Zang Di. Honderd jaar eenzaamheid van de nieuwe poëzie

Hoe vaak zijn onze ogen niet groter dan onze maag? Of het nou gaat om iets concreet als eten, of om abstractere dingen als rijkdom of status, we willen altijd meer. De Chinese dichter Zang Di (1964) laat ons in een paar woorden de ironie daarvan zien:

die kleine maag van ons is tegenstrijdig aan onze nietigheid,
neemt eigenlijk altijd risico’s voor de kosmos.

Uit deze paar regels kunnen we meteen een paar dingen afleiden, namelijk dat de dichter zich graag met grotere levensvraagstukken bezighoudt, zich waarschijnlijk zorgen maakt om de toekomst van de wereld en daar op een eigenzinnige wijze mee omgaat door onze ‘kleine’ maag tegenover de nietigheid van de wereld te stellen. In het Chinees kun je zeggen dat iemand een ‘grote maag heeft’, of ‘grote trek heeft’ om aan te geven dat hij of zij ambitieus is, iets dat we ook vanuit het Nederlands begrijpen, Zang Di speelt met die connotatie door hier de nietigheid van de maag, van onszelf, te benadrukken.

Na zijn studie en doctoraat aan Peking University in 1997 werd Zang Di docent Chinese literatuur aan dezelfde universiteit. Als dichter deed hij zijn eerste stappen in de jaren tachtig tijdens zijn universitaire studie. Inmiddels heeft hij tal van bundels gepubliceerd en helpen publiceren, en won in China vele prijzen voor zijn poëzie. Daarnaast werkt hij als criticus, vertaler en redacteur. In China wordt Zang Di tot de ‘Intellectuele school’ gerekend, maar dat etiket zou zijn werk zeker tekortdoen.

Zang Di komt in zijn poëzie naar voren als een echte denker, hij filosofeert bijvoorbeeld over de veranderde manier waarop mensen tegen leven en dood aankijken, de onmogelijkheid voor sommigen om langdurige relaties aan te knopen, of de vraag naar de essentie van het leven, maar hij doet dat niet vanuit een ivoren toren, hij staat juist midden in de wereld door op humoristische en zintuiglijke wijze zijn observaties te geven en vragen te stellen. Grote vraagstukken worden teruggebracht tot elementen uit het alledaagse leven. Als hij woorden met erwten vergelijkt zie je ze groen door de pan rollen, en op voortreffelijke wijze weet hij in deze selectie ahornsiroop, paddenstoelen, forsythia en mieren in al hun geuren en kleuren tot leven te wekken. Het gedicht ‘De inleiding tot de studie van een sneeuwlaag’ heeft ook werkelijk iets koels over zich.

Zang Di is een goede observator met veel verbeeldingskracht. Geen wonder dat bij hem buskaartjes tegelijk ook bioscoopkaartjes en lottokaartjes zijn.

HONDERD JAAR EENZAAMHEID VAN DE NIEUWE POËZIE

Wat betreft jouw poëzie –
ik vermoed dat die zich beter dan jijzelf
aanpast aan de natuurlijke omgeving hier.
Zij heeft het probleem van erfenis vermeden.

Wanneer ze voeding absorbeert lijkt ze op een wiegende maiskolf,
wanneer ze slaapt, lijkt ze op een zwangere straathond.
Wanneer ze wandelt, lijkt ze op een riviertje dat stroomt voorbij
een gedenkplaatachtige spoorbrug.

Zij ontslaat taal,
omdat taal werk te serieus neemt.
Ze deelt een klap uit aan het dienstbare object. Ze doet
het condoom van de versleer uit. Ze onthult het onmogelijke.

Als een houten lepel in een anti-aanbakpan leidt zij
de niet openlijk verklaarde oorlog van de erwten.
Die erwten mogen dan rond, zacht en vol zijn,
het zijn nog steeds geen woorden.

Wat betreft de band tussen jou en mij,
jouw poëzie is een nog niet verhuurd huis.
De locatie is zo leeg
– alsof de ring elders is gekozen.

Langs de afscheidingshaag brengt zij zelfs heerlijke sponskomkommers voort;
als degene die ik van de ochtendmarkt heb meegebracht, net zo vers en zacht,
net zo bijdehand voor erotische verhaaltjes.
Ze is het leven in het leven.

Ze is verbaasd over het aantal keer dat je bent teruggekomen,
en ik doe mijn best niet te vragen waar je bent geweest.
Dit is jouw gedicht.
Ja, heel even was ze bijna niet door jou geschreven.

HOE WORDT HET LEVEN GESMEED, SERIE

In het programmaboekje is het landschap al weggebonjourd
naar een onopvallende plek. Geen wonder. Recente rekeningen
lijken steeds meer op programmaboekjes. De huishuur moet betaald,
de hypotheek afgelost, alle etenswaren zijn vervuild,
die kleine maag van ons is in strijd met onze nietigheid,
neemt eigenlijk altijd risico’s voor de kosmos.
Het hart van de mens is heel dicht bij de gehaktmolen. Elke kans
is als een barst in de afgrond.
Nog extremer dan hoe ijzer wordt gesmeed is
hoe het leven wordt gesmeed. Van die duivelstraining
krijgt ieder zijn deel, je hoeft niet bang te zijn dat je er niet door komt.
Iedere persoon die de realiteit wil hypnotiseren kan toch niet vermijden
door de realiteit gehypnotiseerd te raken. Iedere zaak die met geluk is opgelost
verandert uiteindelijk in een soort vage vernedering.
De dood is niet langer een sereniteit, het is een woede,
een diepe onverschilligheid, een beetje lijkend op
hoe de dood wordt gesmeed. Iedereen
is vaker dan eens gestorven. Leven is als plantenteelt
en bovendien over verschillende plaatsen verspreid –
je wortels zijn hier, je bladeren daar,
je bloemen worden op een jouw onbekende plek
in een vaas gezet die je nooit hebt gezien. Boeiend werk
hangt nog steeds af van je eigen inzet, dan lijkt het wel op
banden wisselen van hoop. Als je te hard rijdt,
wordt wanhoop niet beboet. Als poëzie je niet kan redden,
zijn andere inzichten vast subtieler.
De dood kan alles niet meer als vroeger onderbreken,
maar reizen kan dat wel. De grote rivier stroomt onstuimig,
reizen lijkt op het terugtrekken van een voet
uit het woeste rivierwater. Maak je geen zorgen over kaartjes,
hier kun je geen bioscoopkaartjes kopen, daar
kun je zeker wel buskaartjes kopen. Denk eraan,
buskaartjes zijn niet gewoon buskaartjes, het zijn tegelijkertijd bioscoopkaartjes.
Geen wonder. Buskaartjes kunnen tegelijkertijd ook lottokaartjes zijn.
Het menselijke landschap is bezig om de mens uit het landschap te duwen
naar het loket waar de enkele reizen worden verkocht.

