Poëzie is altijd eenzaam – interview met Chen Li

door Silvia Marijnissen en Martin de Haan

Hualian, Taiwan, mei 2001. Met zijn auto komt Chen Li ons in het Politiehotel ophalen voor een gesprek over zijn poëzie; zoals altijd is hij losjes gekleed en loopt hij op zijn Playboy-slippers. We rijden naar zijn huis aan de andere kant van het stadje. Via een ingang die oogt als een garagedeur komen we direct in de woonkamer, die wordt overheerst door een enorme geluidsinstallatie, gigantische speakers en kasten vol cd’s en video’s met voornamelijk westerse klassieke muziek. We lopen door naar de tweede verdieping en installeren ons daar op de parketvloer van een lange, lichte kamer die helemaal leeg is, op een Yamahavleugel en een wand met boekenkasten na.

Je hebt een enorme collectie klassieke muziek en verwijst er in je poëzie regelmatig expliciet naar, zoals in ‘Voetstappen in de sneeuw’ (een prelude van Debussy), ‘Ansichten voor Messiaen’, ‘De rozenridder’ (naar een opera van Richard Strauss), of ‘Een open kooi – voor John Cage’. Het ligt daarom voor de hand om bij muziek te beginnen. Hoe zie je de relatie tussen muziek en je eigen poëzie?

Al van kleins af heb ik naar westerse klassieke muziek geluisterd. In het begin waren dat natuurlijk wat meer populaire stukken van bijvoorbeeld Schubert of Beethoven, maar op de middelbare school begon ik zelf platen te kopen en probeerde ik de ontwikkelingen van die muziek te begrijpen, en dat ging zo door tijdens mijn studie Engels aan de Normal University in Taipei. Ik heb heel veel boeken over muziek. Verder heb ik een beetje gitaar leren spelen, wat me heeft geholpen beter te begrijpen wat ik hoorde. Doordat ik me zo in de westerse klassieke muziek heb verdiept, heb ik nieuwe manieren gevonden om me uit te drukken. Mijn tweede dichtbundel, Dierenwiegeliedje (1980), is in feite behoorlijk muzikaal, denk ik.

Bedoel je daarmee hoe het klinkt? Je hoort dichters vaker zeggen dat ze muziek heel belangrijk vinden, en dan betekent dat vaak simpelweg dat poëzie voor hen gedragen moet worden door klank en ritme. ‘De la musique avant toute chose’, zoals Verlaine schreef.

Ik bedoel de klank maar vooral ook de constructie. Ik probeer mijn gedichten goed op te bouwen, zoals een componist zijn muziekstukken opbouwt. Klassieke muziek is een heel beheerste vorm van kunst, het heeft structuur, er is een herhaling van motieven, een ontwikkeling, een reprise… Ik heb van muziek geleerd hoe ik bepaalde elementen kan rangschikken zodat ze een evenwichtige compositie vormen. Ik probeer de kleinste details te controleren, ik wil alles in de hand houden. Mijn vrienden zeggen dat ik een perfectionist ben. Dat is mijn stijl, en dat komt door de muziek.

En denk je dat het mogelijk is om alles te beheersen?

Nee, natuurlijk niet! (lacht) Dus daar zit ik mooi met een probleem! Maar ik ben daarop gespitst door mijn training, door het luisteren naar klassieke muziek.

Hoe gaat dat precies in zijn werk bij het schrijven? Begin je bijvoorbeeld zoals Hölderlin met losse woorden verspreid over de bladzijde om vervolgens de ‘gaten’ op te vullen? Of schrijf je juist heel lineair?

Het gaat me om de structuur, om de manier van herhalen, zoals motieven in de muziek kunnen worden herhaald… Soms gebruik ik daarom verschillende kleuren om de relaties tussen bepaalde elementen voor mezelf duidelijk te maken, om duidelijk bepaalde motieven te zien. In het gedicht ‘Dierenwiegeliedje’ worden bijvoorbeeld bepaalde zinsneden herhaald, maar zonder dat het monotoon wordt, of te gladjes, zoals de poëzie van Yang Mu volgens mij soms wel is. Maar toch is mijn tweede bundel nog altijd vrij los geschreven. Tijdens het schrijven van ‘Dierenwiegeliedje’ wist ik ook helemaal niet wat ik precies zei.

Dus bij dat gedicht was de muzikale structuur belangrijker dan de betekenis?

Meestal heb ik een duidelijke bedoeling met een gedicht, maar van sommige gedichten weet ik niet waarom ik ze zo heb geschreven.  Vooral in de tijd van ‘Dierenwiegeliedje’, toen had ik een meer symbolistische manier van schrijven.

Bedoel je dat die gedichten symbolistisch moeten worden gelezen, als verwijzingen naar een soort hogere waarheid?

Nee, nee, geen hogere waarheid, maar alleen de techniek van het symbolisme, bijvoorbeeld de techniek van de synesthesie: ik gebruikte beelden waarin de verschillende zintuigen werden vermengd. Nee, het ging me absoluut niet om een verwijzing naar een andere, hogere wereld. Wat me toen bezighield was de mens, maar op een wat abstracter niveau, niet al te direct. Je kunt de dieren in ’Dierenwiegeliedje’ als vertegenwoordigers van bepaalde typen mensen zien, maar ik gebruik het woord mens niet, zodat het wat suggestiever is.

In zekere zin heb je je altijd met ‘de mens’ beziggehouden. Je werk is zeer divers, maar er zijn een paar aspecten die steeds blijven terugkeren. Eén ervan is de humor, een ander de sociale bewogenheid, ik neem aan dat je dat bedoelt wanneer je het over ‘de mens’ hebt. Beide aspecten zijn in je hele werk heel belangrijk, ook in je latere poëzie, wanneer je meer met de taal zelf bezig bent.

Dat is ook zo, dat zit allebei al in mijn eerste bundel. Achteraf zie ik mezelf in die tijd als een ‘angry young man’. Mijn eerste bundel, Tegenover de tempel (1975), is een uitdrukking van mijn ‘woede’, ik ben daarin voortdurend bezig met het omvergooien van de bestaande instituties. Over de titel van het boek zei mijn leraar van destijds me dat het heiligschennis was, omdat ‘tegenover de tempel’ betekent: de tempel omvergooien. En dat bedoelde ik er ook mee! Ik woonde als kind met mijn ouders tegenover een tempel en ging daar vaak heen om toe te kijken. Maar al van jongs af was het voor mij niet meer dan een bijgelovige instelling, die ik begon te minachten door bepaalde onrechtvaardigheden of onnatuurlijkheden in het leven van alledag. Ik had een voortdurende drang om de strijd aan te binden met de gevestigde orde, zo ik heb bijvoorbeeld nooit ‘vader’ of ‘grootvader’ gezegd tegen mijn vader en grootvader, en ook nu nog ga ik nooit naar enige ceremonie, naar een trouwerij of iets dergelijks! Die woede, die ontevredenheid en onrust had ik in het begin heel erg.

Hoe kreeg die woede dan een literaire vorm? Want je gooit je woede toch niet zomaar in een gedicht.

Aan de ene kant door middel van humor, satire en ironie, aan de andere kant ook door vrij directe sociale kritiek. Ik heb bijvoorbeeld een gedicht geschreven met de titel ‘Hoe ik voor Playboyfotografeerde’, dat is een experiment vol sociale kritiek, maar de titel is toch best grappig! Die eerste bundel… die is niet zo beheerst. Hij is nogal grof, nog niet zo volwassen en evenwichtig, waarschijnlijk juist vanwege al die woede. Dat eerste boek werd gepubliceerd toen ik nog studeerde, juist in de tijd dat ik me verdiepte in de westerse kunst, waardoor mijn taal wat beheerster en volwassener werd.

Dus je bent eigenlijk niet meer zo tevreden over die eerste bundel, als je nu terugkijkt.

Nee, hij is te direct. De gedichten in de tweede bundel, Dierenwiegeliedje, zijn indirecter, ze laten meer ruimte aan de lezer. Onder invloed van de impressionistische muziek – ik heb bijvoorbeeld veel naar Debussy geluisterd– werd mijn werk in die tijd wat suggestiever. Nu denk ik dat een aantal van de gedichten uit die tweede bundel tot mijn beste werk van voor mijn vijfentwintigste behoren – ik ben geboren in 1954 en die bundel werd gepubliceerd in 1980 – maar destijds vond ik dat helemaal niet!

Hoezo, waarom niet?

