Chen Li, ‘De rand van het eiland’

Chen Li (Taiwan, 1954) heeft een veelzijdig oeuvre op zijn naam staan. Hij staat bekend als een sociaal bewogen, humoristische dichter die graag experimenteert met nieuwe vormen en uitdrukkingswijzen. Chen is behalve dichter ook een groot muziekliefhebber en een productieve poëzievertaler, twee invloeden die duidelijk hun sporen hebben nagelaten in zijn werk. Vanuit zijn woonplaats Hualian, op de rand van het eiland Taiwan, kijkt hij de wijde wereld in, open voor alles wat menselijk is. ‘Ik bén het eiland,’ zei hij treffend in een gesprek dat Martin de Haan en ik met hem hadden.

Bundels

Voor de tempel

Zee-impressie

Een beschamend groot bed,
die femme fatale woelt de hele dag
met haar minnaar
een deken van waterblauw en golvend wit
van
hier
naar
daar

september 1974

Minnares

Mijn minnares is een ontstemde gitaar,
haar gladde romp verborgen in haar koffer
voor het schijnsel van de maan.

Af en toe haal ik haar eruit
en neem haar in mijn armen, zacht
streel ik haar koude hals.
Mijn linkerhand aan de sleutels, mijn rechter
aan de snaren, zo stem ik haar
tot ze goed gespannen is, een echt
zessnarig instrument, gespannen
haar ontvlambare schoonheid.

Maar als ik begin te spelen
breken ineens
de snaren.

oktober 1974

Dichtersdag

Toen zei hij omdat hijzelf poëzie was.
Toen vervolgde hij dat hij zo schreef omdat hij zo wilde schrijven.
Toen zei hij die het niet met hem en hem en hem eens was
dat hij poëzie schreef omdat zijn liefje hem te veel liefhad.

De bladeren van de opgegeten rijstnoedels gooiden we in de rivier.

Toen zei die grote dichter met die rode das en sportschoenen
dat poëzie de vettigheid van kleefrijst is die op het water drijft
en gelijk staken we onze armen ernaar uit. De dichters lachten.
Degene die veel dronk én veel praatte zei dat poëzie nu eenmaal
ongrijpbaar is; daarop rochelde hij, improviseerde twee regels
en verontschuldigde zich dat zijn buik echt te dik was.

Vervolgens sprongen we de rivier in, op de avond van dichtersdag.

Toen ik zonk hoorde ik zeggen dat we in ons volgende leven
ook dichters zouden zijn, als, ik weet niet wie het zei,
als de maan ook onze lijken zou zien.

augustus 1975

Noot van de vertaler: Dichtersdag wordt gevierd op de vijfde dag van de vijfde maand van de maankalender, de dag dat de beroemde dichter Qu Yuan (343?-278 v.Chr.) de verdrinkingsdood verkoos. Het is traditie om op die dag rijstnoedels gewikkeld in lotusbladeren te eten.

Dierenwiegeliedje

Voetstappen in de sneeuw

Kou vraagt om slaap
diepe
slaap, vraagt
om een gevoel zacht als een zwaan
een regel neergekrabbeld in rulle sneeuw
in louter witte, witte
inkt
neergekrabbeld
om zijn stemming, de kou
witte sneeuw

augustus 1976

Dierenwiegeliedje

Laat de tijd vast zijn als de vlekken van een luipaard
een vermoeide watervogel glijdt over het water zacht zijn
tranen druppelend als een afgeschoten pijl voor hij neerkomt
dit is de tuin de tuin zonder muziek de grijzige olifant
komt met zware zware stappen voorbij en vraagt je
te zorgen voor de honingraat de honingraat zonder bijen

Voor de nacht voor het gras zonder kleren ruim ik dauw wanneer
de sterren rijzen de hemel traag hoger wordt dan de giraf in de deur
laat zogende moeders ver van hun kinderen gaan zoals een
kat uiteindelijk ook zijn gekromde rug ontspant volhard niet langer
abstract in de kleur van liefde de hoogte van dromen want
dit is de tuin de tuin zonder muziek

Imiteer de klungelige ezel niet in zijn gesnurk als hij langsparadeert
laat de tijd zijn adem inhouden als een beer die voor dood gaat liggen
een paar sneeuwwitte bloemen slaan op zijn wimpers een paar vlinders
ik poets de deurplaat voor de stal voor de zwaluwen zonder dakrand
wanneer de grijzige olifant met zware stappen voorbijkomt en je vraagt
de kieren te stoppen voor de kapotte pilaar de pilaar zonder verdriet

Dit is de tuin de tuin zonder muziek adelaars stop met cirkelen
jachthonden stop met rennen als het voorhoofd van engelen
breed genoeg voor vijftig forten en zevenhonderd rijtuigen
laat kinderen die ver van hun moeders zijn terugkeren zoals lang
begraven mythes en religies opnieuw worden ontdekt en aangehangen
ik zal bidden voor de fruitbomen de fruitbomen ontdaan van hun fruit

Laat de tijd vast zijn als de vlekken van een luipaard
een paar sneeuwwitte bloemen slaan op zijn wimpers een paar vlinders
wek de woede niet van de leeuwen die rustig slapen
dit is de tuin de tuin zonder muziek de grijzige
olifant komt met zware zware stappen voorbij en vraagt je
vraagt de modder om snel zijn voetstappen te verbergen

januari 1977

Een huis

Eenvoud is een ingewikkeld huis, de minnaressen
van wie dat zeggen wonen misschien wel naast het postkantoor
wat inhoudt dat ze gewend zijn in alle vroegte ansichten te ontvangen,
tussen stempel en groet een grasveld te vinden, een vlucht zeemeeuwen
of een boot
want een boot is een raam en een raam is groter dan een huis

Maar echt onuitstaanbaar vinden ze de pakjesmetafoor
en dus moeten hun minnaars eerst een boom in klimmen, fruit plukken en
doormidden snijden, de controversiële liefde erin stoppen, dichtlijmen
en dan, alsof er niks is gebeurd, stiekem het fruit terughangen
en naar beneden klimmen

Maar de minnaressen moeten wel
want de definitie van een eiland is: aan alle kanten omringd door zee
de definitie van een la: gaat niet meer open als de sleutel kwijt is

augustus 1978

Stortregen

Wreed als de vleermuizen van gisteravond
klapwiekende, gigantische vleugels dringen ineens
de aluminium deuren en ramen van de weerloze slaap binnen
drukken ongenadig een veeg teken op de mondhoek van de middag:
een snerpende kreet –
rondom zie je gesmolten en verstijfde tijd
een wirwar van kleine paadjes
de angst te verdwalen wordt sneller nat dan de grond:

ik wil mijn wereld kleiner dan een snoeptrommel
steviger dan kristalglas

augustus 1978

In een stad opgeschrikt door aanhoudende aardbevingen

In een stad opgeschrikt door aanhoudende aardbevingen hoor ik
duizend kwaadaardige jakhalzen tegen hun kinderen zeggen:
‘Mama, ik had ongelijk.’
Ik hoor rechters huilen
pastoors berouw hebben, ik hoor
handboeien uit kranten vliegen, schoolborden in beerputten vallen
ik hoor geleerden hun schoffel neerleggen, boeren hun bril,
en dikke zakenlui hun roomboterkleren stuk voor stuk uittrekken

In een stad opgeschrikt door aanhoudende aardbevingen
zie ik geknielde pooiers vagina’s teruggeven aan hun meisjes

november 1978

Wolkbreuk

Stormlied

Dertig jaar. De bedeesde blik van een kind.

Weer om vijf uur wakker van een nachtmerrie.
Nog altijd zijn er leraren om je te examineren.
Nog altijd zijn er verklikkers om je aan te geven.
Nog altijd zijn er drilmeesters, instructeurs,
patrouilles om je in te tomen,
je rechtschapenheid te controleren.
Gezicht wassen, tanden poetsen
en voor je naar de wc gaat dat gedicht uitlezen
van gisteravond.
Ontbijttafel. Scooter.
Vlag hijsen. Goedemorgen meester.
Bij zon hardlopen.
Bij regen een paraplu open en dicht klappen.

Er waait een stormwind
over de mist van een eeuw neerslachtigheid
over het opgestapelde stof op de bureaus
over het vuil in de hoeken van de plaatselijke krant
over de gemeenplaatsen
over de hypocrisie
over de boekentassen
over de helm van het hoofd personeelszaken.

Er waait een stormwind
over de tranen van duizend jaar onrust
over de reizigers die over doornen struikelen
over het peinzende sterrenlicht in de donkere nacht
over de opgebrande schrijvers met ogen vol woede
over de weduwen met dromen vol haat, bloedige haat
over de mestgier
over het grasgroen
over de wilde rozen in zusjes haar.