MARIONETTENSPELER, SERIE

Als je iets bekijkt, moet je je eerst omdraaien,
daar is ze dan. Als je haar direct aankijkt,
wordt ze zenuwachtiger dan een hond tijdens een aardbeving.
Hoe je de wereld ook bekijkt, nooit is ze zo’n lust voor het oog als een poes.

Soms kan ze een vergelijking tussen mensen en honden niet onderdrukken.
Ze is veel strenger tegen poezen dan tegen honden.
Ooit had ze zich ervan overtuigd dat ze net zoveel van iemand zou houden als van poezen.
Haar conclusie luidde dat liefde nog moeilijker was dan wiskunde.

Zij wil niet worden beperkt in het lijden van haar ziel,
onder de dingen die haar vijand zijn bevinden zich de universiteit, de metro en de televisie.
De wilde beesten in de tv zullen het beeldscherm uitrennen, haar wenkbrauwen en oorbellen likken.
Dit soort dingen lijken vaker dan zomaar een paar keer te zijn voorgekomen.

Dus wordt alles waarmee ze in aanraking moet komen
uiteindelijk iets wat ze moet overwinnen.
Ze heeft een speciale gevoeligheid voor haar omgeving. Die wisselt ze voortdurend –
als ze te lang op een plaats blijft, veranderen mensen in ruïnes.

Dus loopt ze vaker dan wie dan ook ruïnes uit.
Dat lijkt voor haar een elementaire gedragsregel.
Soms kan ze dat zelf ook erkennen.
In een nieuwe liefde zitten al gebreken die niemand kan waarnemen,

zij kan niet tegen gebreken. Oftewel, ze kan er niet tegen
dat anderen ook de gebreken hebben die zij heeft.
Het gaat niet zozeer om van het verzachten van tegenstrijdigheden,
in haar herinnering lijken oude vervagende liefdes een beetje beter.

Hersenspoelen dient nergens toe. Pas als je kruis is gespoeld,
is er grondig gespoeld. Zij weet dat er op deze wereld mensen
bestaan die denken met hun kruis. Met een kussentje eronder ligt ze wat hoger,
dan kan ze misschien vanaf de verste plek de staart van dit gedicht zien.

INLEIDING TOT AHORNSIROOP

De hele middag wiegt de lokale ahornsiroop
haar taille van amber,
vanaf allerlei onbekende hoeken
bij jou leurend met een zoete, vertrouwde vuist;

hoe een vuist maken? Het is toch zeker niet nodig
jouw ogen met de politiek van de tijd
nogmaals te bedekken? Het doelwit is gebruiksklaar,
aldoor verstopt in je lichaam;

zelfs als het duidelijk een object wordt, is er onderling toch
wedijver, mooier dan objectiviteit.
Het enige dat moet worden uitgelegd, hier,
is welke connotaties ‘vertrouwde’ uiteindelijk heeft.

Van transparant naar smeuïg, maar zij verhult niet
dat deze boomhoning is verzameld van wel veertig meter hoge
esdoorns; en die kleine in de boomstronk uitgekerfde gaatjes,
dienen als zoete tunnels, hun geschiedenis

is meer dan zestienhonderd jaar oud. Dit alleen al
wijst op de tekortkomingen die in je geheugen bestaan,
en het schenken van deze nectar is dringend nodig
om terug te kunnen keren naar de vrije natuur –

daar lijkt, via de oorspronkelijke digestie,
de zoete kracht een onvoorwaardelijk ingetogenheid
te hebben opgelegd, genoeg om jou van binnenuit
rechtstreeks bewust te laten worden van je pure oervorm. 

NACHTVOGELS, SERIE

Ik droom dat we altijd met z’n drieën zijn als we samen zijn.
Jij zegt dat die ander eigenlijk een vogel is.

Als ik je naam roep, roept die vogel ook altijd.
Als jij mijn naam roept, roept hij nog steeds.

Zijn geroep lijkt op een buis versierd met nachtdauw
die van buiten het donkere raam naar binnen reikt.

Als wij stil worden gaat zijn geroep nog onophoudelijk door.
Het heeft duidelijk betekenis, maar er komt geen naam in voor.

Zijn geroep sluit een nog hardere kreet in zich. Voorheen dacht ik dat die niet kon bestaan buiten de schreeuw van de mens. 