Kort nadat de bundel was uitgegeven begon ik me er zeer voor te schamen. Dat kwam door de politieke en maatschappelijke situatie. In die tijd was er namelijk een zeer sterke tendens, het zogeheten Nativisme, die inhield dat er steeds meer aandacht kwam voor het identiteitsprobleem waar de mensen in Taiwan mee kampten. Taiwan was officieel een provincie van China maar in de praktijk een zelfstandig land, en dan was er ook nog de enorme Amerikaanse invloed… Die aandacht voor de eigen identiteit had zo zijn weerslag op de literatuur, die een sterke sociaal-realistische inslag kreeg…

Je schaamde je omdat je poëzieanders was dan die van de anderen, en je was toch een sociaal bewogen dichter…

Ja, ik was te ver verwijderd van de werkelijke wereld.

Werd dat je kwalijk genomen?

Nee, ik nam het mezelf kwalijk. Elke keer als ik daarna een geëngageerde dichter las, zoals de Peruaan Cesar Vallejo of de Chileen Pablo Neruda, dan vond ik dat ik moest schrijven zoals zij. Toen heb ik bijvoorbeeld een heel lang gedicht geschreven dat ‘De laatste Wang Muqi’ heet, over een groot aantal mijnwerkers in Taiwan dat de dood vond doordat de kolenmijn waar ze aan het werk waren vol water liep. Ik probeerde daarin om net zoals Neruda modernisme en sociaal engagement hand in hand te laten gaan.

Was je niet bang dat een al te expliciet verwoord sociaal engagement ten koste van de poëtische kracht zou gaan? Neruda is misschien een uitzondering, maar geëngageerde poëzie is toch meestal dodelijk voorspelbaar.

Ja, ja, dat is wel zo, maar destijds zat iedereen die niet expliciet naar de mensen van dit land verwees toch met een schuldgevoel. Het gevolg was dat ik uiteindelijk niet meer wist hoe ik moest schrijven en er een tijdje mee stopte.

Maar er zullen toch wel meer schrijvers zoals jij zijn geweest die niet op die manier wilden schrijven? Je zou zeggen dat een schrijver zijn eigen weg moet volgen en niet de weg die de maatschappij hem oplegt.

Maar ik was mijn weg kwijt! En dus heb ik tussen 1980 en 1988 vrijwel niets geschreven, in totaal maar tien gedichten.

Is dat niet juist de periode ná het nativisme?

Het nativisme begon op zich al eerder, in de jaren zeventig, maar de naweeën ervan waren in die tijd nog voelbaar. De politiek speelde een grote rol in het leven van alledag, en je moet niet vergeten dat in Taiwan officieel nog altijd de staat van beleg van kracht was, die van 1947 tot 1989 heeft geduurd, hoewel hij steeds minder strikt werd. In de jaren tachtig gingen zeer veel schrijvers politiek getinte gedichten schrijven. Het debat van de jaren zeventig had ervoor gezorgd dat de meeste dichters zich verplicht voelden directer over China of Taiwan te schrijven. Welke van de twee maakte niet uit, maar in ieder geval over een van beide, anders pleegde je verraad aan het volk… Zo voelden veel dichters dat toen, ook degenen die al langer schreven, zoals Luo Fu en Yang Mu, die voorheen juist een minder plaatsgebonden poëzie voorstonden. Aan de andere kant, iemand als Xia Yu, die juist in die tijd, begin jaren tachtig, begon te schrijven, trok zich daar niets van aan en schreef wat ze wilde. Of Chen Kehua bijvoorbeeld, die zeven jaar jonger is dan ik, ook hij schreef wél op zijn eigen manier. Maar zelf was ik dus nogal verward, ik wist niet meer wat ik moest doen. Aan de andere kant werd ik ook meer en meer door andere dingen in beslag genomen. Ik was teruggegaan naar Hualian om les te gaan geven aan mijn oude middelbare school en ik besteedde veel aandacht aan mijn leerlingen, ik deed veel voor ze. En tegelijkertijd, terwijl ik aldoor het gevoel had dat ik gezichtsverlies had geleden, waren er jongere mensen, jongere dichters, die me vertelden dat ze mijn tweede bundel zo bewonderden. Dan zei ik: pas maar op, morgen schaam je je daarvoor!

En de kritieken in kranten en tijdschriften dan? Vonden die de tweede bundel goed?

Ach, de kritieken… die zijn er nooit zoveel. Poëzie is altijd eenzaam.

Andere dichters dan? Die oudere dichters als Luo Fu of Yang Mu, of je tijdgenoten zoals Luo Qing? Reageerden zij er niet op?

Voor mijn gevoel was iedereen in die tijd met zijn eigen dingen bezig. Een aantal mensen, zoals Zhang Hanliang, van wie ik les heb gehad op de universiteit, besteedde wel wat aandacht aan mij. Ook werd ik wel opgenomen in anthologieën die door docenten van de universiteit werden samengesteld, samen met generatiegenoten als Yang Ze, Luo Zhicheng en Xiang Yang. Maar in een anthologie van Yang Mu uit 1988 werd ik niet opgenomen… dat vond ik erg.

Heb je nooit gevraagd waarom dat was?

Later heeft hij gezegd dat hij toen dacht dat ik de poëzie had opgegeven omdat ik in die jaren zo weinig schreef. Hij dacht dat ik eigenlijk niets om poëzie gaf, en daarom hoefde ik er niet in te komen.

Dat zegt niets over de kwaliteit van het gepubliceerde werk.

Tja, ik vond het raar dat ik er niet in stond, en anderen hebben dat ook opgemerkt. Er staan gedichten in die slechter zijn dan de mijne. Eigenlijk is die kwestie tussen Yang Mu en mij een beetje blijven hangen tot vorig jaar, toen ik de prestigieuze Wu Sanlianprijs won en Yang Mu één van de drie juryleden was. Dat maakte het allemaal goed.

Maar wat zegt het nu eigenlijk of je wel of niet in zo’n anthologie staat. De smaak, de criteria van de samensteller bepalen wat erin komt. En Yang Mu’s eigen werk, een beetje een moderne vorm van de klassieke Chinese landschapspoëzie, is totaal verschillend van het jouwe. Als je daarop let, en op de bekendheid die bepaalde dichters op dat moment al hadden en jij nog niet, dan ben je misschien daardoor buiten de boot gevallen.

Zijn werk is inderdaad heel anders. Toch moet ik toegeven dat ik ook door zijn werk ben geïnspireerd en dat ik er een zeer grote bewondering voor heb. Destijds wilde ik dat niet toegeven, maar daarom vond ik het natuurlijk zo erg dat ik niet in die anthologie stond. Ik heb er echt een Yang Mucomplex aan overgehouden! (lacht) Want Yang Mu was als een standbeeld dat hoog boven mij uitrees en mij volledig in de schaduw stelde. Dat hij net als ik uit Hualian komt, heeft daar natuurlijk ook veel mee te maken. Ik heb zelfs bij zijn jongere broer in de klas gezeten, dus in bepaalde opzichten staan we heel dicht bij elkaar. Dat geeft zoiets nog veel meer gewicht.

Waarom ben je kort na het uitkomen van die anthologie, rond 1989, toch weer intensiever gaan schrijven? Had dat ook met Yang Mu te maken?

Nee, het was vooral omdat ik gedesillusioneerd was als docent. Zoals ik al zei gaf ik veel om mijn leerlingen. Ik deed mijn best voor ze en wilde ze graag veel leren. Maar de school mocht mij niet zo, men vond dat ik een slechte docent was. Uiteraard kwam het allemaal doordat ik de leerlingen tegen instituties in opstand leerde komen! Ik moedigde ze aan om zichzelf te durven zijn, zelfstandig over de dingen na te denken, en dat stelde de school niet op prijs. Op zichzelf deed die kritiek me niet zoveel, maar na verloop van tijd vond ik toch dat ik mijn energie dan maar beter in de poëzie kon steken. Poëzie was wel minder direct, dacht ik, maar daarmee kon ik de wereld toch nog een klein beetje proberen te verbeteren.

Dacht je dat echt?