Dertig jaar. De zware stap van een schildpad.
Blijkbaar nog steeds even trots.
Blijkbaar nog steeds in staat te schaterlachen.
Koude thee. Warm zweet.
Naar boven. Einde les.
Onderweg constant knipperende verkeerslichten. Leuzen.
Geschiedenis. Zwarte mist.

‘Er waait een stormwind, waarover waait hij dan?’
Over alle mensen met liefde en tranen.

oktober 1982

Noot van de vertaler: ‘Er waait een stormwind, waarover waait hij dan?’ is een populair kinderspelletje in Taiwan.

Tarokokloof, 1989

1
In de druilige lentekou probeer ik je stilte te doorgronden.

Je uitgestrektheid is een vertrouwde nabijheid.
Hemelhoge bergwanden liggen in mij als een korreltje zand.
Wolken en nevel schuiven voorbij.
In de vochtigheid wiegelt en rust het welig groen.
Je tederheid is als adem,
als de dwarreling van een blad, de zweefvlucht van een vogel,
ze lijkt op het opengaan van de boombloesems
die op de gladde, steile bergtoppen en kliffen staan.
Je diepte aanvaardt pijn en verrukking,
plechtig als het dichte regenwoud,
de donkerblauwe sterrenhemel. Je intensiteit
passeert de woeste bergstromen van vorige zomer,
galoppeert in de zonnige ochtend
zoals de hazen huppelen en de vogels gaan.
Het is alsof ik het leven tot het leven hoor roepen
in de diepe poel waar ik als kind speelde,
in de droom waaruit ik afgelopen nacht wakker schrok.
Het is alsof ik het vuur van de geschiedenis zie,
omgekeerd en bevroren door de tijd,
boven op de ruige rotsen,
onder in de vallei vol neergestorte keien.
Je groeven zijn als wolken, als water
tussen het eindeloze staren van bergen naar bergen,
in de eindeloze weerkaatsing van hemel en aarde.

Toch zie je nog altijd stilzwijgend toe
hoe ik over je bergpaden ga.
Je ziet mij keer op keer
voor je ogen neervallen,
net als zij die duizenden jaren lang in je armen
zijn gevallen, hebben gebloed, gestorven zijn.

2
Hoe vaak heb je de kinderen in je armen
laten vallen en gekneusd weer laten opstaan?
Hoe vaak heb je hen het dichte bos vol verrotte bladeren
in laten trekken en doen verdwalen?
Je ziet jeugd als een snelle waterval uiteenspatten
en met bergbeken de verre zee in stromen.
Je ziet wolken beladen met dromen langsdrijven
en traag in grotere dromen opgaan.
Je laat hen een rotsblok zoeken om rustig op te zitten mijmeren.
Je laat hen leunend tegen klokgelui de schemer in gaan,
opgroeien tijdens een wolkbreuk.
Je laat hen lang boven de gapende afgrond stilstaan,
ze zien druppels water door de rotsen dringen,
ze zien tijd vervlieten, dag in dag uit.

Tijd vervliet, dag in dag uit.
Je liet roodharige Spanjaarden het goud uit je kloof halen.
Je liet roodharige Hollanders het goud uit je kloof halen.
Je liet door de Mantsjoes verdreven Chinezen het goud uit je kloof halen.
Je liet Japanners die de Mantsjoes verdreven het goud uit je kloof halen.

Forten, kanonnen, doden in je kloof.
Forten, kanonnen, doden op je helling.
Forten, kanonnen, doden bij je bron.

Je hoorde de overgekomen Chinezen tegen de inlanders onder hun mes:
‘Geef je over, Tarokobarbaar!’
Je hoorde de overgekomen Japanners tegen de inlanders onder hun geweer:
‘Geef je over, Tarokobarbaar!’
Je zag de getatoeëerden uit de bergen gaandeweg naar de heuvels verhuizen,
van de heuvels naar de vlakte.
Je zag ze gaandeweg hun huizen verlaten,
stilzwijgend.

3
Je zag ze gaandeweg hun huizen verlaten
en naar je toe komen,
die Chinezen die door Chinezen de zee over waren gedreven.
Met explosieven, nostalgie en bulldozers uit de oorlog
groeven ze nieuwe dromen in de wirwar van je skelet.
Enkelen raakten vermist in de tunnels die ze zelf hadden geboord.
Enkelen zonken met vallende rotsen in de eeuwige afgrond.
Enkelen lieten een hand achter, een voet,
leerden van de standvastige bomen rechtop in de wind te staan.
Enkelen trokken hun oude gewaden uit, namen een schoffel op
en nagelden nieuwe deurplaatjes langs de nieuwe wegen.
Van de nieuwe meisjes in het vreemde land leerden ze
te enten, bloed te mengen, zich voort te planten.
Als immer voortgeteelde peren, kolen en Californische pruimen
pootten ze zichzelf in jouw lichaam.

Ze hingen nieuwe plaatsnamen langs de nieuwe wegen
en in de lente
kwam hun grote leider met zijn medailles opgespeld
in Tianxiang van de gevallen pruimenbloesems genieten.
Ze spreidden het keizerlijke bed
op het pad naar de warmwaterbronnen, met hete stoom erboven,
en reciteerden luid het Lied van Rechtschapenheid.
Maar jij bent het Huaqingmeer niet of de Maweiheuvel,
jij bent het verre, schimmige Chinese landschap niet.
De beroemde meester-schilder Daqian streelde bevend
zijn mooie baard, onwerkelijker dan bergnevel.
Met halfabstracte vlekinkt strooide hij nostalgie
op jouw concrete gezicht.
Ze schilderden ‘Tienduizend mijl van de Yangzi’ op je bergwanden.
Maar je bent geen landschap,
je bent geen landschap in een landschapsschildering.
Li Tangs ‘Wind in de dennenravijnen’ hangt niet aan je voorhoofd,
net zomin als Fan Kuans ‘Reizen tussen beken en bergen’.
Voor de toeristen die je in hun airco-bussen bezoeken
ben je natuurschoon
(zoals de Portugezen die vierhonderd jaar geleden in een boot
langs de oostkust voeren op vreemde toon ‘Formosa’ riepen).
Maar jij heet niet Formosa, al ben je wel mooi.
Je bent geen landschap om weg te halen, op te hangen, tentoon te stellen.
Je leeft, je bent leven.
Je bent een machtig, onvervalst bestaan voor hen
die met jouw bloed kloppen, met je ademen,
voor jouw volkeren

4
Ik zoek de mistige dageraad.
Ik zoek de eerste zwarte langstaartfazant die over de kloof vloog.
Ik zoek de indigo en de wolfsmelk die elkaar door spleten begluurden.
Ik zoek de tongen die uit volle borst zee en morgenglans bezongen.
Ik zoek de rode knieën van de avondzon die vliegende eekhoorns najoeg.
Ik zoek de kalender van de bomen die met de temperatuur verkleurden.
Ik zoek het volk van de wind.
Ik zoek de riten van het vuur.
Ik zoek de hoefslag van het everzwijn die weerklonk met het spannen van de boog.
Ik zoek de bamboehuizen van dromen die op watersnoodkussens sliepen.
Ik zoek de bouwkunst.
Ik zoek de zeevaart.
Ik zoek de huilende sterren in rouwkledij.
Ik zoek de haakachtige bergmaan waaraan de bloednacht en de kloof hingen.
Ik zoek de vingers die zich hoog aan de kliffen vastketenden en zich opbliezen met de berg.
Ik zoek het licht dat door de wanden boorde.
Ik zoek de schedel die op de boeg van het schip botste.
Ik zoek het hart dat is begraven in vreemde aarde.
Ik zoek een hangbrug – een lied zonder schoenveter misschien.
Ik zoek de grot der echo’s, betekenisvolle klinkers en medeklinkers:

Tangarao, Bunkium, Tupido,
Tanlongan, Losao, Teruwan,
Topogo, Sumeg, Lupog,
Kobayan, Balanao, Botonof,
Kumoxel, Kalagi, Baga-Paras,
Kalapao, Tabula, Lapax,
Qesia, Busiya, Tassil,
Sexengan, Sidagan, Sikalaxen,
Qaugwan, Tomowan, Bolowan,
Vetodan, Putsingan, Senlingan,
Daoleg, Degalan, Degiag,
Sakadan, Palatan, Sowasal,
Bunayan, Bololin, Tabokyan,
Owai, Doyun, Batakan,
Dagali, Xoxos, Waxel,
Sikui, Bokusi, Mogoyisi.