HET LEZEN VAN TSANGYANG GYATSO, SERIE

De Tibetaanse meisjes die ik als kind
zag op een afgelegen markt in Sichuan, zijn in jouw gedichten
uitgegroeid tot mooie jongedames.
Toen jij poëzie schreef leek de wereld niets met hen aan te kunnen.
Of, toen jij schreef, leek de tijd niets met hen aan te kunnen.
Stel dat je niet had geschreven, dan was je niet in staat geweest om jezelf
te identificeren als de grootste koning van de sneeuwgebieden.
Mooie vrouwen zijn natuurlijk goden,
zonder dat beginpunt zouden we onze oorsprong niet kennen.
Dat is niet hetzelfde als de vraag of god stom is of niet.
Vrouwen zijn hun eigen goden, maar dat weten ze niet.
Of, vrouwen zijn hun eigen goden
maar onze goden zijn ze geenszins.
1987, een verloren liefde was als een sneeuwlawine, ik was 23
jij ook, het verschil was alleen
dat ik het heb overleefd terwijl jij werd vermoord.
En tussen ons liggen tweehonderd jaren eenzaamheid.
Al vele jaren lijkt de manier waarop ik met jou in contact ben
alsof ik langs jouw poëzietijd
heimelijk naar mezelf terugkeer. 1989, ik was 25
jij 22, de schaduw van de rode doctrine was blauwer dan de meren bij Lhasa,
1996, ik was 32, jij 19,
hoe kan de stem van het hart enkel onafhankelijk zijn op imposante sneeuwbergen.
2005, ik was 41, jij 17;
ooit stonden parels en achterhoofdsbeen naast elkaar, de maan
was de achterdeur van iedere plek die we wilden binnengaan.
2014, ik ben 50, jij 15;
dat is het dan, de schillen van de jeugd afgepeld,
hoe kan jouw tegenstrijdigheid alleen mijn geheim zijn?

PADDENSTOELEN, SERIE

Pessimisten worden niet vaak verliefd op paddenstoelen,
of zoals jij, zijn ze trouw aan de gevoelens die een paddenstoel hun bezorgt.
Gezond verstand zegt je dat iemand die het niets niet heeft verraden
geen interesse zal hebben om de essentie van de paddenstoel te begrijpen –
paddenstoelen rollen beter dan lichamen.

Ze rollen in een koekenpan, rollen de afgrond van jouw keelgat in.
Zacht en glad, delicaat, een beetje bang ook dat je
alles van ze weg zult nemen. Alle waarheden die optimisten zich kunnen herinneren,
zullen zij vorm geven. Alle dingen die jij zou willen verbergen,
kunnen zij het diepste begrip betonen.

Zij hebben de geur van kuikenvlees geroken.
Ze houden van een ondertekend contract met knoflook en broccoli.
De paraplu’s die ze ophouden vallen, vallen, tot ze in jouw hart
veranderen in kleine voedingsrijke goden.
Het verschil tussen verdwijnen en verteren is misschien

niet zo groot als je wel dacht. Alvorens te verdwijnen
geeft eentje onder hen van binnen een nieuw recept,
vraagt je of je de volgende keer wat geduldiger kunt kauwen op
wat paddenstoelen laten doorschemeren. Nooit eerder
was doorgeschemerd dat zij veel dichter bij het universum staan.

  

VLIEGEN, VERBOND

Tussen Celan en Amichai is een Du Fu;
we zouden een put moeten maken en hem omhoog hijsen.
We moeten de tijd nemen om te luisteren naar de ondergrondse boodschap.
Tussen Amichai en Tranströmer is een Wang Wei;
we zouden een gat moeten graven in de groene bergen,
hem wekken uit het slapende rijk van slangen.
Tussen Celan en Tranströmer is een Li Shangyin;
we zouden een verblufte steen moeten uitbeitelen, met vogelpoep van duizend jaar
langzaam een brood van zijn schaduw bakken.
Tussen Amichai en Ted Hughes is een Jiang Kui;
we zouden hem uit de boom moeten peuteren,
in een mand stoppen, vervolgens met een katrol en een touw
hoog in een boom moeten ophangen. Daar
zal de mand veranderen in een vogelnest. Met een omweg lijken we weer aan te komen
bij een tijdperk waarin mens en vogel samen proberen te vliegen.

INLEIDING TOT DE FORSYTHIA

Aan de zijkant staat wel meer dan één
winterjasmijn. Vergis je niet in mij.
Koester geen voorkeur voor de plannen van de ranonkelstruik.
Begrijp mijn helderheid niet verkeerd,
die is subtieler dan de onschuld van moeder aarde.
Mocht dit een oproep zijn, dan is de kreet al ten dele gehoord.
Verwar mijn geel niet weer met ander goudgeel
tot een verwaarlozing van het leven.
Het belangrijkste is, leg mijn overwinning
op de baas van de wereld, met een paar vlinders,
niet uit als: de plaats van handeling is vernietigd.

INLEIDING TOT DE STUDIE VAN EEN LAAG SNEEUW

De sneeuw is dik, zo dik dat je
het er wel mee eens zult zijn dat we in de droom die we hadden
al de beste antwoorden hebben gekregen.

Erg dikke sneeuw cirkelt je terug naar
de kern van menselijke honger; maar stel dat je geen honger hebt,
dan kan sneeuw het allerbeste vermaak bieden.

Borsten van sneeuw zijn weids en ijskoud –
ongeacht wat je streelt, je brein
kan niet vluchten van de tirannie van een witte mier.

Evengoed veroorzaakt stille observatie gemakkelijk
een gevoel dat nog puurder wit is dan de waarheid:
sommige mensen blijven voor altijd boven de sneeuw,

nooit twijfelen ze langer dan een halve seconde over de onsterfelijkheid van poëzie;
andere mensen leven juist onder de sneeuw,
kauwend op boomwortels om nauw contact met je te houden.