Ja, in het begin wel. Ik zag poëzie als een middel om in opstand te komen, om de wereld te veranderen en te verbeteren. Na het schrijven van ‘De laatste Wang Muqi’ was ik ook oprecht teleurgesteld… Dat gedicht won de eerste prijs in een poëziewedstrijd in de China Times. Iedereen vond het goed maar er veranderde niets…

Maar als poëzie al iets kan veranderen, dan toch alleen heel indirect? Misschien kan literatuur ervoor zorgen dat de mensen aan het denken worden gezet, maar…

Ja, natuurlijk, maar dat begreep ik pas later! Dus in 1989, toen de staat van beleg was opgeheven, begon ik weer te schrijven. Ik wilde goedmaken wat ik in de jaren daarvoor had verzuimd te doen en ging gedichten schrijven over de geschiedenis van Taiwan, over wat het inhoudt om Taiwanees te zijn, over de verschillen tussen het vroegere en het huidige Taiwan. In ‘Tarokokloof’ en ‘Groene ui’ denk ik bijvoorbeeld na over de hybride cultuur van Taiwan, met zijn geschiedenis van Nederlandse en Japanse bezetting, de verschillende inheemse stammen die er wonen. Ik was toen in de dertig, mijn dochter werd geboren, en langzaamaan begon ik iets van het leven te begrijpen. Mijn eigen ervaring, mijn gezinsleven, het lot van Taiwan en van de Taiwanezen, alles kwam samen in mijn poëzie van die tijd.

Bleef je toen ook nog experimenteren met compositie, taal, muziek – de dingen waar je je eerder mee had beziggehouden? Hoe zie je die periode nu?

Mijn werk bleef gecontroleerd, maar het werd wat minder strak, dat wil zeggen, mijn taalgebruik was niet meer zo compact. Het werd losser, met meer dagelijkse spreektaal, zoals in ‘Buffet de Clown’ en ‘Stormlied’. In mijn derde bundel, Wolkbreuk (1990), ben ik stabieler en zelfbewuster geworden. Langzaamaan kreeg ik meer zelfvertrouwen: ik was trots dat ik in de omgangstaal schreef en dat ik ‘in mijn land stond’. Neruda was toen een belangrijke inspiratiebron voor me. Dat was hij van tevoren ook al wel, maar in die tijd nog veel meer. Zoals ik in de ‘Tarokokloof’ die lijst van plaatsnamen geef in hun oorspronkelijke, inheemse vorm, dat was duidelijk onder invloed van wat ik vroeger bij Neruda had gelezen. Ik heb toen veel gepiekerd over de vraag hoe poëzie moet zijn. Mijn tweede bundel vond ik heel slecht, niet zozeer omdat ik me nog altijd schaamde, maar omdat ik zelf inmiddels vond dat poëzie duidelijk moest zijn, helder en open. Wolkbreuk is dat ook.

En nu? Hoe denk je nu over je tweede bundel?

Veel beter dan de derde! Alle andere zijn beter dan de derde!

Je hebt het wel over de invloed van specifieke schrijvers die je hebt gelezen, maar veel belangrijker dan het lezen van andermans werk is misschien dat je zelf ook veel vertaalt: Szymborska, Heaney, Plath, Neruda, veel Latijns-Amerikaanse dichters vooral. Wat voor effect heeft dat vertalen op je eigen poëzie gehad?

Toen ik net was afgestudeerd aan de universiteit, kwam ik met Latijns-Amerikaanse poëzie in aanraking en ging die vertalen: Pablo Neruda, Octavio Paz, Cesar Vallejo, Gabriela Mistral, Carlos Drummond de Andrade en anderen. Ik vertaalde alles vanuit het Engels, met het Spaans ernaast, dat ik niet beheers maar toch probeer te lezen met behulp van het Engels. Vertalen is ontzettend belangrijk voor mij: ik leer door te lezen, maar ik leer lezen door te vertalen. Mijn manier van poëzie schrijven is denk ik minder realistisch dan die van andere Taiwanese dichters, ik combineer realistische en niet-realistische elementen, en de Latijns-Amerikaanse poëzie heeft me daarbij geholpen. Zo hoop ik een nieuwe impuls aan de Taiwanese poëzie te hebben gegeven, die misschien weer andere dichters zal beïnvloeden.

Maar heeft het vertalen zelf je iets opgeleverd? Want vertalen is intensief met taal bezig zijn, je bent constant bezig woorden te kiezen, stilistische keuzes te maken. Heeft dat je eigen schrijven beïnvloed?

Ja, absoluut, en op alle mogelijke manieren. Op het gebied van beeldspraak, bijvoorbeeld. Hoe vaak word je als dichter niet geïnspireerd door metaforen van andere schrijvers, bewust of onbewust. Het lezen en vertalen van al die verschillende dichters heeft me geholpen mijn eigen stijl te vinden. Neem Neruda’s invloed op mijn werk, die ligt vooral in zijn heel barokke manier van schrijven, de enorme beweeglijkheid en de zeer rijke woordenschat. In een latere fase las ik andere, eenvoudigere poëzie, die me ook heel diep kon raken. En in mijn vierde bundel, Reizen in de familie (1993), schrijf ik daardoor veel eenvoudiger, beknopter, beheerster. Het is duidelijk dat ik toen niet meer zo vol woede zat.

Een goed voorbeeld van die eenvoudige, beknopte stijl is het gedicht ‘Ansichten voor Messiaen’, waarin alle franje ontbreekt.

Dat heb ik geprobeerd, ja, maar misschien is het toch nog wel te opgesmukt! Ik probeer in die gedichten stil te zijn, stil, bondig, krachtig en nauwkeurig. En het is natuurlijk geen toeval dat ik daarna een bundel met honderd moderne haiku’s heb geschreven, Microkosmos (1993). Ik heb geprobeerd de eenvoud tot het uiterste door te voeren. Het grappige is dat ik daarmee precies het tegendeel deed van wat ik in mijn tweede bundel had gedaan, en in sommige gedichten uit de derde, zoals ‘Tarokokloof’, waarin ik juist complexiteit en grote taalrijkdom nastreef. Maar in feite is het één en hetzelfde proces, een soort golfbeweging.

Je werkte dus naar een soort minimalistische poëzie toe, met zo min mogelijk woorden. Gedichten als ‘Verkoopautomaat voor nostalgische nihilisten’ of het wat latere ‘Oorlogssymfonie’ zou je daar ook toe kunnen rekenen, en die voorbeelden laten voor het eerst een wat explicietere vorm van ‘taalspel’ zien. Je lijkt te zoeken naar andere, niet-traditionele vormen van poëzie.

Veel van dat soort gedichten zijn ingegeven door de computer. Die heeft allerlei nieuwe mogelijkheden met zich mee gebracht, hij heeft mijn omgang met taal en mijn manier van schrijven veranderd. Soms heeft dat te maken met de invoermethode voor het Chinees, je typt een uitspraak in en alle verschillende karakters met diezelfde uitspraak verschijnen in beeld, waaruit je vervolgens de juiste moet kiezen. Er zijn gedichten die ik zonder computer niet zou hebben geschreven, zoals ‘Oorlogssymfonie’. Dat was in één minuut geschreven! (lacht) Maar ik had er natuurlijk al wel een tijdje over nagedacht.

Die gedichten die je nu noemt komen uit De rand van het eiland, je zesde bundel, die heel gevarieerd is. Misschien is het wel je beste werk tot nu toe.

Ja, dat denk ik ook. Hij luidt een nieuwe periode in. Met die haiku’s had ik natuurlijk de uiterste eenvoud al bereikt. Dus ik begon opnieuw heel vrij te schrijven, min of meer zoals in het begin, maar met meer aandacht voor de materiële vorm van de woorden, en natuurlijk met de ervaring van de eerdere bundels in gedachten. Wat ik in die zesde bundel doe, had ik denk ik in de tweede bundel al in me, maar toen schoof ik steeds meer in de richting van precisie en controle, de minimalistische kant op.

Schaam je je nu nog weleens over een bundel die je net hebt uitgebracht?

Nee, niet meer. Ik denk ook dat het niet meer nodig is, omdat mijn techniek inmiddels gerijpt is. Verder is de Taiwanese samenleving flink veranderd, vrijer geworden. Maar het heeft me vijftien jaar gekost, van 1980 tot 1995, om mijn eigen ontwikkeling te begrijpen, om te begrijpen dat poëzie in grote mate zelfstandig is, autonoom. Dat aspect van poëzie en kunst begrijp ik nu beter. Sinds 1995 schrijf ik dan ook veel vrijer, ik vertrouw op mezelf en trek me niets meer aan van wat anderen denken. Maar mijn werk blijft verbonden met Taiwan. Ik blijf Taiwan ‘lezen’, en tegelijkertijd blijf ik nieuwe dichtvormen verzinnen. De drijfveer van mijn dichterschap is dat ik getuigenis wil afleggen van datgene wat Taiwan tot Taiwan maakt.