5
Ik zoek de grot der echo’s.
In de druilige lentekou probeer ik het geheim te doorgronden
van ons nederige verblijf op aarde.
In de herfst lopen ze samen over de bergpaden in de kloof.
In bossen of langs beken wacht hun
misschien een plotselinge groep makaken,
misschien twee onbewoonde bamboehuizen, stil
naast het braakliggende ploegland.
Verder op het oude pad passeren ze kruipend onkruid,
stuiten weer op gecamoufleerde Japanse loopgraven.
Nog verder een inheemse strooien jachthut
met wat scherven aardewerk,
recentelijk daar achtergelaten door een opgravingsteam.

We gaan om Huitouwan heen
naar de hangbrug, waar negen oude pruimenbomen staan.
Waar ooit de Japanse politie zat gooit een moderne postbode
vrolijk de post in de verschillende brievenbussen.
Misschien wordt hij opgehaald door de veteranen van het Lianhuameer,
die na twee uur lopen bij de hangbrug komen,
misschien door de vrouwen uit het dorp Mei,
die in een pick-up naar beneden komen hobbelen.

Hobbelend komen jullie het schemerige gehucht binnen.
Een gezonde dorpsjongen rent jullie opgewonden tegemoet.
Zijn behendige gestalte is als het hert dat zijn grootvader
vijftien jaar geleden heeft geschoten.
‘Mijn vader heeft de thee al klaarstaan!’
Bamboedorp, de naam van hun geboorteplaats
is als de Tanggedichten die zijn vader in zijn jeugd las.
Net zoals de Atayal die hier vijftig jaar geleden ploegden en jaagden,
kwamen zij van over zee en werden eigenaar van dit stuk grond,
ze kweekten hun fruitbomen, brachten hun kinderen groot.

6
In de druilige lentekou probeer ik het geheim te doorgronden
van ons nederige verblijf op aarde.
Klokgelui stuwt klokgelui.
Gebergten voorbij gebergten.
Ik ga de trappen op, nader schuin in de schemering
de boeddhistische zang in de tempel boven op de rots.
Als wederkerende golven,
als jouw weidse bestaan,
die lage, galmende zang, eenvoudig en toch ingewikkeld,
omvat je verfijning en weidsheid,
omvat je droefenis en vreugde,
omvat eigenaardigheid,
omvat onvolkomenheid,
omvat eenzaamheid,
omvat haat.
Net als de genadige, bescheiden bodhisattva ben jij ook
een stilzwijgende Godin van Barmhartigheid.
Je ziet rechtvaardig toe op
de wording van hemel en aarde,
de dood van bomen, de geboorte van insecten.
Het landschap fluistert, de kosmos is eindeloos.
Het is alsof ik het leven tot leven hoor roepen,
door het onwerkelijke tafereel van berg en water,
door de eeuwige grot der echo’s,
tot in deze nacht.

Hemelhoge bergwanden liggen in mij als een korreltje zand.

maart 1989

Noot van de vertaler: In deel vier komt een lijst met plaatsnamen uit het Nationale Park De Tarokokloof voor, dat zijn de inheemse namen die in de taal van de Atayal allemaal een specifieke betekenis hebben. Tupido bijvoorbeeld, het huidige Tianxiang, betekent oorspronkelijk ‘palmboom’; Losao betekent ‘moeras’; Tabokyan betekent ‘zaaien’; Putsingan betekent ‘weg die je moet gaan’; Bolowan betekent ‘echo’. Zie Liao Shouchen, De cultuur van de Atayal (Taipei, 1984).
‘Lied van Rechtschapenheid’: Geschreven door Wen Tianxiang (1236-1286), de laatste kanselier van de Song-dynastie, na zijn gevangenneming door de Mongolen.

Dictatuur

Agenten die naar believen met de grammatica knoeien.

Enkelvoudig maar gewend om meervoudige vormen te gebruiken.
Objecten maar omhooggevallen tot subjecten.

In hun jeugd verlangend naar de toekomende tijd.
In hun ouderdom zwelgend in de verleden tijd.

Vertalen overbodig.
Tegen hervorming.

Vaste zinsbouw.
Vaste zinsbouw.
Vaste zinsbouw.

Maar één overgankelijk werkwoord: onderdrukken.

mei 1989

De muur

Hij hoort ons huilen
Hij hoort ons fluisteren
Hij hoort ons het behang scheuren
ongerust de stemmen van vertrokken familieleden zoeken
– hun kolossale ademhaling, gesnurk, gehoest
die wij nooit hebben gehoord

De muur heeft oren
De muur is een zwijgzame recorder

We geven hem spijkers
ter herinnering aan de afwezige hoeden, sleutels, jassen
We geven hem spleten
ter berging van de kronkelende liefdes, praatjes, schandalen

Wat eraan hangt is de klok
Wat eraan hangt is de spiegel
Wat eraan hangt is de schaduw van verdwenen dagen
de lipafdruk van uitgeholde dromen

We geven hem dikte
We geven hem gewicht
We geven hem stilte

De muur heeft oren
Op onze zwakte rust zijn kolossale bestaan

juni 1990

Ansichtkaarten voor Messiaen

1
We zijn allemaal hangende

tranen
sterren
regenbogen
vogels

boven de afgrond van de tijd
zingend
zingend

een tuin van verdriet in de lucht

2
We rennen over een wereldbol
ik ben in het oude Azië
jij in het verre Europa
iemand draait de wereld rond
we glijden uit, vallen samen
in de oceaan van melancholie

3
De oceaan, gekweld maar sereen

ademt
ademt
ademt

liefde

4
Als een golvenrij vol kracht en licht

stijgend
dalend

Als een cyclische, geheime tunnel

van bergkloof tot melkweg
van droom tot droom

5
Vogels vliegen een vijfhoekige tuin in
muziek stroomt muziek in

west
oost
harmonie
disharmonie

op basis waarvan

februari 1990

Noot van de dichter: Deze gedichten zijn geschreven op basis van muziek die ik recentelijk heb gehoord, vooral Messiaen (1908-1992), Nono (1924-1990), Webern (1883-1945) en Takemitsu (1930-1995). Takemitsu heeft gezegd: ‘De vreugde van muziek lijkt eigenlijk niet te scheiden van verdriet, het verdriet van het bestaan. Hoe meer je de pure vreugde van musiceren ondergaat, hoe dieper je dat verdriet kunt voelen.’

Reizen in de familie

Een hond die naar de maan blaft

De tijd laat zijn hond ons bijten.
Hij bijt onze mouwen eraf, laat een paar
vodden van vergetelheid achter.
We kopen suiker aan de overkant, vinden een afgedankte arm
– zouden we hem in de dichtstbijzijnde brievenbus gooien?
Misschien ontvangen onze ouders hem op reis
in hun verre hotel.
Misschien wordt hij opgehangen bij de ingang van een station
en wordt er elke vijf minuten omgeroepen:
‘De reiziger die een arm kwijt is, wordt verzocht hem bij de informatiebalie te komen ophalen.’

We geloven niet dat zij onze familie en vrienden van lang geleden zijn:
een zakdoek uit de kindertijd, een huiswerkschrift, de lippenstift
van een liefje, een bh, een diploma.
We rapen het speelgoed op dat op de grond is gevallen
en horen het zeggen: ‘Au, dat doet pijn.’
De maan zit op de hemel geplakt als een postzegel verscholen achter het stempel.
We schrijven brieven met balpennen van sterrenlicht en sturen ze aan God,
hij woont ten noorden van de schuilkelders
en twee intercitystewardessen met rode jurk en hoed
duwen hun karretje en vragen of hij medicijnen wil kopen.

En dat is natuurlijk bitter.
Toch heeft hij ons nog een familiefoto gestuurd:
de kolonel, grootgebracht in de oorlog, de zwarte bordeelhoudster,
Gino de kater, A-lan de oude meid, haar hele leven ongetrouwd,
ze zijn er allemaal, op het perron van de tijd,
tegenover een hond die met wijdopen ogen naar de maan blaft.
Ze wachten om opnieuw langs ons te strijken.
We openen het postzegelalbum en zoeken argwanend
de ene na de andere kreet die ons bekend voorkomt.
Misschien is dat wat ze familiereünie noemen.

oktober 1990

Ansichtkaarten voor de tijd

Landschap
Landschap is er nog,
landschap is een immens boek
jouw, mijn wind blies
beroerde
een blad, twee…

is een ansichtkaart zonder adres
achtergelaten om te worden gepost
geschreven door de tijd
gelezen door de bomen

Boekbladeren zijn boombladeren
wanneer wij, koukleumen, op de dorre takken springen
en als vogels de wereld uit vliegen

Ontmoeting
Ontmoeting in juli
ontmoeting in de tuin van juli
in de duizeling van het bouwsel van louter licht en geur
laat mij een roos voor je plukken
en verlaat mij verder
verlaat de groeiende schaduw achter mij

Wereld
Elke bloem is een vuurknop
een geheime spiegel
die berglicht en waterschaduw verbergt
en brandend verlangen

We zijn in de spiegel
we zijn buiten de spiegel
we zijn in de bloemblaadjes, vele
waarheden en illusies weerspiegelen elkaar

Deze wereld met ons leed en verdriet,
kan hij enkel
de tong zijn van een andere, onzichtbare vuurknop?