INLEIDING TOT MIJN BROERTJE MIER

In de zwarte kleren die ik heb gedragen
op de plaatsen met de levendigste kleuren
was overal jouw kleine silhouet geregen.
Zuchten van zwarte zijde verschuilen zich steeds
in geheime naden. Nooit
ontbreekt het aan zachte zwarte sluiers
opgedragen aan harde botten. In het dromendomein
smoren zwarte spieren de goed ontwikkelde
sterrenhemel der liefde. Zelfs mijn vastbesloten hart
had totaal niet gedacht dat de allerlaatste uitgang
zo primitief kon zijn. Ik weet niet of ik
me niet een beetje zou moeten verontschuldigen,
want sinds lang koester ik over jou
voortdurend ongezonde gedachten.
Ik wil over onze kloof stappen,
vreemd, plotseling, zonder enige reden,
in het openbaar jou mijn broertje noemen.
Om mij heen dunt de lentewind flink uit,
er blijven maar weinig ideale studieobjecten over;
maar er is iets aan jou dat zwarter lijkt
dan een schim; het hele jaar door
is er bijna geen dag dat je de microkosmos van het leven
niet beoefent. Jouw hardnekkigheid
is zo zwart, het laat angstaanjagende schimmen
een naamloze verlorenheid voelen.
Sommige blaadjes gaan al verwelken,
maar in april doet moeder aarde me nog altijd denken aan
een gigantische borst. Jij bent blind,
en door die blindheid nader je een doel:
in beweging lijk je op de gebroken, zwarte ledematen van het schrift,
maakt het hemelse boek onder mijn voeten af.

Zhu Zhu, gedichten

Van een wingerd tot een wasserette, van de Chinese Muur tot Florence en New Jersey, van Mandelstam tot Nalan Xingde, geen onderwerp lijkt de Chinese dichter Zhu Zhu (1969) vreemd. Maar een gedicht gaat zelden echt over datgene dat het noemt, zo verbeeldt de wilde wingerd die door hem beschreven in termen van een aanvallende tijger (het Chinese woord voor wingerd is ‘over muren kuipende tijger) in feite een bezitterige geliefde.

Door zijn onderwerpen goed te kiezen en ze vaak rond één beeld te concentreren, dat hij in alle facetten belicht, weet de dichter, die tevens afgestudeerd politicoloog en jurist, schrijver van essays, kunstcriticus en curator van hedendaagse kunst is, een gedetailleerde en visuele stijl te creëren. Elke regel is een uitbreiding van het beeld dat een wingerd kan oproepen. Een lichte speelsheid en ironie zijn hem bij deze manier van werken niet vreemd, zoals in het gedicht ‘New Jersey op de maan’, waarin een naar Amerika verhuisde Chinese dame in de leegheid van haar bestaan wordt vergeleken met een speelgoedtreintje dat over haar loopband loopt – een mooi portret dat getuigt van spijt én acceptatie.

In het verraad van idealen dat in dat gedicht aan de orde komt, zien we dat achter de gedichten een betrokken persoon schuilt. Zhu Zhu lijkt een dichter die nadenkt over individuele ontwikkelingen, maar ook over bredere maatschappelijke problemen zoals de vluchtelingenproblematiek en het terrorisme (in ‘Lekker weer’), of het meten met twee maten door westerlingen als het over levende Chinese schrijvers gaat (in ‘Florence’). Een meer persoonlijke, lyrische blik komt dan weer naar voren in een gedicht als ‘De zee in mij’, over het dichterlijke proces van de dichter zelf. Al met al geeft het werk van Zhu Zhu een heel originele, toegankelijke en menselijke indruk.

WINGERD

Wild is ze, haar zachte handpalmen

zijn omgevormd tot tijgerklauwen en zuignappen

zijn omgevormd tot tijgerklauwen en zuignappen,

vanaf de allereerste sprong bedekt ze,

overlapt, verzwelgt de hele muur, hecht

het hele huis, tempert al het licht;

nooit deinst ze terug, zelfs als ze in de leegte stapt

verandert ze in een spiraalvormig schild; zelfs als

de winter is ingevallen, haar bladeren verwelkt zijn, blijft

nog altijd de rits gaatjes achter van de weggetrokken draad

waarmee zij zichzelf had ingelegd; ze wijkt geen duimbreed,

geniet van verbrijzelen, doet zodra de lente komt

aan zelf-verwenning door uitdijing, als

in een maquette plaatst ze haar vlaggetjes dicht op elkaar,

wil als aanstormende golven de steen kapotslaan;

ze is wanhopig, niet in staat het huis binnen te dringen,

maar tenminste beschut ze alles buiten.

Jaar na jaar. Zij heeft echt lief.

Noot van de vertaler:

De wilde wingerd heet in het Chinees letterlijk: Over muren kruipende tijger.

AAN HET NOORDEN

Ik droom van een wasserette een straat bij mij vandaan,

een hele groep wasmachines gromt bij vlagen.

Door een aquascopisch rond glazen gat

is te zien hoe vervuilde kleren worden gemarteld,

ze worden de maalstroom van de trommelbuik ingezogen,

opgeslokt, omwikkeld, rollen heen en weer in de vloed,

schommelen daarna slap als algen, lange vezels drijvend

in opborrelend helder water, langzaamaan transparant;

een eigenaardige warmte bakt vanbinnen,

tot de kleren geplooid zijn als een baby, opgerold in de droom.

Daar sta ik dan nadat ik mijn stoffige jasje heb uitgedaan

naakt, word in een andere reiniging gegooid,

zoenend en vrijend, als een bos stekels

vol realiteit en met netelroos,

bonzend te midden van de vlammen; wij verbruiken

lucht, en lucht alleen is voldoende.

Iedere keer ben jij de vlammen die mij wassen,

en ik dat legendarische shirt dat met vuur wordt gewassen.

LEKKER WEER

Wat een heerlijk weer,

jubelgroen welt op tussen gespreide takken,

in de lucht ontstaan blauwe linten en witte wolken;

straatvegers vegen de straten, en

de vogelveren tussen de hulst zijn kleuriger dan postzegels.