Denk je dat andere schrijvers in Taiwan een soortgelijke ontwikkeling hebben doorgemaakt? Een ontwikkeling met autonomie als eindpunt?

Xia Yu heeft van meet af aan volledig op eigen voeten gestaan… Anderen maken misschien een soortgelijk proces door, misschien zijn er wel dichters die net als ik hun stijl verder zouden willen ontwikkelen, maar die dat niet lukt… Zelf wil ik in mijn werk vooral mezelf zijn. Dat betekent niet dat ik andere soorten poëzie niet kan waarderen, maar dat persoonlijkheid voor mij een belangrijk element is bij het schrijven. Dat bedoel ik wanneer ik zeg dat poëzie autonoom is, iedereen moet schrijven op een manier die bij zijn of haar eigen persoonlijkheid past. Xia Yu is dus Xia Yu en Chen Li is Chen Li. Mijn werk toont een bepaalde sociale betrokkenheid die Xia Yu’s werk niet kent. En hoewel ik soms weleens heb gewild dat ik zoals Yang Mu kon schrijven, begrijp ik nu dat ik dat nooit zal doen. Net zoals Yang Mu nooit met taal zal spelen, want dat zit niet in zíjn persoonlijkheid. Daarom kan ik nu schrijven zonder me af te vragen wat anderen ervan vinden. De druk komt nu van binnenuit, om te voorkomen dat ik mezelf ga herhalen.

In 1999 was je in Rotterdam op Poetry International. Heb je daar mensen ontmoet van wie je het gevoel had dat ze op hetzelfde spoor zaten als jij?

Die uitnodiging voor Rotterdam heeft me veel zelfvertrouwen gegeven… Toen ik Hugo Claus of Szymborska vertaalde, voelde ik wel een verwantschap met hun poëzie.

Dat zijn humoristische, speelse dichters, net als jij.

Ja, ons werk heeft een zekere affiniteit, het maakt niet uit of we uit het Oosten of het Westen komen. Op die eerste avond toen ik in Rotterdam mijn ‘Nachtelijke vis’ las, kwamen Claus en zijn vriendin na afloop naar me toe en zeiden dat ze het mooi vonden. Maar sommige dichters hebben meer verbeelding en zeggingskracht dan ik, ik vind Claus bijvoorbeeld echt beter dan mezelf. Daarom heb ik zijn werk ook vertaald, uit het Engels natuurlijk, en net zoals bij de Latijns-Amerikaanse dichters met het origineel en een Nederlands-Engelse Van Dale ernaast.

Heb je met je zelfvertrouwen ook jouw stijl, jouw manier van schrijven gevonden?

Van mijn laatste bundel, De kat met de spiegel (1999), een titel die verwijst naar een schilderij van Balthus, kun je zeggen dat het een uitbreiding is van de vorige, De rand van het eiland. Die twee hebben veel gemeen… De laatste twee jaar heb ik minder geschreven, omdat ik een andere richting probeer in te slaan. Ik kan niet tevreden zijn als ik zo door blijf schrijven, ik moet nieuwe manieren vinden, me blijven ontwikkelen. Maar dat is niet gemakkelijk, dus schrijf ik nu minder.

Wat is erop tegen om een stijl die je bevalt te blijven gebruiken en te perfectioneren, als hij nog steeds goede, interessante gedichten oplevert?

Mijn beste gedichten zijn nog niet geschreven! Naar die beste gedichten ben ik nog heel hard op zoek, en die zien er dus anders uit dan mijn werk tot nog toe.

Tot slot: je hebt het gehad over het belang van Taiwan voor je werk, en Taiwan is een eiland. Wat betekent dat voor je werk? Toen je naar Rotterdam kwam, was je vijfenveertig en verliet je voor de eerste keer je eigen land – dat is voor Nederlanders haast onvoorstelbaar. Heeft het feit dat Taiwan een eiland is misschien je opvattingen over ‘ruimte’ en ‘grenzen’ bepaald?

Ik ben het eiland! (lacht) Daarom is het voor mij niet belangrijk dat Taiwan een eiland is. Mijn manier van om me heen kijken, mijn relatie tot de buitenwereld domineert mijn poëzie. En omdat ik zelf een eiland ben dat naar alle kanten openstaat, geldt dat ook voor het eiland waarop ik leef.

Noot: Van alle genoemde Taiwanese dichters zijn vertalingen te vinden in het tijdschrift Het trage vuur en in de Engelstalige anthologie van Michelle Yeh, Frontier Taiwan: An Anthology of Modern Chinese Poetry (Columbia University Press, 2001).

[Nawoord bij De rand van het eiland, een door Silvia Marijnissen vertaalde selectie uit Chen’s poëzie. Het trage vuur 16 (december 2002), © Silvia Marijnissen en Martin de Haan]

Yang Lian, ‘Tien maal zwart aan Arjen’

Al lang koesterden de Nederlandse dichter Arjen Duinker en de Chinese dichter Yang Lian de wens om samen gedichten te schrijven. In 2002 kreeg dat plan gestalte, mede door Het trage vuur. Duinker schreef een reeks ‘Tien paar ogen voor Lian’, waarop Yang Lian reageerde met deze tien gedichten.

Onderbreking van zwart

verwaarloosd geluk
verkent als wortels
strekt zich tast rond
gefluister vindt merkbaar geen oor
jij denkt dat ik over je heen vlieg
o nee ik dring langzaam binnen
in een elke dag opschuivende nacht in een buikholte
hoor je spreken van een lege grond

Trots van woorden

woorden beschouwen mensen als schaduwen
woorden maken levenden en doden gelijk
woorden voelen de wereld niet
in de lege schelp van een hand
ligt de schemering al lange tijd te rotten

Genua

plein hond bier gistende middagslaap
begint bij blauw de zee van zondag
is ook gesloten steen
splijt door iemands bulderende lach open
onder de pels van vertaling zijn wij bloot
en onschuldig zitten tegenover elkaar
zonder aandacht voor de verte tussen de wijnglazen
geen dichter die niet wreed is
daarom wordt de stad door het zeil gedragen op het lichaam

Mistige poëzie

praten over mistig, mistig is dood
ik herinner me dat enkele klanken vogels beschuldigen
enkele woorden schrapen over het strand
het leven weet dat alleen rillen in staat is om de tijd te schatten
een tank die een ploeg trek zit onder de modder
vermaalt steeds op de zelfde plek vlees en bloed
destijds waren we zo jong dat we nog niet begrepen
dat een in de mond gestoken lepel
juist vernedering opgraaft

Spoken verzamelde dichtregel

de dood die jullie in de pot hiernaast hebben gekookt is zeer smakelijk
gezichten beschenen door dodenakkers zijn namaakspoken
kou is een vergelijking kouwelijk een andere
wanneer spoken verweesder zijn dan alle bloemen
al het gras met menselijke gezichten heeft een winterse stroomrichting
met een houding die de dagen ontvlucht
één dag invluchten
spreken is schrijven schrijven is koken
en koken is leven

Exotisme van kleur

Citroen
een vredig gespreksonderwerp in een boomgaard
in de zomer over groen spreken
in de herfst over goud spreken
als een citroen

maar in de zomer zijn citroenen niet groen
in de herfst niet goud
ver van de woorden
spreken regendruppels over het leven

Ontmoeting
vogels lopen over een bladzijde wind
betreden het ritme dat ik niet begrijp

twee oren ontmoeten elkaar
in een onovertrefbare klank

verschrikt dromen vogels
dat de hemel kleding draagt

Afwezig
licht
tekent bamboe op zee
tekent waaier in lucht
tekent naam op steen

blauw is het al
zo blauw als wanneer ik afwezig ben

Zwart antwoordt
gladgestreken grond als een bouwstudie van het tijdvak
spoken zijn te ver spoken zijn nooit ver genoeg
huilend in je armen is een toekomstige schoonheid
de keuken eenmaal vergroten
de spiritistische seance heeft een vuurrode gloed van de openhaard
de fax gaat een dronken vriend
is zichzelf in een rollend handschrift aan het veranderen
keert dan schitterend terug naar huis om middernacht
hé! mooie dagen hebben vanzelf mooie-dagen-mystiek

Alleen over ogen
het licht op het lichaam van een levende is allang uitgestorven
leegtes worden zo overal uitgetekend
door paniekerig hulpgeroep van vogelzwermen in het centrum gedreven
lopen als afgesneden lucht
in het lichaam van de zee springen verandert de zee in een wond
dit vulpenblauw lijkt op het blauw van schulden
deze door vlees gedwongen ochtend levert
een betonlandschap
onthult de onmacht in je ogen

Hongeren naar erkenning

Een meisje van bijna achttien jaar loopt van school terug naar huis en voelt dat iemand haar aanstaart. Het is een bekend gevoel: al vanaf haar kindertijd wordt ze achtervolgd door een onbekende man, wiens gezicht ze nooit kan zien. Toch was ze niet bang dat de man haar zou verkrachten, ondanks de talloze verhalen die daarover de ronde deden.