Slapeloze nacht
Slapeloze nacht

De rust van het hele hotel
drukt op mijn kussen
als een volle urineblaas

in een kelder waar onophoudelijk water druppelt

verwaarloosde waterkranen van de hele stad
en sperma

Hangbrug
Hangbrug
tussen mijn dromen
en jouw oever

In het geluid
van de wielen van twee treinen
die in tegengestelde richting voortgaan

Een denkbeeldige tunnel
vol herinneringen en echo’s

Hangbrug
tussen deze wereld
en die andere

november 1991

Rivier van schaduwen

Uit onze theekop stroomt elke dag
een rivier van schaduwen.
De vlekken van onze lippenafdruk
zijn de één voor één verdwijnende
rivieroevers.
Een kamer vol theegeuren lokt ons in slaap.
Misschien drinken we tijd,
misschien onszelf,
misschien onze ouders die in het kopje zijn gevallen.

Van de bodem met thee-aanslag vissen we
het landschap van vorig jaar,
een bergvol jasmijn,
uiteengevallen bloesems.
We zien de koude rivier weer aan de kook komen
en de duisternis die langzaam invalt vloeibaar maken.

En dan zitten we thee te drinken
achter een kopje dat oplicht als een lantaarn, we zitten
op een oever hoog als dromen
te wachten tot de thee rivier wordt,
te wachten tot de bomen bloeien en vrucht dragen,
totdat we net als onze ouders incarneren,
in een vrucht,
een theebloem,
en in de rivier van schaduwen vluchten.

februari 1992

Microkosmos – honderd moderne haiku’s

(selectie)

6
Een snelle neerwaartse glissando,
iemand zet een ladder
voor het raam van mijn jeugd.

14
Ik wacht, verlang naar jou,
in de lege beker van de nacht probeert
een dobbelsteen op zijn zevende kant te draaien.

20
Een ijslolly,
vanuit de mondhoek van de droom
smelt de glimlach van een zomernacht.

21
Tranen zijn als parels, nee, tranen zijn als
zilverstukken, nee, tranen zijn als
losgeraakte knopen die weer vastgenaaid moeten worden.

26
Ik drink de thee die jij hebt ingeschonken,
ik drink de lentekou
die tussen je vingers naar beneden glijdt.

33
Dood insect in een woordenboek
– lezend onder de zon,
een nieuw woord.

35
Eenzame toppen,
verbonden door eenzaamheid en
ogen van zwarte en witte vogels.

38
Een nacht koud als ijzer,
percussiemuziek van lichamen
die vuur maken.

46
Gevangenen van stilte: we slaan met taal
de transparante muur aan diggelen en worden gedwongen
met onze adem de stiltescherven weer op te rapen.

58
De kooi van troosteloosheid openen:
naar buiten vliegt de ledige leegte,
naar binnen vliegt de lege ledigheid.

66
Het wit van het lichaam
maakt een moedervlekje tot een eiland, ik mis
de glinsterende zee in je kleren.

73
Lezen op een voortdenderende trein:
op zoek naar de verloren tijd, buiten
een grote zwijgende zee.

78
Ze drukken de droom plat
als een creditcard en wachten tot de nacht
in geldnood langskomt om te pinnen.

86
Ik ben mens,
ik ben een wegwerpaansteker
in het donkere heelal.

87
Een granaatappel in de regen,
vochtig groen,
alsof hij iets wil zeggen.

De rand van het eiland

Ochtendblauw

Tussen het wit van de nacht en het zwart van de dag
geef je mij welwillend ochtendblauw,
je blauwe ondergoed, dat nergens verkrijgbaar is,
je blauwe haarlint, dat golft in de wind.

Welwillend geef je me gekleurde brokken melancholie
om de leegte in mijn hart te bedekken na een slapeloze nacht,
welwillend geef je me vochtige ziel
om het zwart te smelten van de dag die volgt.

Jij, blauw schaap,
je rent op en neer langs de grenzen van de droom,
je weerlegt mijn gedachten met blauwe wollige schaduw,
je onderdrukt mijn adem,
laat me naar je blauwe ogen verlangen,
laat me uitkijken naar je blauwe tong.

Blauwe zeegolven, brekend in het slikken en spuwen,
laten mij op het strand bij eb
je verloren blauwe ketting oprapen,
je weggesijpelde tepelhoven verzamelen.

Je laat mij jouw resterende speeksel zien als de zee,
als de Middellandse Zee,
en tussen de immense continenten van dag en nacht
een streepje hemelblauwe kust beschermen.

O, godin van het kwaad, meesteres van de ochtend.

juli 1994

Nachtelijke vis

’s Nachts word ik een vis,
een amfibie, zonder bezit
maar ineens rijk en vrij.

Leegte? Ja
leeg als het wijde hemelruim.
Ik zwem in nachten natter en zwarter dan jouw vagina,
als iemand die in alle zeeën thuis is.

Ja, het heelal is mijn stad,
gezien vanaf al onze stadszwembaden hier boven
is Europa enkel een verschrompeld stukje varkensvlees
en lijkt Azië net een gebroken theekopje naast een stinkende sloot.

Laat jullie zoete familieliefde maar stromen,
het kraanwater van jullie ethiek en moraal,
het badwater dat om de dag wordt ververst.

Ik ben een amfibie,
zonder bezit en zonder angst,
ik strijk neer in het wijde heelal,
strijk neer in je dromen van dag en nacht.

Een bader badend in weer en wind.

Manmoedig zwem ik je door je lucht,
zwem ik door leven en dood, waaraan je nooit kunt ontsnappen.

Wil jij nog steeds met je vrijheid pronken?

Kom, ervaar een vis,
ineens rijk en vrij door jouw vertrek,
ervaar een ruimtevis.

juli 1994

Rozenlied

1
Mijn roos, ik wil je niet plukken
want ik ben geboren in een tuin
met een roos als bed
jasmijn als kussen

2
Roos tussen rozen
bloem tussen bloemen
meisje tussen meisjes
liefje tussen liefjes

Sierlijke roos
fleurige bloem
eeuwig trouw
meisjelief

3
Je roofde mijn leven
meisje met je golvende haren
je roofde mijn leven
aan de oever

Ik zag met golvende haren
een meisje
je roofde mijn leven
meisje met je golvende haren
je roofde mijn leven

4
Isabella, Isabella
je bent je ceintuur verloren
kijk, daar
daar drijvend in het water

Isabella, allerliefste!

5
Ik zie dauw
hangen
op je boezem
Parels
die zweetgeur
afgeven
Vlij je tegen me aan
ook al heb je een dolk bij je
om me te verwonden
Wat is de nacht lang
veel te lang

6
Word wakker meisje, ontwaak
meisje, je moet opstaan en dansen
de dood is gekomen
er is geen ontsnapping mogelijk
O, zo koud
zo’n koude wind
de dood is gekomen

7
Aan de rand van de put naast de rozenstruiken,
een jongen en een meisje wassen zich
in het kristalheldere putwater
hij wast zijn gezicht met zijn handen

Aan de rand van de put naast de rozenstruiken,
een jongen en een meisje wassen zich
hij wast haar gezicht, zij wast zijn gezicht
een jongen en een meisje wassen zich

8
Mijn hart, waarom toch zo slapeloos
in nachten gemaakt voor de liefde
als het meisje om wie je geeft
in de omhelzing van een ander ligt?

9
De nachtegaal
zingt en
wordt steeds magerder
Ik wacht
op mijn jongenlief en
word steeds magerder

10
Ik,
Rainer Maria Rilke,
hier eeuwig slapend,
gestorven om een roos.
Mijn gedicht is
een andere roos,
het grafschrift
voor mijn leven:

Roos
o, reine tegenspraak.

juli 1994

Noot van de dichter: Deze tien gedichten hebben een verschillende oorsprong, waaronder flamencoliederen, oude gedichten en volksliederen uit Spanje, Perzië, Peru en Japan, en het grafschrift van Rilke. Samengevoegd vormen zij één gedicht.