Alles is zoals het moet zijn,

helder, oogverblindend, fonkelend in glanzende waardigheid,

zelfs de vlekken op de zijkant van het gebouw,

zelfs de vliegen die boven rond de vuilnisbakken zwermen . . .

alsof alles uit penseelstreken van de eeuwigheid komt. Wat een

heerlijk weer, net als op die ochtend dat de kleine

Oost-Europese landen uit het totalitarisme ontwaakten,

de lange nacht was voorbij, er was geen avondklok meer,

geen ontvluchting, geen onderdrukking . . .

Dagen als een wieg, als een schommel, in de dichte schaduw

van de plattelandstuin ontstond een zoet geroep; ver weg

wilden vluchtelingen terug naar huis, zoals op weg naar een afspraakje

een lied in je keel gaat jeuken. Maar hij was toch somber als 

Manea, aarzelde tussen wel of niet terugkeren, voorvoelend

dat er angstaanjagendere dingen dan vroeger in het verschiet lagen…

Ja, er zal nog slecht weer komen, er zullen nog

langdurige crisissen zijn, langdurige vernielingen; lijden

willen weinigen erven, in rijkdom transformeren.

Het kwaad is slinkser dan ooit, onzichtbare oorlogen zijn net begonnen,

afgebrande vlaggen wapperen nog in het denken, maar in actie

hebben de overwinnaars zelf nergens weet van . . .

En wij, wij staan nog steeds in een verre rij van ijzeren jetlaghekken,

als een slak die zijn zware schelp draagt en zijn mastachtige antennes ophoudt,

niets meer dan lekker weer-toeristen zijn we, wier antennes

af en toe uit het gat van de atmosfeer steken.

FLORENCE

Een dag in haast. De route vertraagd

door te verdwalen. We bestuderen de stadskaart en vergeten

dat we staan te midden van sombere fascinerende

straten en gebouwen, dat we onwetend kunnen zwerven

door de zo plotseling herwonnen anonimiteit.

Misschien is dat ook waar Florence zelf naar verlangt,

anders zou ze niet zo veel sluitingsdagen instellen,

toeristen op trappen en pleinen laten staan;

met indrukwekkende marmeren muren beschut ze

een plechtige stilte, scheidt leegte af in gesloten kerken.

Iedere plaats kan ik aan een menselijk beeld koppelen,

Florence doet mij denken aan een oude dame,

vanachter zware, donkerpaarse gordijnen kijkt ze

naar buiten, een spottend lachje speelt om haar mond, in

haar kamer hangt een kleine Botticelli uit haar privéverzameling.

Dit soort snoeverij stemt me zwaar te moede: buitenlanders

prijzen onze klassieke kunst maar houden vol

dat Chinezen van nu alleen politieke poëzie moeten schrijven –

in hun verbeelding hebben wij, afgezien van bloedvergieten,

niet het recht om zoals vroegere kunstenaars het schone na te streven,

noch hebben we recht op de roes van routine en lyriek;

in een hevige kramp van moraliteit, in de oneindige

vouwen van de geschiedenis, snijden ze het leven af

van het gevoel met zichzelf, beperken het tot

voetnoten van lijden en onmenselijke kolonies.

Daarom had ik liever dat Florence helder en ruimtelijk was,

ondiep en vlak, als een schoteltje in een openluchtcafé,

de serveerster, ze heeft ons ons toetje gebracht en vertraagt

haar bewegingen omdat ze merkt dat wij naar haar rok kijken,

lijkt op een overrijpe Beatrice met nonchalant haar.

Het namiddagzonlicht lost het gewicht van elke boom,

haarvaten van bladeren ontvouwen in de wind, hun schaduwen

veranderen via ons voorhoofd in een ander treuzelen,

in het triforium praten bewakers in zichzelf: als je vanuit de ramen

van musea naar buiten kijkt, is het altijd mooi.

NEW
JERSEY OP DE MAAN

            – aan L.Z.

Dit
is jouw boom, rivier, grasveld,

jouw
grote huis, jouw Amerika,

dit
is jouw leven op een andere planeet,

je
rijdt langzaam om mij door de heuvels te leiden,

als
een Private Life-documentaire op een breedbeeldscherm.

Aan
de woonkamermuren hangen replica’s van impressionisten,

de
grond ligt vol met het speelgoed van je dochter,

overdag,
wanneer je echtgenoot naar Manhattan is,

je
kind naar de crèche, de buurt stil is, en alleen

een
gesprek tussen een stofzuiger en een grasmaaier resteert,

maak
jij op je loopband, als een speelgoedtrein

op
zijn ronde spoor, het ene na het andere rondje . . .

Hier
ben ik verbaasd over een vervreemding,

niet
omdat je al van nationaliteit bent veranderd

of
iemands vrouw bent geworden, ik ben verbaasd

dat
aan jouw omzwervingen zo snel een eind is gekomen –

het
land van geluk waarvan we als kind droomden

is
al vereenvoudigd tot een comfortabele kooi,

en
op de dikke, zacht fluwelen kussens

hoef
ik China maar te noemen of je mond trekt in een spottend lachje.

Het
spijt me dat je een epische verandering bent misgelopen,

een
mythe van tijd ondersteboven gedraaid in de realiteit:

ieder
jaar van jou hier

is
een dag die we in onze geboortestreek doorbrachten.

’s
Avonds keer ik terug in mijn hotelletje in Queens,

hang
mijn jas over de stoelleuning, voor mijn ogen drijft

die
wilde meid van vroeger voorbij, ze hield meer van

vrijheid
dan de Carmen uit de pen van Mérimée, liep mee

in
demonstraties, als de godin geschilderd door Delacroix.

Het
geheugen onthoudt alleen de haspel van de vlieger,

ik
weet dat ik je niet meer terug naar huis kan brengen,

zelfs
gelukwensen lijken overbodig.