Het meisje is Zesje, de ikpersoon uit Hongerdochter, de tweede roman van de Chinese schrijfster Hong Ying. In haar debuutroman Zomer van verraad (1997), die zich afspeelde tijdens en na de gebeurtenissen op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989, stond het gebrek aan liefde en de voortdurende zoektocht daarnaar centraal, en dat thema zien we in deze autobiografische tweede roman terugkeren. De titel Hongerdochter zegt het al. Hij verwijst naar de geboorte van Zesje in de tijd van de grote hongersnood in China (begin jaren zestig) tijdens de Grote Sprong Voorwaarts, maar meteen al in de eerste bladzijden wordt duidelijk dat het boek vooral draait om een andere honger: die naar ouderlijke liefde en genegenheid.

Zesje voelt zich buitengesloten van het gezin, met name tussen moeder en dochter is er nauwelijks communicatie mogelijk. Haar leven wordt beheerst door de vraag: ‘Waarom voel ik me altijd overbodig?’ Op haar achttiende verjaardag geeft haar moeder haar het antwoord. Zesje blijkt een bastaardkind te zijn, en de man die haar al die jaren aanstaarde is haar echte vader. Het boek werkt naar die ‘ontknoping’ toe; in vijfentwintig pagina’s wordt het vervolg verteld. Voor de lezer die die ontknoping al vanaf de eerste pagina’s zag aankomen, blijft alleen het verhaal over van een meisje dat wel erg ingenomen is met zichzelf en zwelgt in zelfbeklag. Zesje vindt zichzelf zoveel gevoeliger, zo anders dan iedereen om haar heen. Alles draait om haar persoontje, de andere personages blijven vrijwel oningevuld.

Ergens in het boek vertelt Zesje dat haar oudste zus wel een boek had willen schrijven over haar eigen ervaringen, ‘om stoom af te blazen, om zich te beklagen over haar oneerlijke lot.’ Dat is precies wat Hong Ying in Hongerdochter heeft gedaan. Het boek is daarmee autobiografisch, maar nog geen ‘autobiografische roman’, zoals het wordt aangeprezen. Ongetwijfeld beseft Hong Ying dat zelf ook, en ze lijkt dit probleem te willen verhelpen door op een heel beeldende manier te schrijven. De beelden zijn echter vaak nogal vergezocht, en soms slaat ze de plank volkomen mis, zoals bijvoorbeeld in de bloedserieus bedoelde passage over haar ontmaagding: ‘Hij duwde mijn stijf tegen elkaar geklemde benen uiteen. Iets naderde me. Toen ik even niet oplette, sloop het als een diefje naar binnen.’

Uiteindelijk heeft Hongerdochter daarom uitsluitend als tijdsdocument enige waarde. Het is opmerkelijk als verslag van de bittere ellende van de stadsmensen uit de lagere bevolkingsgroepen onder het bewind van Mao en laat zien hoe dat zijn neerslag heeft op het leven van een jong meisje. In die zin is Hongerdochter een nuttige aanvulling op Jung Changs Wilde zwanen, de indrukwekkende bestseller die de stroom van Chinese vrouwenautobiografieën op gang bracht. Bij Jung Chang blijven de mensen ondanks alle tegenslagen edelmoedig vechten voor hun idealen, terwijl Hong Ying zeer expliciet de onderkant van de maatschappij beschrijft, waar de mensen vooral bezig zijn met overleven. Voor een roman is dat echter niet voldoende. Het valt daarom te hopen dat Hong Ying nu genoeg ‘stoom af heeft geblazen’ om bij haar volgende boek met meer afstand naar het verleden te kunnen kijken.

Recensie in NRC Handelsblad van:
Hong Ying: Hongerdochter. Autobiografische roman. Vertaald uit het Chinees door Michel Hockx en Hong Yu. Meulenhoff, 272 blz.

Luo Qing, gedichten

Luo Qing (Lo Ch’ing) werd geboren in 1948 in de provincie Hunan van het vasteland van China. In 1949 vluchtten zijn ouders met de Nationalisten naar Taiwan, waar Luo Qing opgroeide. Na zijn studie Engels aan de Furen Universiteit in Taipei en vergelijkende literatuurwetenschap aan de Universiteit van Washington (Seattle) doceerde hij jarenlang Engelse en Amerikaanse literatuur in Taipei.

Zijn eerste dichtbundel Manieren om watermeloen te eten publiceerde Luo Qing in 1972. Sindsdien heeft hij steeds meer naam gemaakt met zijn speelse, veelzijdige poëzie. De laatste jaren schrijft hij minder en is zich steeds meer gaan toeleggen op zijn kalligrafie en schilderkunst, waarmee hij internationaal exposeert. In 1996 was hij te gast bij Poetry International Rotterdam.

Zes manieren om watermeloen te eten

Vijfde manier: de bloedverwantschap van de watermeloen

Niemand zal een watermeloen voor een meteoriet aanzien
meloenen en hemellichamen hebben niets met elkaar van doen
Maar het valt niet te ontkennen dat de aarde een hemellichaam is
Daarom valt het moeilijk te ontkennen dat watermeloenen
met hemellichamen verwant zijn

Want de watermeloen en de aarde zijn niet alleen
met elkaar verbonden als ouders en kinderen, zij koesteren ook
gevoelens voor elkaar als broers en zusters – gevoelens
als
van de maan en de zon de zon en wij wij en de maan

Vierde manier: de geboorteplaats van de watermeloen

Wij wonen aan de buitenkant van de aarde blijkbaar
Blijkbaar wonen zij aan de binnenkant van de watermeloen
Wij rennen van hot naar her, onbeschaamd
Wij willen buiten wonen en licht verteren tot duisternis
om onszelf mee in te pakken, ons ijskoude, naar warmte verlangende zelf

Binnenin zitten zij onbeweeglijk in lotushouding,
geconcentreerd, de duisternis omvormend tot een tastbaar, sereen elan,
voortdurend op zoek naar zelfversterking, zelfontwikkeling
Maar uiteindelijk zullen wij onvermijdelijk de aarde ingedreven worden
en zij zullen vroeg of laat naar de buitenkant van de watermeloen breken

Derde manier: de filosofie van de watermeloen

De geschiedenis van de watermeloenenfilosofie
is korter dan die van de aarde, langer dan die van ons
Zij zien, horen en uiten geen ongepastheden
Watermeloenen regeren volgens de Tao en
leven afgezonderd van andere watermeloenen

Zij zijn niet jaloers op kiezelstenen, kijken niet neer op kippeëieren
Watermeloenen zijn levendbarend noch eierleggend en
begrijpen het principe van overleven in moeilijke tijden
Daarom zijn watermeloenen niet bang voor invasies en nog minder voor
de dood

Tweede manier: het territorium van de watermeloen

Als wij een watermeloen stukslaan
is dat puur uit jaloezie
Het stukslaan van een meloen is hetzelfde als het kapotslaan van een ronde nacht
hetzelfde als het neerslaan van alle hemel lichamen
het rot slaan van een heel universum

Maar het resultaat zal ons altijd nog
jaloerser maken, want zo zal
de band tussen meteoriet en meloenzaad, de vriendschap tussen meloenzaad en universum
nog duidelijker worden, scherper
en opnieuw binnendringen in ons territorium

Eerste manier: Eet eerst maar eens, daarna praten we wel verder

Een afscheidsbrief over afscheid

Liefste,
Ik pak een pen
om een brief aan je te schrijven
ik neem een vel papier
drie regels twee regels
en heb al geschreven tot
hier
Aangezien ik tot hier heb geschreven
en ook alleen heb geschreven tot
hier
stop ik nu
en wens je
het allerbeste

Oprecht schrijf ik dit
de nacht van 28 maart
in het 75ste jaar van de Republiek
de nacht van 27 maart
1986 volgens de westerse kalender
de nacht van 26 maart
4684 volgens de Chinese almanak

N.B.
Wat in deze brief staat
houdt absoluut
geen verband
met alles wat
niet in deze brief staat

P.S.
Mocht deze brief
toevallig
een historicus
een archeoloog
een criticus
een anthologist
of een gluurder
onder ogen komen
dan verzoek ik beleefd
er geen aandacht aan te besteden
alstublieft

Nogmaals naar de blauwe zee kijken na al zo vaak naar de blauwe zee te hebben gekeken

Op de vlakke gladde zee
lijkt helemaal niets te zijn

Op de zee waar helemaal niets lijkt te zijn
is toch echt helemaal niets

Juist omdat er nooit wat is geweest
weten we dat er gewoon helemaal niets is

Maar is er op de vlakke gladde zee
werkelijk helemaal niets?