Stadje

Zij wonen hier. Wat wind, wat
wolken. Een straat treft een andere, het snijpunt
vormt een kruis. Aan de overkant van de straat rapen
zij verwaaide boomschaduwen en binden die met
hun juist gepolijste humeur aan de deurpost. Twee
kruizen maken een vierkant, blok na blok,
als een schaakbord. Zij bewerken het land, vangen vis,
smeden en jagen. Olifant 3 + 5. Paard 2 + 4. Katapult 6 = 3.
Wagen 8 + 1. Ze ontmoeten wat anderen. Ruilen katoen
voor zijde, perziken voor peren. Sommige van de verwaaide
boomschaduwen worden de schoonfamilie van een ander stel,
anderen vallen in een vijver verderop, veranderen in
dood. Een beekje gaat vanaf de voet van de berg door
het schaakbord, draagt grassen en gesjirp mee, raast de zee in.
Beek en zee beuken op elkaar in wentelingen, de zwijgende
toeschouwers van het schaakspel roepen: Wieling!

Wieling! Hun naam. De golven van het leven
overstromen het schaakbord, minimalistisch en glinsterend
storten ze vanaf de hoogte omlaag, impressionistische
muziek met cyclische variaties, die groeven draait tot
het schaakbord ronddraait als een platenspeler. Een straat
treft een andere, het snijpunt is een kruis. Aan de overkant
van de straat rapen zij vissen, door een aardbeving
uit hun pan geschud, en nagelen die met hun juist
gepoetste huisnummers aan de kozijnen. Twee kruizen
maken een vierkant, blok na blok, als een schaakbord.
Ze wandelen, drinken thee, trekken hun tanden,
bedrijven de liefde. Katapult 5 + 2. Paard 4 – 6. Pion 7 + 1.
Pion 2 = 3. Een beekje gaat door het schaakbord, raast de zee in
zoals de naald via de groeven op de langspeelplaat
muziek geeft. De geluiden die plotseling uitbarsten zijn
verwaaide boomschaduwen. Anderen rapen ze op
en geven ze aan hen terug. Zij wonen hier.

april 1995

Noot van de vertaler: De oude naam van Hualian (spreek uit: Gwa-ljèn), aan de oostkust van Taiwan, is Huilan (spreek uit: Gwee-lan), wat wieling, draaikolk betekent.

Oorlogssymfonie

juli 1995

Noot van de vertaler: het eerste karakter in de tekst, bing, betekent soldaat. In het tweede deel wordt dat steeds vaker afgewisseld door de karakters ping en pang, die klinken als geweerschoten en eruitzien als het karakter voor soldaat, maar één ‘been’ missen. Het karakter qiu in het derde deel is het karakter voor soldaat maar dan zonder ‘benen’. Het betekent (graf)heuvel.

Hier een animatiefilmpje van het gedicht.

Meubelmuziek

Ik lees in de stoel
Ik schrijf op de tafel
Ik slaap op de vloer
Ik droom naast de kleerkast

Ik drink water in de lente
(de beker staat in de keukenkast)
Ik drink water in de zomer
(de beker staat in de keukenkast)
Ik drink water in de herfst
(de beker staat in de keukenkast)
Ik drink water in de winter
(de beker staat in de keukenkast)

Ik open het raam en lees
Ik doe de lamp aan en schrijf
Ik trek het gordijn dicht en slaap
Ik word wakker in de kamer

In de kamer is de stoel
en de droom van de stoel
In de kamer is de tafel
en de droom van de tafel

In de kamer is de vloer
en de droom van de vloer
In de kamer is de kleerkast
en de droom van de kleerkast

In het lied dat ik hoor
In de woorden die ik spreek
In het water dat ik drink
In de stilte die ik achterlaat

juli 1995

De rozenridder

Een handstand, ondersteboven breng ik de vorige zomer terug
om aan de schaduwen te likken van de laatste roos in de zomerzon.
‘Zo’n geluk is zo zwaar dat het haast niet te dragen is.’
Rozen zijn rooskleurig, bloemblaadjes bladvormig.
Ik buitel op je handpalm, laat in een wirwar de blaadjes
van herinnering vallen. Een rozenridder met de tijd als halter
op een draaimolenpaard.
‘Ik heb me voorgenomen hem op de juiste manier lief te hebben,
zo dat ik zelfs zijn liefde voor een ander liefheb…’
Rozen zijn rooskleurig, halvemanen halvemaanvormig.

juli 1995

Formosa, 1661

Ik heb altijd gedacht dat wij op een koeienhuid leven,
hoewel God heeft gegeven dat ik mijn bloed, urine
en ontlasting met dit land vermeng.
Vijftien rollen katoen voor een landje zo groot als een koeienhuid?
Hoe konden de inboorlingen weten dat je een koeienhuid
in repen kunt snijden en zo, als de geest van
de alomtegenwoordige God, heel het eiland Taoyuan, heel
Formosa kunt omringen? Ik houd van de smaak van hertenvlees,
ik houd van rietsuiker en bananen, ik houd van
de ruwe zijde die de VOC terug naar Nederland verscheept.
De geest van God is als ruwe zijde, glad en puur schijnt hij
op de jeugd van Bakloan en Tavacan die elke dag
naar school komt om te leren spellen, schrijven, bidden
en de catechismus te leren opzeggen. O Heer, ik hoor
de smaak van hertenvlees in het Nederlands dat zij spreken
(net als het Sideia, dat ik soms spreek tijdens de mis).
O Heer, in Dalivo heb ik vijftien getrouwde vrouwen
en meisjes het onzevader geleerd, de tien geboden
en gebeden om voor en na het eten te zeggen; in Mattau heb ik
tweeënzeventig getrouwde mannen en ongetrouwde jongens
verschillende soorten gebeden en de geloofsartikelen geleerd,
ik leer ze lezen en vergroot hun kennis via de oprechte lessen
en preken van de religieuze catechismus. O, kennis
kun je als een koeienhuid opvouwen en in een reistas
stoppen, van Rotterdam naar Batavia, van Batavia naar
dit subtropische eiland, en ontvouwen tot akkers van Oranje,
het land van God, gesneden tot repen van vijfentwintig ge,
bij elkaar één jia of drie bij vijf zhangli.

In Zeelandia, tussen de waag, het cijnshuis
en het theater, zie ik haar wapperen als een vlag, Provintia
toelachend vanuit de verte. O, kennis geeft mensen
vreugde, zoals goed voedsel en gevarieerde specerijen
(als ze nu eens wisten hoe je peultjes moet klaarmaken).
De mandarijnen, zuur en bitter, zijn groter dan sinaasappelen,
maar zij weten niet dat in de zomermaanden water vermengd
met zout en geplette mandarijn beter smaakt dan liefdesgenot.
In Tirosen heb ik dertig jonge echtgenotes diverse gebeden
geleerd en Kort Begrip; in Sinkan heb ik honderd twee getrouwde
mannen en vrouwen leren lezen en schrijven (ah, ik voel
dat de bijbels in de gelatiniseerde transcriptie van hun talen
de smaak hebben van hertenvlees met Europese gember).
Het boek Prediker in het Favorlang, het evangelie van Mattheus
in het Sideia: een huwelijk van het beschaafde en het primitieve.
Laat de geest van God het vlees van Formosa binnendringen – of laat
het hertenvlees van Formosa mijn maag binnendringen en mijn milt,
en mijn bloed, urine en ontlasting worden, mijn geest. Ik heb altijd gedacht
dat wij op de koeienhuid leven, hoewel de oprukkende Chinese troepen
met hun grote bijlen en zwaarden op hun jonken en sampans
ons weer met een andere, grotere koeienhuid proberen te bedekken.
God heeft gegeven dat ik mijn bloed, urine en ontlasting als letters
vermeng met die van de inboorlingen en ze op dit land druk.
Maar ik hoop dat zij weten dat deze koeienhuid, waarin een nieuw
fonetisch schrift zit verpakt, in repen gesneden kan worden, tot pagina’s
kan worden gekeerd, een woordenboek volgeladen met klanken,
kleuren, beelden en geuren, en zo uitgestrekt als Gods geest.

april 1995

Noot van de vertaler: Bakloan, Tavacan, Dalivo, Sinkan, Tirosen en Mattau zijn namen van inheemse dorpen op de laagvlakte van Taiwan. De talen Sideia en Favorlang worden daar gesproken. (Sideia wordt ook Siraya genoemd.) Zeelandia is de stad die door de Nederlanders werd gebouwd tijdens hun bezetting (1624-1662) van het eiland Taoyuan (het huidige Anping vlakbij Tainan). Provintia (in het huidige Tainan) was een fort dat ook door de Nederlanders was gebouwd. De Nederlanders zouden de inboorlingen toen vijftien rollen katoen hebben geboden voor een stuk land ter grootte van een koeienhuid, en toen dat aanbod was aangenomen ‘sneden zij de huid in repen en omtrokken een stuk land van meer dan één vierkante kilometer’ (Lian Heng, Algemene geschiedenis van Taiwan). Ge, jia en zhangli zijn landmaten.