Er
is niemand om een taak aan toe te kennen, diep in de nacht

droom
ik dat ik met één voet over de Stille Oceaan stap,

terug
naar het brandende en rokende slagveld,

ik span er kruisbogen en blijf giftige zonnen neerschieten.

BIJ HET LEZEN VAN DE HERINNERINGEN VAN DE ECHTGENOTE VAN MANDELSTAM

Een
verlaat boek. Stel dat ik het eerder had gelezen,

dan
was het wolfraamdraad in mijn pupil ontbrand, waren mijn stembanden

in
het donker transparant geworden, had ik geselrijmen gemaakt.

Er
was altijd een kleine reus, met een vriendelijke, aandachtig luisterende

vrouw,
die al het andere verdroeg voor het geluk van het oor: honger,

angst
of het eigen leven; er waren altijd ontmoetingen in wandelgangen

bij
een vervroegd vertrek, een aansteker lenen, een pesterij,

samen
lachend naar de achterkant van een tijdperk lopend. Voorzichtig,

jouw
vonken spatten op mijn rok. Nee,

dat
was het grote gat dat in de stilzwijgende publieke goedkeuring was gebrand.

Durf
je verder te lopen? Waarheen? Zal ik

teruggaan
en nog een schot lossen op het Kremlin?

Nee,
mijn lief, leer jezelf los te laten,

ik
kan jou geen gezelschap meer houden, ik moet achterblijven,

een
spook van de realiteit worden, echo’s voortbrengen.

HET
SCHIET ME TE BINNEN DAT DIT DE STAD VAN NALAN XINGDE IS

Het
schiet me te binnen dat dit de stad van Nalan Xingde is,

een
Manchu, een scherpschutter in het Chinees,

hij
was zo dicht bij de macht, zo dicht bij de liefde,

maar
beide hoorden hem nooit toe – zijn korte leven

was
geboekt door luxueuze en desolate loges in een theater,

als
hij over de reling heen iets wilde omhelzen,

verdween
het. Ah, gedoodverfde toeschouwer,

zeldzame
basstem, eeuwen stilte kon alleen hij doorbreken –

zelfs
zijn verre reizen naar grensgebieden waren niet om gevechten,

maar
om uitgestrektheid en desolaatheid

terug
te brengen naar onze poëzie. Wanneer de punt van zijn penseel

stilviel
door het opzuigen van de gletsjers van de nacht,

doofden
soldaten in ontelbare tenten olielampen

onder
het geluid van hoorns. In de eindeloze derde wake van de ziel

was
thuis nergens. Leven was enkel

een
ontwakende droom. In de hoofdstad in gewone jaren

werden
netjes gerangschikte geglazuurde dakpannen dof van het roet,

schudden
vlaggenstokken in de zeewind;

de
deur van zijn landhuis keek uit op een vijver, binnen de omheining

werd
een zuidelijke tuin gekoesterd, regen van de dakspanten

was
omsluierd door rook, zwaaiende, fonkelende parelgordijnen onthulden

deze
monnik die tussen woorden zat te mediteren,

deze
man wiens leven begon vanaf een volle maan,

eeuwig op zoek naar die allereerste, ontroerende blik.

ZOOMEN

I

Voorbij
de Chinese Muur, voorbij

de
bergen die kilometerslang geen begroeiing hebben,

zodra
je in de lucht de bron van water kunt ruiken,

is
het alsof je naast een uitgeholde grot

een
fresco kunt zien die in het zonlicht is geplaatst:

een
hellend, hoger en hoger stijgend bos van kakibomen,

wortels
de rotsen ingedrongen, schimmels verwijderd,

vechtend
om licht en regen met andere boomsoorten,

het
groen wordt helder, wordt compact als

gesmolten
metaal, stroomt naar de afgrond;

in
die reeks van bijna oneindige getallen

is
elk blad blij om anoniem te zijn,

blij
om te dwarrelen, of nog aan een tak te blijven.

Langs
een gouden door de wind beroerde strook

wordt
het fruit door het gepik van vogels nog zoeter,

zorgeloos
zwellend, verwekend, druppelend.

II

Voor
het raam vangt deze ene boom het blikveld, weer,

(licht
in de stijl van Vermeer valt via hem het appartement in,

beschijnt
dit maar half afgeschreven gedicht),

we
zullen altijd in wederzijds onderzoek verzeilen,

zoals
twee bladeren een bevende kaak vormen.

Kaki’s
zijn vroeg in de zomer nog klein als tepels in de groei,

schuilen
tussen het gebladerte, verlegen door hun toenemende gewicht,

hun
kleur verandert als blozende, transparante oorlellen,

na
wat vorst rijpen ze versneld,

veranderen
in brandend rode soldeerbouten, naakt in de lucht

in
de sneeuw, verlangend te worden gestreeld, uitgezogen.

Ik
heb nog nooit zulke verdrietige borsten gezien,

hard
als keien, het magma koud, beschadigd door gevorkte takken

wanneer
ze vallen. Gescheurd vel, incontinente

afscheiding:
bloed, gal, ras, kern.

Mijn
starende blik verdonkert tot een grot waar het vreugdevuur uit is.

VERWILDERDE CHINESE MUUR

I

Label
van het aardoppervlak

of
wurgspoor van de afgrond van herinnering, verdwijnt in

bergen
die, getroffen door erosie van zandstormen en droogte,

steeds
meer lijken op de kleur van onze huid.

Ooit
waren wij hier. Zelfs

een
jonge soldaat opgeroepen uit een gehucht,

zal
met een rechte houding en het gemoed van een rijkaard

tussen
de kantelen door de vreemdelingen opnemen,

die
niet meer zijn dan over dor land kruipende beesten.