Op de zee waar helemaal niets is
– natuurlijk is daar helemaal niets

Op de vlakke gladde zee
is inderdaad uiteraard volstrekt helemaal niets

Noot van de auteur: Cao Cao schreef in het twaalfde jaar van de regeringsperiode Jian’an (208 n.Chr.) de gedichtenreeks De zomerpoort uit lopen, het eerste gedicht hiervan, “Kijkend naar de blauwe zee”, luidt als volgt:

Oostwaarts kijk ik van Jieshi neer.
Ik zie de blauwe zee.
Hoe rustig is het water!
Een bergeiland rijst op,
bomen staan er in overvloed,
planten groeien er welig.
De herfstwind fluit en zingt,
de golven zwellen kolkend aan.
De baan van zon en maan
lijkt uit de diepte voort te komen,
de glinsterende melkweg
lijkt aan de oppervlakte te ontspringen.
Hoe groot is mijn geluk!
Dit lied getuigt ervan.

P.S.:
Dit is de eerste keer dat ik
met een Chinese tekstverwerker
een gedicht schrijf
De twee karakters voor “rijst op”
heb ik zelf samengesteld met het
karakterontwerpprogramma

Onzichtbaar

Ik sta hier naar jou te kijken, jij kijkt niet naar mij
ik sta daar naar jou te kijken, jij kijkt niet naar mij
geduldig sta ik in alle hoeken en gaten
naar jou te kijken – jij kijkt nooit naar mij

Alleen jij kunt mij zien, maar je kijkt niet
je kijkt niet naar mij, omdat niemand mij kan zien
niemand kan mij zien, omdat
jij niet naar mij kijkt

Jij kijkt niet naar mij, dus ik besta niet
ik besta niet! Dan moet je niet denken dat jij bestaat
en als jij en ik niet bestaan, nou, dan kan niemand
bestaan

Maar, maar stel dat alles van alles
het gevaar van niet bestaan nadert
wil je dan nog altijd niet naar me kijken
niet naar mij kijken

Dan moet ik wel braaf hier staan, daar staan
staan in het binnenste van alles, en naar jou kijken
dan moet ik jou wel zien als alles, alles zien als jou
dan moet ik jou en alles wel zien als
mijzelf

De theeglasstellingen

Stelling 1
Stel: op een rond theetafeltje staan
theeglazen
stel: één glas is heet
één glas koud

Dan zijn er in de ronde kamer zeker
individuen
één is nog jong
een ander oud

Voor de bovengenoemde stelling
hoeft wie dan ook op de ronde aarde
slechts één glas thee in te schenken,
rustig, en hij kan het zeker bewijzen

Stelling 2
Stel dat een theeglas geen waterput is
dan hebben doorzichtige glazen
en ondoorzichtige putten
niet alleen dezelfde hoogte, maar ook dezelfde bodem

Of de bodem de aarde is of een handpalm
of de hoogte zeven voet lang is of achttien lagen diep
een glas wordt altijd door iemand vastgehouden, stevig
zoals de aardbol altijd de waterput vasthoudt

Van glazen zijn er, omdat de mensen die ze vasthouden verschillen,
miljoenen verschillende soorten
van de aarde die putten vasthoudt is er, omdat putten verschillen,
echter altijd maar één, één soort

Een man naast een put, met een glas in zijn hand
denkt hieraan, drinkt het water op
en laat het glas in zijn hand naar de put teruggaan
laat zijn eigen lichaam naar huis teruggaan

Stelling 3
Stel dat je een glas in je hand hebt
dan moet je het goed vasthouden
als je niet voorzichtig bent en het glas breekt
dan breek je –

een glas melk, een glas warme liefde
een glas cola, een glas bruisende prik
een glas citroen, een glas zure, trieste gedachten
een glas drank, een glas niet te herinneren, voorbije tijd

Een glas, gebroken in je hand, is scherp en snijdt
bitter geluk, gebroken in je hart, is puntig en snijdt
spijt het wat snijdt, of snijdt het wat spijt?
snijdt het wat spijtend snijdt, of spijt het wat spijtend spijt?

Het spijtige is dat alle liefde alle prik
alle gedachten, voorbije tijd
alles zal veranderen in minuscule, harde, doorzichtige wrevel
veranderen in bezinksel op de bodem van een glas

Een glas bezinksel breken
dat is gelijk aan = jezelf breken
want een glas breekt gemakkelijk
net zoals hij die het glas
breekt

Sleutelstrand

Iemand is op het schelpenstrand
een bos sleutels verloren
iedereen zoekt verspreid overal aandachtig
zoekt een hele poos, maar ziet slechts
een lijn sneeuwwitte golven
glinsterende schelpen aaneenrijgen

Schelpen, schelpen
schelpen zijn de verloren sleutels van de zee
pak er zomaar een op
dan kun je de geheimen openen
van miljoenen jaren
verborgen op de bodem van de diepe zee

Gouden Kust

De zon op het blauwe water
weeft een gouden net
en wil dat het de jagende wolken tegenhoudt
die nog niet tot water zijn getransformeerd

Ik op het groene papier
weef een net van verbeelding
en wil dat het een lichtstraal tegenhoudt
die nog niet het hemelruim in is gezonden

Sneeuwnachtelijke weg-wijzer

Ik ben een huisje met rode dakpannen
in de koude koude winternacht
verklaar ik
aan alle beijzelde wegen de
vuurrode warmte

Witte vlinder zeemeeuw bus en ik

Alleen omdat ik rennend voor de bus plots een wit vlindertje zie,
uitdagend rondvliegend, alleen, tegenover de grote vlakte
van deinende daken, stop ik — schrik al rondkijkend plotseling op

en ben ineens vergeten wat zeeën zijn

Maar ik moet nog altijd de bus halen, en aan zeeën moest ik zomaar
denken, natuurlijk, soms als ik afwezig uit het busraam staar naar
de deinende gebouwen, denk ik opeens ook aan een thuisloze zeemeeuw
tegenover de deinende zeeën van de hele wereld

De hand met de bezem

De hand
De man met een bezem in zijn hand staat in de verte
zijn rug – naar ons toe
het is moeilijk te zeggen of hij kwaad is, of verdrietig
het is moeilijk te zeggen wat de afstand tussen ons is
rustig bedekt hij ons met zijn schaduw
het is moeilijk te raden wat hij ziet of denkt
nog moeilijker hoe zijn hand de bezem vasthoudt
in de hemel is helemaal niets op aarde is ook helemaal niets
– hemel en aarde zijn zonder einde –
de man met de bezem in zijn hand staat eenzaam
zijn rug naar hemel en aarde

Met
Als hij verdrietig is
houdt hij tegen zijn borst een gitaar
als hij kwaad is
omklemmen zijn handen een scherpe spade
als hij kijkt naar de verte, leeg en wit als papier
houdt hij in zijn handen een versleten bamboepenseel
als hij alleen maar aan het denken is…
heeft hij in zijn handen nog slechts een simpele
bezem, als een pendule zo
zo simpel
sim pel

De bezem
De hemel kent geen grenzen de aarde kent geen grenzen
toch staat de man met de bezem in zijn hand
aan het eind van hemel en aarde
hij schildert hemel en aarde, maakt ze één
verandert zijn achtergrond. Daarna
zijn rug naar alles
zijn gezicht naar ons
wij die in paniek zijn
zonder angst, zonder verdriet
zonder iets te zien, zonder iets te denken ook
steekt hij hem uit, slingerend, die lange lange lange lange
die bezem in zijn hand
be zem