De kat met de spiegel

Tango voor de jaloersen

Wanneer je de liefde omhelst als was het een vaatwasser,
negeer dan de vettige littekens die zijn achtergebleven
op de borden, afgelikt door andermans tongen, waarop het bestek
van andermans ledematen heeft gesneden. Draai de kraan open
om te spoelen. Vergetelheid is het beste afwasmiddel.
Onthoud alleen het eervolle, mooie, glanzende deel,
want potjes, vooral porseleinen, zijn breekbaar.
Gewassen en gedroogd begroeten ze fonkelnieuw
alsof er niets is gebeurd, het ontbijt van morgen.

Vooral als je leven geleidelijk aan de middag nadert
of voorbij is, komt de jeugdige onrust je weer zoeken.
Je grijpt de telefoon en belt haar, maar tevergeefs.
Achterdocht, ongeduld, je pleegt nog meer
anonieme telefoontjes naar onzichtbare rivalen.
Je belt de een na de ander (hoe gemakkelijk toch,
die moderne communicatiemiddelen), het antwoord
komt van de middag, leeg als een kom. Trek dan alsjeblieft
tijdelijk de stekker van de vaatwasser eruit, beschouw
de telefoondraad die je dwarszit als een baminestje
en slik hem in met wat denkbeeldige sojasaus van wraak.
De vaatwasser zal je schande snel wegwassen.

Maar de nacht is een grotere vaatwasser.
Wanneer het verdriet naar je toe wordt gegooid met de borden
van vroeger en onafwasbare sterrenvlekjes aan de borden plakken,
negeer dan toch die draaigeluiden van de vaatwasser,
die onuitwisbare klanken in het stille heelal,
negeer die schaduwen toch, die je omgeven als
overgebleven visgraten wanneer zij niet bij je is.
Het voelt niet lekker wanneer je die irriterende graten niet uitspuwt,
herschik ze tot verzen, één voor één.

[Ongebundeld]

Aluminiumfoliepakje

Drink mij
drink mijn bloed
drink mijn melk
drink mijn speeksel
drink mijn vleesnat
drink mijn liefdessappen
drink mijn stuiptrekkingen
drink mijn blaam

vóór de houdbaarheidsdatum
(zie bodem van de doodskist)

januari 2000

Herinnering aan een vlinder

Het meisje kwam op me af,
ze leek net een vlinder. Resoluut
ging ze recht voor de lessenaar zitten,
op haar hoofd zat een fleurige
haarspeld, vlinder op vlinder

Hoeveel vlinders heb ik in twintig jaar
op deze middelbare school
aan de kust ¬– menselijk, vlinderachtig
met de lente en hun dromen onder de arm –
mijn leslokaal binnen zien fladderen?

O, Lolita

Op een herfstdag voor de middag, de zon
was warm, kwam een felgele
citroenvlinder door het raam naar binnen, cirkelde
rond tussen de verstrooide leraar en de dertienjarige
die zich op haar werk concentreerde

Plotseling ging ze staan om
die scharende, fonkelende kleuren
en vorm te ontwijken, een vlinder
bang voor een vlinder: zij verschrikt,
ik verbijsterd door hun schoonheid

Koeblai Khan

In Xanadu liet Koeblai Khan
een groots, verplaatsbaar lustoord bouwen
‘Variatie wil ik! Ik ben het zat, ook al zijn ze met z’n duizenden,
die concubines, ze zitten daar maar in hun gebruikelijke kamers,
met hun gebruikelijke parfum en hun gebruikelijke gekreun
na het gebruikelijke programma…’
Zijn Italiaanse adviseur, een handelsexpert,
maakte zorgvuldige selecties en zorgvuldige calculaties,
en verdeelde de concubines in groepjes, in teams van zes,
of van drie of vijf; drie nachten per keer,
op verschillende plaatsen, in verschillende samenstellingen
dienden ze om beurten hun keizer.

Topwijnen, opium, honing, leren zwepen,
globes, vibrators, de bijbel, sexy lingerie.
‘Ik wil constante beweging, constante opwinding, constante verovering,
constante climaxen…’

Maar dat had helemaal niets met wiskunde te maken
evenmin met krijgskunde, en zelfs niet met geneeskunde.

‘Het is een filosofische kwestie,’
zei de Perzische reiziger die buiten stond en géén functie had gekregen.
‘Tijd is het beste afrodisiacum
voor het verwekken van verandering.’

Een makkelijk leesbaar moeilijk gedicht

– Reactie op de uitspraak van Ilja Leonard Pfeijffer: ‘Onbegrijpelijke poëzie is altijd beter dan makkelijke poëzie.’ Bzzlletin, oktober 2000

Pindarus dronk vijf pinten appelcider.
Hij is een Griek die van groteske strips houdt.
Hij is naar Polen geweest, en Finland en Nederland,
maar heeft nooit gehoord van het Taiwanese Yilan,
vlak bij mijn woonplaats Hualian.
Hij houdt van makkelijk eetbare kaas, van rauwe oesters
met foie gras, en schrijft geregeld
slecht verteerbare lange gedichten.
Hij kent China, maar vindt het Chinese schrift
flink moeilijk. ‘Moeilijke dingen
houden beter stand…,’ zo zegt hij altijd.
Net als zijn verstandskies die na dertig jaar nog altijd niet helemaal door is.

Hij houdt van een Chinees gedicht, getiteld ‘Liefdesgedicht’,
omdat dit gedicht naar het schijnt,
al dan niet in het Grieks vertaald, moeilijk te begrijpen is:
‘Erm erm dobt knoef knoef, feppen feppen hmm
schibbe schibbe. Driakel, fango
poetel milie tottert assabre. Zjat sjoeg
beflenterd dukken, awalig lipke…’
Moeilijk te begrijpen dingen zijn het lezen waard, zegt hij,
hoewel deze dichtregels eigenlijk heel makkelijk te lezen zijn.

Appels groeien bovenop het Grieks.
Finnen houden strips voor eetbaar.
In het Westen wordt Polen aangevallen, in het Oosten Nederland.
De vijfderangs vrouw trekt haar pumps, panty’s en sexy lingerie uit
en gaat terug naar het oude China.
Ze zegt, rauwe oosters zijn oké,
liefdesgedichten zijn oké,
zolang het stand houdt is het oké.
Ze las in de laatste nieuwsflits op internet:
‘De ruiterij van Genghis Khan ging op volle kracht over Euraziatische
grond rechtstreeks naar de zuidelijke graslanden.

februari 2006

Poëzie is altijd eenzaam – interview met Chen Li

door Silvia Marijnissen en Martin de Haan

Hualian, Taiwan, mei 2001. Met zijn auto komt Chen Li ons in het Politiehotel ophalen voor een gesprek over zijn poëzie; zoals altijd is hij losjes gekleed en loopt hij op zijn Playboy-slippers. We rijden naar zijn huis aan de andere kant van het stadje. Via een ingang die oogt als een garagedeur komen we direct in de woonkamer, die wordt overheerst door een enorme geluidsinstallatie, gigantische speakers en kasten vol cd’s en video’s met voornamelijk westerse klassieke muziek. We lopen door naar de tweede verdieping en installeren ons daar op de parketvloer van een lange, lichte kamer die helemaal leeg is, op een Yamahavleugel en een wand met boekenkasten na.

Je hebt een enorme collectie klassieke muziek en verwijst er in je poëzie regelmatig expliciet naar, zoals in ‘Voetstappen in de sneeuw’ (een prelude van Debussy), ‘Ansichten voor Messiaen’, ‘De rozenridder’ (naar een opera van Richard Strauss), of ‘Een open kooi – voor John Cage’. Het ligt daarom voor de hand om bij muziek te beginnen. Hoe zie je de relatie tussen muziek en je eigen poëzie?

Al van kleins af heb ik naar westerse klassieke muziek geluisterd. In het begin waren dat natuurlijk wat meer populaire stukken van bijvoorbeeld Schubert of Beethoven, maar op de middelbare school begon ik zelf platen te kopen en probeerde ik de ontwikkelingen van die muziek te begrijpen, en dat ging zo door tijdens mijn studie Engels aan de Normal University in Taipei. Ik heb heel veel boeken over muziek. Verder heb ik een beetje gitaar leren spelen, wat me heeft geholpen beter te begrijpen wat ik hoorde. Doordat ik me zo in de westerse klassieke muziek heb verdiept, heb ik nieuwe manieren gevonden om me uit te drukken. Mijn tweede dichtbundel, Dierenwiegeliedje (1980), is in feite behoorlijk muzikaal, denk ik.

Bedoel je daarmee hoe het klinkt? Je hoort dichters vaker zeggen dat ze muziek heel belangrijk vinden, en dan betekent dat vaak simpelweg dat poëzie voor hen gedragen moet worden door klank en ritme. ‘De la musique avant toute chose’, zoals Verlaine schreef.