Hier
hebben we een gigantische badkuip geconstrueerd,

onze
dagen zijn vaak een onderdompeling in warmte en loomheid.

Wanneer
vrouwen in de tuin schommelen,

vergapen
mannen zich aan weerspiegelingen in het water;

bloederig,
ongekookt vlees is te vulgair,

de
dakspanten van onze beschaving

zijn
gepreciseerd tot het laatste omgekrulde puntje.

II

Nu
de grondigste

van
alle verwoestingen doorstaan:

vergeten
– hij is als

de
ruggengraat van een reptiel

die
het einde van de verwering nadert,

bergkammen
vol stilte uit de Juratijd,

met
het dalen van de zon sterft de verre motor weg,

de
avondgloed valt als roestige speerpunten.

Ik
kom de kiem zoeken van een leven dat voor onze geboorte is verdwenen,

zoals
filologische vingers geïrriteerd trommelen op

de
rand van een lege schaal,

zijn
binnenste al leeggevist.

III

In
de paar perzikbomen op de steile helling

gaan
de bijen zoemend en bedrijvig heen en weer,

ze
hebben in de buurt een paar

als
aardewerk stukgesmeten seintorens uitgekozen

om
hun kamp op te slaan.

Hun
lied lijkt te zeggen:

alles
aan de natuur teruggeven . . .

Onkruid,
als vingers diep in de aarde,

als
een vitaal leger van schimmen dat hellebaarden en lansen ophoudt

klimt
op de ingestorte treden,

in
deze tijden vluchten talloze verschrikte landschappen

van
museummuren vast overal in paniek alle kanten op.

DE ZEE IN MIJ

Die
zee heeft geen uitweg, golven

splijten
het gelaagde ravijn,

naderen
in een tel, beuken op deze kaap;

ze
komen, speciaal om de uitspringende rots te treffen,

met
miljoenen bliksemflitsen diep in een woord,

slaan
een boorgat, stijgen tot ver in de lucht, sproeien

als
stoom in een zeebekken, worden vuurwerkresten,

kwastjes
van algen, worden ontelbare tenten,

een
kamp van een halve seconde, om plots door een

stoot
uit te rekken tot de ruggengraat van de noodtoestand,

zodat
de volgende rij golven nog hoger springt, komt ie!

Zo’n
stroperige doorgang, met bloed opgekruld lemmet,

met
een ploeg rechtgetrokken waterval, opgezweept door de wind

klimmen
ze opnieuw, ja, pas na iets te hebben getroffen

zijn
ze tevreden, pas na het uiteenvallen draaien ze terug,

nooit
willen ze echt een stuk grond, een naam,

een
oever –– hoewel hij niet vaak meer te horen is,

de zee in mij, weet ik dat hij nog bestaat.

Sterven kan men zich niet veroorloven

De nieuwste roman van Yu Hua, De zevende dag, heeft een mooi, stemmig begin. Hoofdpersonage Yang Fei, eenenveertig jaar oud, verlaat zijn gehuurde kamertje en gaat door de dichte mist op weg naar het uitvaartcentrum – voor zijn eigen crematie, welteverstaan. Het is de eerste dag van zijn dood, en op een paar misvormingen na ziet hij er ongeveer nog zo uit als tijdens zijn leven.

Yang bevindt zich in een soort schemergebied, tussen de wereld van de levenden en die van de doden. Hij is dood, maar niet gecremeerd en in een graf geplaatst, waarmee hij zijn rustplaats zou bereiken. Yang zwerft rond, een beetje zoals het populaire boeddhisme het zich voorstelt na de dood, wanneer de overledenen hun leven nogmaals doorlopen, alvorens rust te vinden.
Zelf maakt Yu Hua met zijn structuur van zeven dagen, de titel en het motto van het boek een verwijzing naar genesis, die nogal uit de lucht gegrepen is. We volgen de ik-persoon de eerste zeven dagen na zijn dood, waarbij de laatste dag een soort rustdag vormt, maar meer verband dan dat is er niet met het westerse scheppingsverhaal.

Terwijl Yang zijn dood her-construeert en zijn leven de revue laat passeren, kan de lezer zich langzamerhand een beeld vormen van zijn leven en de maatschappij waarin hij leefde. Het begin van zijn leven is absurd: wanneer zijn moeder, op dat moment hoogzwanger van hem, in een trein naar het toilet gaat, is voor ze het weet haar baby geboren en door het (in die tijd grote) gat van het toilet verdwenen. Op de rails wordt hij gevonden door een jonge wisselwachter, die hem liefdevol opvoedt, en er ontwikkelt zich een hechte band tussen vader en zoon, die elkaar zonder al te veel woorden begrijpen.

Het boek begint prettig humoristisch. Het uitvaartcentrum, waar iedereen heengaat voor zijn crematie, blijkt niet zo heel veel te verschillen van de wereld van de levenden. Er bestaan mobiele telefoontjes, vip-plaatsen, plastische chirurgie, en ‘als je gecremeerd wilt worden, moet je een beetje opschieten’. Er heerst ook eenzelfde hiërarchie; wie macht en rijkdom heeft, heeft heel wat streepjes voor op wie dat niet heeft, en ‘geconfronteerd met de macht, moest het geld zijn eigen minderwaardigheid erkennen.’ Dus krijgt de burgemeester van een grote stad voorrang voor zijn crematie, en mogen de rijkere op luxe stoelen zitten wachten op hun beurt, terwijl de armen op plastic stoeltjes moeten plaatsnemen. Waar de armen geen graf hebben, zo legt een van de rijke overledenen uit dat hij heeft gekozen voor een biologische grafsteen, omdat iedereen nu ‘zo veel belang hechtte aan biologische voedsel.’