Mens

Bergen rivieren zon maan
al honderden miljoenen jaren
doen jullie je uiterste best om
met aardbevingen overstromingen droogten getijden
aan de mensen te bewijzen dat jullie eeuwigdurend zijn
maar na al die honderden miljoenen jaren
kunnen jullie mij nog altijd niet overtuigen
jullie zijn slechts een onbeduidende illusie

De Annalen van de waterbuffel

Ik was een brok ongevormde zwarte aardkluit
door een onbekende metselaar
achtergelaten op een groene geborduurde
wollen deken
door een gevoelloos ego
vergeten in een mistige, vaste
slaap
een lenteregen vulde plots de hemel, viel neer
en spoelde centimeter voor centimeter de modder van mijn lijf
ontdooide beetje voor beetje mijn ijskoude hart
onder het gehamer van de lentedonder en het gebeitel van de bliksem
schrok ik plotseling wakker
en met mijn horens fier rechtop
rees ik snel op van de grond

Onmiddellijk nam ik met mijn oost en west wijzende horens
de zon en maan boven mijn hoofd
links en rechts op mijn juk
ik droeg de twee schommelende lichtbollen in het rond
en dankbaar verkondigde ik plechtig
aan de tienduizend dingen
de geboorte van de eerste waterbuffel op de wereld

Noot van de dichter: met zijn Optekeningen van de hofhistoriograaf creëerde Sima Qian (ca. 145–90 v.Chr.) het genre van de keizerlijke annalen. Omdat de waterbuffel een dienaar van de boeren en een geluksbrenger voor het volk is, en omdat hij welwillend is als de hemel en de houding heeft van de oude wijzen, behoort hij zijn eigen Annalen te hebben.

Waterrijstlied

’s Ochtends bij het ontwaken zijn onze gezichten vol dauw
elke parel kristalhelder, elke druppel koel en verfrissend

we kijken om naar de kolen die hiernaast wonen
dik en rond, knus bij elkaar, een familie in zoete dromen

het water van het verre beekje: herdersjongens die net naar buiten stromen
ze duwen, trekken en springen luidruchtig, jagen op visjes en wekken zo de houten voetbrug

opgewonden staan wij vervolgens van voor tot achter in de houding
en gehoorzamen de oude zon die net naar zijn platform op de bergtop is geklommen

schommelend, de tenen in rijen naast elkaar
helder groen heffen we onze armen

we verwelkomen het zachte briesje
verwelkomen de eerste roep van een vogel

en vormen rijen voor de gymnastiek
ver— spreid

duizend li
ver

Dieven vangen

Na het douchen van de dagelijkse douche
en het wassen van de dagelijkse onderbroekenwas
schikt de dichter de schoongewassen broeken
in de koele sterrenhemel
legt zijn gewassen zelf
in het schone bed
bereidt zich voor op de slaap
de versleten boeken staan er gedienstig naast, energiek rechtop, onvermoeid
achter het boekenrek en voor de keuken lopen heimelijk muggen en muizen
maar afgezien daarvan is de atmosfeer heel gunstig voor de tienduizend dingen
de tienduizend dingen zijn rustig, ze houden elkaar in het oog
terwijl de dichter net slaapt
om middernacht

Dan waait plots de wind, de deur beweegt, het raam kleppert
kleppert alsof er degens kletteren
de meubels schrikken wakker, de schaduwen vliegen uiteen
uiteen tot een angstaanjagende geest
in het halfdonker lijkt er een dief naar binnen te glippen
de dichter vliegt met een ruk overeind, schreeuwt, pakt een pen en gooit
maar als hij de pen als een pijl ziet vliegen — een rinkelend geluid, een klap
de dichter springt naar voren, steekt zijn hand uit en grijpt
hard, koud, perfect rond: de wekker
in een mum van tijd zijn de tienduizend dingen weer rustig als altijd
maar ze horen het getik, dat de dakpannen doet trillen en het universum vult
terwijl de hand van de dichter de wekker vasthoudt
diep in de nacht

Na dit voorval —
de dichter inspecteert de deuren en de ramen, ziet niets
onderzoekt nauwkeurig de kasten, mist niets
hij kijkt nog wat rond, beseft dan ineens
dat hij enkele plukken haar kwijt is, stapels verwarde dromen
tientallen pagina’s idealen, en aan tijd tientallen jaren
de muizen, muggen en vliegen lopen heimelijk als vanouds
de aarde draait als altijd zonder te vragen naar goed en kwaad, zwart en wit
de boeken staan alsof er niets gebeurd is als vanouds rustig aan de kant
de sterren die dit alles uit de hoogte overzien schijnen met plezier in de donkere nacht
terwijl de dief de dichter besteelt
terwijl de dichter de dief grijpt
terwijl schemering en dageraad elkaar najagen

Ster, ster, sterren

— zwellen aan

De dauw die gisternacht
ongemerkt is verdwenen

is vannacht hei-me-lijk
weer teruggekomen

teruggekomen
teruggekomen

is hei-me-lijk weer, naar mij terug
ongemerkt op mijn gezicht gekomen

De ladder

De ladder staat
in een koud hoekje
onder de fruitboom
zomaar schuin
schuin geleund

Alle ladders
zijn zo
zowel voor gebruik
als erna

Verheffing

Elk blad wil
zijn schaduw van komend jaar
opeisen en omarmen
en
dwarrelt
omlaag

Gevonden bij de vijver

Vanaf de bodem van de groene groene vijver
komen gevleugelde woorden als koraalvissen
hei-me-lijk
te voorschijn drijven

draaien plotseling om

en zinken dan stil weg
in de bodem van mijn verborgen gedachten

Om eerlijk te zijn

Verborgen voor vader en moeder
kan het niet worden verborgen voor de rijstkom en de eetstokjes
verborgen voor de rijstkom en de eetstokjes
kan het niet worden verborgen voor de kledinggordel
de kledinggordel gordelt kleding
vliegend dansend in de wind
in de vlucht een dansend woord
te voorschijn dansend vanuit mijn gedachten
blauw als de lucht, groen als de lente, rood als
een blos, dat woord

De afgelegen veerplaats is verlaten en de boot dobbert alleen

–tweede voorbeeld van videopoëtica

De afgelegen veerplaats
de zilveren rivier stroomt
glinsterend door de ruimte

(de camera zoomt in)

wat glinstert zijn talloze
grote en kleine ruimteschepen

Is verlaten
tussen de ruimteschepen onderling
gaan allerlei elektronische berichten heen en weer
verzonden vanaf
allerlei verschillende modellen
computers (close-up) “ark 1 controlecentrum”
robotten (close-up) “ark 2 kapiteinskamer”
close up van alle zoogdierprimaten die in een ijskast van -1
000 graden rustig slapen (fade-out)
de “droomloze-slaaptester” is geïnstalleerd
rechts van de metalen vriesceldeur het projectiescherm toont
de gebruiksaanwijzing voor “ontwaken na duizend lichtjaren”
op de “testuitslagen” links van de metalen deur een leegte

En de boot dobbert alleen
op de bolvormige beeldbuis van het geheugen
flitsen bolvormige sterren
(de camera zoomt in)
een blauwe planeet
(zoomt verder in)
een blauwe bergketen
(zoomt nog verder in)
de Heilige Moedertop van de Himalya

in de omarming van de Heilige Moedertop
ligt een
primitief rechthoekig houten bootje
half verborgen in de sneeuw
het zichtbare deel
zit vol met hard ijs
het lijkt een zwarte spiegel
(de camera blijft inzoomen)
de spiegel
weerkaatst
vaag
de lange smalle staart van
de zilveren rivier
(flits flits)
(klik klik)
(klik flits)
(flits klik)

De mier

Vanuit de mensenzee
komt een mier naar je toe gekropen
Je weet niet of je er blij mee moet zijn of niet
Is het een vijand? Of een vriend?