Ik bedoel de klank maar vooral ook de constructie. Ik probeer mijn gedichten goed op te bouwen, zoals een componist zijn muziekstukken opbouwt. Klassieke muziek is een heel beheerste vorm van kunst, het heeft structuur, er is een herhaling van motieven, een ontwikkeling, een reprise… Ik heb van muziek geleerd hoe ik bepaalde elementen kan rangschikken zodat ze een evenwichtige compositie vormen. Ik probeer de kleinste details te controleren, ik wil alles in de hand houden. Mijn vrienden zeggen dat ik een perfectionist ben. Dat is mijn stijl, en dat komt door de muziek.

En denk je dat het mogelijk is om alles te beheersen?

Nee, natuurlijk niet! (lacht) Dus daar zit ik mooi met een probleem! Maar ik ben daarop gespitst door mijn training, door het luisteren naar klassieke muziek.

Hoe gaat dat precies in zijn werk bij het schrijven? Begin je bijvoorbeeld zoals Hölderlin met losse woorden verspreid over de bladzijde om vervolgens de ‘gaten’ op te vullen? Of schrijf je juist heel lineair?

Het gaat me om de structuur, om de manier van herhalen, zoals motieven in de muziek kunnen worden herhaald… Soms gebruik ik daarom verschillende kleuren om de relaties tussen bepaalde elementen voor mezelf duidelijk te maken, om duidelijk bepaalde motieven te zien. In het gedicht ‘Dierenwiegeliedje’ worden bijvoorbeeld bepaalde zinsneden herhaald, maar zonder dat het monotoon wordt, of te gladjes, zoals de poëzie van Yang Mu volgens mij soms wel is. Maar toch is mijn tweede bundel nog altijd vrij los geschreven. Tijdens het schrijven van ‘Dierenwiegeliedje’ wist ik ook helemaal niet wat ik precies zei.

Dus bij dat gedicht was de muzikale structuur belangrijker dan de betekenis?

Meestal heb ik een duidelijke bedoeling met een gedicht, maar van sommige gedichten weet ik niet waarom ik ze zo heb geschreven.  Vooral in de tijd van ‘Dierenwiegeliedje’, toen had ik een meer symbolistische manier van schrijven.

Bedoel je dat die gedichten symbolistisch moeten worden gelezen, als verwijzingen naar een soort hogere waarheid?

Nee, nee, geen hogere waarheid, maar alleen de techniek van het symbolisme, bijvoorbeeld de techniek van de synesthesie: ik gebruikte beelden waarin de verschillende zintuigen werden vermengd. Nee, het ging me absoluut niet om een verwijzing naar een andere, hogere wereld. Wat me toen bezighield was de mens, maar op een wat abstracter niveau, niet al te direct. Je kunt de dieren in ’Dierenwiegeliedje’ als vertegenwoordigers van bepaalde typen mensen zien, maar ik gebruik het woord mens niet, zodat het wat suggestiever is.

In zekere zin heb je je altijd met ‘de mens’ beziggehouden. Je werk is zeer divers, maar er zijn een paar aspecten die steeds blijven terugkeren. Eén ervan is de humor, een ander de sociale bewogenheid, ik neem aan dat je dat bedoelt wanneer je het over ‘de mens’ hebt. Beide aspecten zijn in je hele werk heel belangrijk, ook in je latere poëzie, wanneer je meer met de taal zelf bezig bent.

Dat is ook zo, dat zit allebei al in mijn eerste bundel. Achteraf zie ik mezelf in die tijd als een ‘angry young man’. Mijn eerste bundel, Tegenover de tempel (1975), is een uitdrukking van mijn ‘woede’, ik ben daarin voortdurend bezig met het omvergooien van de bestaande instituties. Over de titel van het boek zei mijn leraar van destijds me dat het heiligschennis was, omdat ‘tegenover de tempel’ betekent: de tempel omvergooien. En dat bedoelde ik er ook mee! Ik woonde als kind met mijn ouders tegenover een tempel en ging daar vaak heen om toe te kijken. Maar al van jongs af was het voor mij niet meer dan een bijgelovige instelling, die ik begon te minachten door bepaalde onrechtvaardigheden of onnatuurlijkheden in het leven van alledag. Ik had een voortdurende drang om de strijd aan te binden met de gevestigde orde, zo ik heb bijvoorbeeld nooit ‘vader’ of ‘grootvader’ gezegd tegen mijn vader en grootvader, en ook nu nog ga ik nooit naar enige ceremonie, naar een trouwerij of iets dergelijks! Die woede, die ontevredenheid en onrust had ik in het begin heel erg.

Hoe kreeg die woede dan een literaire vorm? Want je gooit je woede toch niet zomaar in een gedicht.

Aan de ene kant door middel van humor, satire en ironie, aan de andere kant ook door vrij directe sociale kritiek. Ik heb bijvoorbeeld een gedicht geschreven met de titel ‘Hoe ik voor Playboyfotografeerde’, dat is een experiment vol sociale kritiek, maar de titel is toch best grappig! Die eerste bundel… die is niet zo beheerst. Hij is nogal grof, nog niet zo volwassen en evenwichtig, waarschijnlijk juist vanwege al die woede. Dat eerste boek werd gepubliceerd toen ik nog studeerde, juist in de tijd dat ik me verdiepte in de westerse kunst, waardoor mijn taal wat beheerster en volwassener werd.

Dus je bent eigenlijk niet meer zo tevreden over die eerste bundel, als je nu terugkijkt.

Nee, hij is te direct. De gedichten in de tweede bundel, Dierenwiegeliedje, zijn indirecter, ze laten meer ruimte aan de lezer. Onder invloed van de impressionistische muziek – ik heb bijvoorbeeld veel naar Debussy geluisterd– werd mijn werk in die tijd wat suggestiever. Nu denk ik dat een aantal van de gedichten uit die tweede bundel tot mijn beste werk van voor mijn vijfentwintigste behoren – ik ben geboren in 1954 en die bundel werd gepubliceerd in 1980 – maar destijds vond ik dat helemaal niet!

Hoezo, waarom niet?

Kort nadat de bundel was uitgegeven begon ik me er zeer voor te schamen. Dat kwam door de politieke en maatschappelijke situatie. In die tijd was er namelijk een zeer sterke tendens, het zogeheten Nativisme, die inhield dat er steeds meer aandacht kwam voor het identiteitsprobleem waar de mensen in Taiwan mee kampten. Taiwan was officieel een provincie van China maar in de praktijk een zelfstandig land, en dan was er ook nog de enorme Amerikaanse invloed… Die aandacht voor de eigen identiteit had zo zijn weerslag op de literatuur, die een sterke sociaal-realistische inslag kreeg…

Je schaamde je omdat je poëzieanders was dan die van de anderen, en je was toch een sociaal bewogen dichter…

Ja, ik was te ver verwijderd van de werkelijke wereld.

Werd dat je kwalijk genomen?

Nee, ik nam het mezelf kwalijk. Elke keer als ik daarna een geëngageerde dichter las, zoals de Peruaan Cesar Vallejo of de Chileen Pablo Neruda, dan vond ik dat ik moest schrijven zoals zij. Toen heb ik bijvoorbeeld een heel lang gedicht geschreven dat ‘De laatste Wang Muqi’ heet, over een groot aantal mijnwerkers in Taiwan dat de dood vond doordat de kolenmijn waar ze aan het werk waren vol water liep. Ik probeerde daarin om net zoals Neruda modernisme en sociaal engagement hand in hand te laten gaan.

Was je niet bang dat een al te expliciet verwoord sociaal engagement ten koste van de poëtische kracht zou gaan? Neruda is misschien een uitzondering, maar geëngageerde poëzie is toch meestal dodelijk voorspelbaar.

Ja, ja, dat is wel zo, maar destijds zat iedereen die niet expliciet naar de mensen van dit land verwees toch met een schuldgevoel. Het gevolg was dat ik uiteindelijk niet meer wist hoe ik moest schrijven en er een tijdje mee stopte.

Maar er zullen toch wel meer schrijvers zoals jij zijn geweest die niet op die manier wilden schrijven? Je zou zeggen dat een schrijver zijn eigen weg moet volgen en niet de weg die de maatschappij hem oplegt.

Maar ik was mijn weg kwijt! En dus heb ik tussen 1980 en 1988 vrijwel niets geschreven, in totaal maar tien gedichten.

Is dat niet juist de periode ná het nativisme?

