in die tijd nog niet veel waren, met haar medicijntas op haar rug. Tien minuten deed tante maar over de vijf kilometer van het Zorg en Welzijnscentrum naar ons dorp. De vrouw van partijsecretaris Gezicht Yuan zat juist kleren te wassen aan de rivier de Jiao en zag hoogstpersoonlijk dat tante letterlijk over het smalle bruggetje vloog. Van paniek viel een klein hondje dat daar net aan het spelen was pardoes in de rivier.
Met haar medicijntas in haar hand stormde tante de tweekamerwoning van Lotus binnen, waar de oude vroedvrouw van het dorp, Tian Guihua, al bleek te zijn. Deze vrouw, met een soort apenmond en ingevallen kaken, was destijds al ver in de zestig en is nu allang weer tot aarde geworden, amitaba! Deze Tian Guihua, die tot de school van de ‘actieve inmenging’ hoorde, zat bij tantes binnenkomst schrijlings boven op Lotus, en duwde uit alle macht op haar dikke, uitstekende buik. Het oudje leed aan een chronische luchtpijpontsteking, het geluid van haar piepende ademhaling vermengde zich met dat van de barende vrouw, die gilde als een varken dat wordt geslacht – het schiep een heroïsche, plechtige sfeer. Voorhoofd Chen, de landheer, zat in de hoek geknield en bonkte als een onderdanige dienaar die zijn kowtows maakte, en bonkte als een onderdanig kowtowende dienaar zijn hoofd keer op keer tegen de muur, terwijl hij binnensmonds iets prevelde.