De mier kruipt over je schoenen
en je ontdekt dat wat je draagt
eigenlijk een paar oorlogsschepen is
– goed gecamoufleerd, als een fort

De mier kruipt over je knieën
en je ontdekt dat je marmergladde lichaam
eigenlijk vol gevaren zit
– je schouders zijn kliffen, je borst een afgrond

De mier kruipt in je nek
en je ontdekt dat hij een hutje heeft ontdekt
een primitief hutje
met een deur, ramen en een schoorsteen

De mier kruipt je mond in
je neusgaten uit, kruipt over je oog
en je ontdekt voor het eerst dat een mier eigenlijk zo
groot is, groot, reusachtig groot

Uiteindelijk kruipt de mier je hersenen binnen
gaat je dromen in en uit…
breit je onvoltooide fantasieën voort
en je ontdekt dat er niets meer te ontdekken valt

Metamorfose

In zijn kooi slaat een kraai met zijn vleugels
krast, wipt heen en weer en kijkt naar mij
met een vreemde blik in zijn vreemde ogen
als van een mens die plotseling is veranderd
in een kraai – zijn bek open van ontzettting
alsof hij wil bewijzen
dat hij een kraai is die kan praten en denken
en die recht in mijn hart kan kijken

Even later zit ik in mijn piepkleine kamertje
te kijken naar de lucht buiten
opgewonden wil ik vliegen en begin ook te springen
als een kraai die plotseling is veranderd
in een mens – mijn armen open van uitgelatenheid
alsof ik wil bewijzen
dat ik een mens ben die kan vliegen en zweven
en die alle tienduizend dingen vrij in en uit kan gaan

Rookgordijn van liefde

Iedereen zegt dat je een eiland bent
maar ik denk nog altijd dat je een boot bent
nog altijd hou ik ervan om op jouw niet erg wijde vlakte
te dromen van een smal dek

Jij bent een boot
maar lig je schommelend verankerd in wind en regen
verankerd voor honderden jaren!
Jij bent nooit ver weggezeild

want/omdat je hebt geen keus dan je lichaam
bloot te stellen aan de zwaarden en laarzen van vreemdelingen
je broze levenservaringen te verhuren aan bloed aan tranen
te verhuren aan de allertreurigste verhalen

Jij bent een boot, een boot
maar je ligt vast verankerd op zee ver uit de kust
verankerd voor duizenden jaren
Jij kunt niet ver weg zeilen

want je torst altijd
overvloedige, overzware heimwee
Heimwee diep verborgen als erts
hard gevaarlijk en brandbaar

Goed, laat je dan een eiland zijn!
Moe van mijn wantrouwen moe van mijn zwerven
moe van mijn eenzaamheid
hoop ik toch zo

dat jij een manier kunt vinden
om aan/voor de kust te gaan liggen
Dat zou wel een hele losse/lichte
ligging zijn

Kun je de zonlichtlamp / TL-lampen even aandoen?

Ik loop het lokaal binnen,
de studenten zijn er nog niet,
ik kijk naar buiten, nog steeds
bewolkt met af en toe een opklaring en een bui

Sommige ramen zijn open, anderen niet
afhankelijk van het stof op de ruiten
– veel of weinig – is het uitzicht
helder of vaag

Onwillekeurig/achteloos haal ik
wat wc-papier/tissues tevoorschijn, loop erheen
en begin de ramen schoon te vegen
dan ontdek ik pas dat

sommige ruiten hebben, anderen niet
sommige doorschijnend zijn, andere halfdoorschijnend
tja, zo zijn klaslokalen nu eenmaal (altijd?)
ik veeg even 40, 50 ruiten min of meer schoon

4.08 uur
achter me hoor studenten binnenkomen
ik kijk om naar degene die in de hoek bij de deur zit
vraag kalm: kun je de zonlicht-lamp/TL-lamp even aandoen?

Knotvers

Elke boom
is een groeiend knotvers
De mussen, springend tussen de wirwar van takken
zijn onophoudelijk bewegende leestekens

RECULER POUR MIEUX SAUTER

Ik hou zo veel van haar
Niemand weet…
Hoe zouden ze kunnen weten

Dat ik haar wel moest doden
Om mijn pure, absolute liefde te bewaren

Ik hield een uitvaart voor haar, met gebeden, een diner
Maar ik begroef haar niet
Als vanouds liet ik haar in de menigte lopen
Nadat ze zich zorgvuldig had opgemaakt
Volgens de laatste mode gekleed, ontspannen lachend
als vanouds liefhebben, liefde bedrijven, de liefde verklaren
Alle eerbare oneerbare dingen doen

Niemand gelooft dat ik, die lachend naast haar staat,
Haar moordenaar ben, zelfs zij niet

Want zij heeft mij zo grondig gedood
Zij en ik weten niet
Willen niet weten

BRENG MIJ NAAR HUIS TERUG

Het toneelspel is afgelopen
Breng mij alsjeblieft naar huis terug
Ik ben zo eenzaam
Ik zie dat de toeschouwers een voor een vertrokken zijn
een grote stapel controlestrookjes in mijn hand achterlatend
Als je me welgezind bent
ga dan alsjeblieft
niet weg

Het toneelspel is afgelopen
Breng mij alsjeblieft naar huis terug
Ik ben zo moe
Ben vergeten of ik zonet op het toneel was of eronder
Ben vergeten vanwaar het boegeroep en geklap opklonk
Als je nog helemaal geen slaap hebt
vertel mij dan alsjeblieft
de waarheid

Het toneelspel is afgelopen
Breng mij alsjeblieft naar huis terug
Ik ben zo ongerust
Ongerust dat er thuis heel veel familie en vrienden zullen zijn
Die me opwachten met een verjaardagstaart om het succes te vieren
Als je daartoe bereid bent
laten we er dan alsjeblieft samen
naartoe gaan

Het toneelspel is afgelopen
Breng mij alsjeblieft naar huis terug
Ik ben zo bang
Bang dat de taart allang verdeeld is en het feest afgelopen
Bang dat mijn familie en vrienden al weg zijn en niet meer terugkomen
Als je er het fijne van wilt weten
ga dan alsjeblieft met me mee
terug

Het toneelspel is afgelopen
Breng mij alsjeblieft naar huis terug
Ik weet denk ik wel hoe het thuis is
Vergeef mij alsjeblieft dat ik daarnet zomaar wat heb verzonnen
Zo’n tien ikken verzonnen, voor jou
Als je het wilt begrijpen
vertrouw dan alsjeblieft samen met mij in dat
moeilijk te vertrouwen vertrouwen

Het toneelspel is afgelopen
Breng mij alsjeblieft naar huis terug
Niet meer dan een paar uur van huis
lijkt ineens langer dan een leven
Een leven verworden tot een uiteengespatte druppel
kan de bron van het begin niet meer vinden
Als jij niet bent vergeten hoe we terug moeten
wijs mij dan alsjeblieft de weg naar huis terug

Maar het toneelspel is afgelopen
Breng mij alsjeblieft naar huis terug
Ik ben zo onbillijk, onwillig
Als ik terug ben gegaan wil ik nog altijd opnieuw terugkomen
Terugkomen om te zien of ik nou eigenlijk
op het toneel was of eronder
Als je voldoende geduld hebt
wees dan alsjeblieft mijn eeuwige getuige

Want ik weet niet
of het toneelspel echt afgelopen zal zijn
of jij mij echt naar huis terug zult brengen
Breng mij naar huis, breng mij naar huis terug
Breng mij echt naar dat huis
waar iedereen zonder enig overleg terug naartoe gaat
om hard na te denken, te denken hoe
hij opnieuw terug kan komen

BITTERE THEE

“Bitter lijden komt door bittere thee”
Shen Jianshi

ik zoek je overal, maar kan je niet vinden
misschien heeft de zware sneeuw je sporen bedekt

de eerste keer dat ik je zag
zei je: ga zitten, ga zitten
toen ik naar je opkeek
zei je: neem toch wat thee
toen ik je nakeek
zei je: ik ben zo terug

zacht strijk ik over de versleten stenen tafel
ik kijk hoe de slappe thee sterk wordt, scherp, bitter
de gedroogde bloesems geuren, ontvouwen en bloeien
als de sneeuwbloesems op de zware weg waarlangs ik kwam
en jij ging, ik hou de hete thee goed vast en laat hem
langzaam mijn hele lichaam verwarmen

rondom wordt het donker en koud, je blijft almaar langer weg
in eenzaamheid doop ik mijn plompe hand in de lauwe thee
en schrijf een transparant ‘liefde’op de koude stenen tafel
zwijgend zie ik hoe deze bitterzuivere ‘liefde’
gelijkmatig verdampt door mijn hete vinger
en oplost in de donkere, koude lucht rondom

daarna schrijf ik het nog een keer
en nog een keer
de schrijfwijze van elke ‘liefde’ is anders
zo ook de verdamping
maar er blijft volop thee
en ik zie jou niet terug

misschien ben je al lang geleden teruggekomen
misschien ben je helemaal niet weggegaan
misschien ben je hier naast mij
en besefte ik niet, bedacht ik niet
besefte, bedacht ik al die tijd niet dat jij
misschien al die tijd in mijn hand was:

een kop lauwe thee
brengt mij in de donkere kou aan de kook