Maar gaandeweg verdwijnt de humor helaas een beetje en wordt duidelijk dat Yu Hua met deze nieuwe roman dezelfde thema’s aansnijdt als in zijn vorige romans Leven, De bloedverkoper en Broers. De morele ontwrichting en hardheid van de maatschappij en de hypocrisie van de mensen worden uitgebreid verbeeld, middels tragische verhalen die we allemaal kennen uit kranten en documentaires. Geaborteerde baby’s worden als medisch afval in een rivier gedeponeerd, een man wordt ten onterechte veroordeeld tot de doodstraf voor het doden van zijn geesteszieke vrouw (die later niet dood blijkt), een meisje aan de onderkant van de maatschappij pleegt zelfmoord omdat haar vriendje haar een valse iPhone heeft gegeven, haar vriendje sterft door het verkopen van zijn nier, een echtpaar sterft doordat ze niet uit hun oude appartementencomplex willen dat de staat laat afbreken, en na hun dood moeten de armen constateren: ‘Zelfs doodgaan kunnen we ons niet veroorloven’.

Te midden van al die ellende is het leven van Yang Fei bijna romantisch en voorbeeldig. Vanaf het moment dat zijn pleegvader hem vindt, zorgt hij voor Yang Fei met een ongekende liefde en opofferingsgezindheid, bijgestaan door een bevriend echtpaar dat dezelfde waarden toegedaan is. Het zijn ook die waarden die het zwervende bestaan na de dood kenmerken; zoals Yu Hua het beschrijft, is het haast de ideale maatschappij. Al zijn de doden wat emotieloos (wat wil je ook van een skelet), toch zijn de mensen er voorkomend en meelevend met elkaar. En al wordt het graf omschreven als de ideale laatste rustplaats, de plaats van de doden zonder graf lijkt een beetje op het paradijs: ‘Daar wuiven de boombladeren naar je, de rotsen glimlachen naar je, en het water van de rivier begroet je. Daar zijn geen armen of rijken, er is geen verdriet of pijn, geen wrok of haat… Daar zijn alle mensen gelijk in de dood.’

Daarmee lijkt de roman een pleidooi voor meer menselijkheid, voor liefde, affectie en medeleven in een maatschappij waar rijkdom, status en macht de boventoon voeren. Die mooie boodschap heeft een aangename roman opgeleverd, die tegelijkertijd toch ook wel een beetje te braaf is.

Bespreking verschenen in NRC Handelsblad, 8 april 2016

Subtiele humor en irrationeel geweld

Iedere keer als ik iets van Yu Hua lees verbaas ik me erover dat de man in zijn jonge jaren, voor hij ging schrijven, als tandarts heeft gewerkt – een van de beroepen in de medische wereld die weinig met de psychologische aspecten van de mens samenhangen. Als schrijver laat Yu Hua juist in al zijn werk de mens als handelend, interactief wezen zien.
Ook in de recent in het Nederlands verschenen bundel Flesjes knallen is de verbindende factor Yu Hua’s interesse voor wat mensen beweegt, als individu en als deelnemer van de samenleving. De meeste verhalen hebben een vleugje subtiele humor, maar in een paar gevallen overheerst irrationeel geweld – ook elementen die we in zijn romans terugzien, net zoals morele ontwrichting, de hardheid van de maatschappij en hypocrisie. Yu Hua oordeelt daar niet over, hij vertelt en houdt een spiegel voor.
Voor wie Yu Hua’s romans, Leven!, De bloedverkoper, Broers, De zevende dag, die de afgelopen tien jaar in het Nederlands zijn verschenen, kent, is het interessant om de ontwikkeling van dertig jaar schrijven te zien. In deze verhalen, uit 1986-1998, het begin van zijn schrijversbestaan, is hij duidelijk experimenteler. In de jaren ’80 maakte Yu Hua in China naam als avant-gardistisch schrijver, wat volgens Jan De Meyer, redacteur van de verhalenbundel, niet dezelfde lading heeft als in het westen: ‘In China kan ongeveer iedereen tot de avant-garde worden gerekend die zich niet strikt houdt aan de regels die door het systeem worden gedicteerd’.
In de latere romans is Yu Hua’s schrijfstijl wat conventioneler, en dat is ook in de verhalen van de jaren ’90 al te zien. De vroegere verhalen zijn wat mysterieuzer, waarbij de vraag zich opdringt in hoeverre dat te maken heeft met het politieke klimaat; het onderdrukkende Mao-tijdperk waarin Yu Hua opgroeide was immers nog niet zo lang verleden tijd.
Het extreemste voorbeeld van raadselachtigheid is ‘Het verleden en de straffen’. De hoofdpersoon, aangeduid als ‘de onbekende’, heeft het gevoel te zijn afgesneden van zijn verleden, maar waarom blijft onduidelijk, en eigenlijk is het alleen te begrijpen als allegorie voor de Chinezen in het algemeen, die door de Culturele Revolutie van hun verleden zijn afgesneden. Het ontroerendst zijn wat mij betreft ‘Appendix’, ‘Ik heb geen eigen naam’ en ‘De jongen in het schemerlicht’, stuk voor stuk heel menselijke verhalen waarin je als lezer onder de huid van de personages zit, waarbij je zou willen ingrijpen om de gebeurtenissen weer recht te trekken.
Voor wie Yu Hua nog niet kent is dit een mooie eerste kennismaking, met verhalen die je nu eens onderdompelen in een onbekende wereld – en dat kan het China van enkele decennia geleden zijn of een meer Kafkaëske wereld met ongrijpbare machten – en dan weer een bron van herkenning vormen. Hoe dan ook geeft elk verhaal de nodige stof tot nadenken. Oplossingen of antwoorden heeft ook Yu Hua uiteraard niet. Al met al een heel fijne bundel!

Bespreking verschenen in NRC, 3 augustus 2018
https://www.nrc.nl/nieuws/2018/08/03/subtiele-humor-en-irrationeel-geweld-a1611990