Het nativisme begon op zich al eerder, in de jaren zeventig, maar de naweeën ervan waren in die tijd nog voelbaar. De politiek speelde een grote rol in het leven van alledag, en je moet niet vergeten dat in Taiwan officieel nog altijd de staat van beleg van kracht was, die van 1947 tot 1989 heeft geduurd, hoewel hij steeds minder strikt werd. In de jaren tachtig gingen zeer veel schrijvers politiek getinte gedichten schrijven. Het debat van de jaren zeventig had ervoor gezorgd dat de meeste dichters zich verplicht voelden directer over China of Taiwan te schrijven. Welke van de twee maakte niet uit, maar in ieder geval over een van beide, anders pleegde je verraad aan het volk… Zo voelden veel dichters dat toen, ook degenen die al langer schreven, zoals Luo Fu en Yang Mu, die voorheen juist een minder plaatsgebonden poëzie voorstonden. Aan de andere kant, iemand als Xia Yu, die juist in die tijd, begin jaren tachtig, begon te schrijven, trok zich daar niets van aan en schreef wat ze wilde. Of Chen Kehua bijvoorbeeld, die zeven jaar jonger is dan ik, ook hij schreef wél op zijn eigen manier. Maar zelf was ik dus nogal verward, ik wist niet meer wat ik moest doen. Aan de andere kant werd ik ook meer en meer door andere dingen in beslag genomen. Ik was teruggegaan naar Hualian om les te gaan geven aan mijn oude middelbare school en ik besteedde veel aandacht aan mijn leerlingen, ik deed veel voor ze. En tegelijkertijd, terwijl ik aldoor het gevoel had dat ik gezichtsverlies had geleden, waren er jongere mensen, jongere dichters, die me vertelden dat ze mijn tweede bundel zo bewonderden. Dan zei ik: pas maar op, morgen schaam je je daarvoor!

En de kritieken in kranten en tijdschriften dan? Vonden die de tweede bundel goed?

Ach, de kritieken… die zijn er nooit zoveel. Poëzie is altijd eenzaam.

Andere dichters dan? Die oudere dichters als Luo Fu of Yang Mu, of je tijdgenoten zoals Luo Qing? Reageerden zij er niet op?

Voor mijn gevoel was iedereen in die tijd met zijn eigen dingen bezig. Een aantal mensen, zoals Zhang Hanliang, van wie ik les heb gehad op de universiteit, besteedde wel wat aandacht aan mij. Ook werd ik wel opgenomen in anthologieën die door docenten van de universiteit werden samengesteld, samen met generatiegenoten als Yang Ze, Luo Zhicheng en Xiang Yang. Maar in een anthologie van Yang Mu uit 1988 werd ik niet opgenomen… dat vond ik erg.

Heb je nooit gevraagd waarom dat was?

Later heeft hij gezegd dat hij toen dacht dat ik de poëzie had opgegeven omdat ik in die jaren zo weinig schreef. Hij dacht dat ik eigenlijk niets om poëzie gaf, en daarom hoefde ik er niet in te komen.

Dat zegt niets over de kwaliteit van het gepubliceerde werk.

Tja, ik vond het raar dat ik er niet in stond, en anderen hebben dat ook opgemerkt. Er staan gedichten in die slechter zijn dan de mijne. Eigenlijk is die kwestie tussen Yang Mu en mij een beetje blijven hangen tot vorig jaar, toen ik de prestigieuze Wu Sanlianprijs won en Yang Mu één van de drie juryleden was. Dat maakte het allemaal goed.

Maar wat zegt het nu eigenlijk of je wel of niet in zo’n anthologie staat. De smaak, de criteria van de samensteller bepalen wat erin komt. En Yang Mu’s eigen werk, een beetje een moderne vorm van de klassieke Chinese landschapspoëzie, is totaal verschillend van het jouwe. Als je daarop let, en op de bekendheid die bepaalde dichters op dat moment al hadden en jij nog niet, dan ben je misschien daardoor buiten de boot gevallen.

Zijn werk is inderdaad heel anders. Toch moet ik toegeven dat ik ook door zijn werk ben geïnspireerd en dat ik er een zeer grote bewondering voor heb. Destijds wilde ik dat niet toegeven, maar daarom vond ik het natuurlijk zo erg dat ik niet in die anthologie stond. Ik heb er echt een Yang Mucomplex aan overgehouden! (lacht) Want Yang Mu was als een standbeeld dat hoog boven mij uitrees en mij volledig in de schaduw stelde. Dat hij net als ik uit Hualian komt, heeft daar natuurlijk ook veel mee te maken. Ik heb zelfs bij zijn jongere broer in de klas gezeten, dus in bepaalde opzichten staan we heel dicht bij elkaar. Dat geeft zoiets nog veel meer gewicht.

Waarom ben je kort na het uitkomen van die anthologie, rond 1989, toch weer intensiever gaan schrijven? Had dat ook met Yang Mu te maken?

Nee, het was vooral omdat ik gedesillusioneerd was als docent. Zoals ik al zei gaf ik veel om mijn leerlingen. Ik deed mijn best voor ze en wilde ze graag veel leren. Maar de school mocht mij niet zo, men vond dat ik een slechte docent was. Uiteraard kwam het allemaal doordat ik de leerlingen tegen instituties in opstand leerde komen! Ik moedigde ze aan om zichzelf te durven zijn, zelfstandig over de dingen na te denken, en dat stelde de school niet op prijs. Op zichzelf deed die kritiek me niet zoveel, maar na verloop van tijd vond ik toch dat ik mijn energie dan maar beter in de poëzie kon steken. Poëzie was wel minder direct, dacht ik, maar daarmee kon ik de wereld toch nog een klein beetje proberen te verbeteren.

Dacht je dat echt?

Ja, in het begin wel. Ik zag poëzie als een middel om in opstand te komen, om de wereld te veranderen en te verbeteren. Na het schrijven van ‘De laatste Wang Muqi’ was ik ook oprecht teleurgesteld… Dat gedicht won de eerste prijs in een poëziewedstrijd in de China Times. Iedereen vond het goed maar er veranderde niets…

Maar als poëzie al iets kan veranderen, dan toch alleen heel indirect? Misschien kan literatuur ervoor zorgen dat de mensen aan het denken worden gezet, maar…

Ja, natuurlijk, maar dat begreep ik pas later! Dus in 1989, toen de staat van beleg was opgeheven, begon ik weer te schrijven. Ik wilde goedmaken wat ik in de jaren daarvoor had verzuimd te doen en ging gedichten schrijven over de geschiedenis van Taiwan, over wat het inhoudt om Taiwanees te zijn, over de verschillen tussen het vroegere en het huidige Taiwan. In ‘Tarokokloof’ en ‘Groene ui’ denk ik bijvoorbeeld na over de hybride cultuur van Taiwan, met zijn geschiedenis van Nederlandse en Japanse bezetting, de verschillende inheemse stammen die er wonen. Ik was toen in de dertig, mijn dochter werd geboren, en langzaamaan begon ik iets van het leven te begrijpen. Mijn eigen ervaring, mijn gezinsleven, het lot van Taiwan en van de Taiwanezen, alles kwam samen in mijn poëzie van die tijd.

Bleef je toen ook nog experimenteren met compositie, taal, muziek – de dingen waar je je eerder mee had beziggehouden? Hoe zie je die periode nu?

Mijn werk bleef gecontroleerd, maar het werd wat minder strak, dat wil zeggen, mijn taalgebruik was niet meer zo compact. Het werd losser, met meer dagelijkse spreektaal, zoals in ‘Buffet de Clown’ en ‘Stormlied’. In mijn derde bundel, Wolkbreuk (1990), ben ik stabieler en zelfbewuster geworden. Langzaamaan kreeg ik meer zelfvertrouwen: ik was trots dat ik in de omgangstaal schreef en dat ik ‘in mijn land stond’. Neruda was toen een belangrijke inspiratiebron voor me. Dat was hij van tevoren ook al wel, maar in die tijd nog veel meer. Zoals ik in de ‘Tarokokloof’ die lijst van plaatsnamen geef in hun oorspronkelijke, inheemse vorm, dat was duidelijk onder invloed van wat ik vroeger bij Neruda had gelezen. Ik heb toen veel gepiekerd over de vraag hoe poëzie moet zijn. Mijn tweede bundel vond ik heel slecht, niet zozeer omdat ik me nog altijd schaamde, maar omdat ik zelf inmiddels vond dat poëzie duidelijk moest zijn, helder en open. Wolkbreuk is dat ook.

En nu? Hoe denk je nu over je tweede bundel?

Veel beter dan de derde! Alle andere zijn beter dan de derde!

Je hebt het wel over de invloed van specifieke schrijvers die je hebt gelezen, maar veel belangrijker dan het lezen van andermans werk is misschien dat je zelf ook veel vertaalt: Szymborska, Heaney, Plath, Neruda, veel Latijns-Amerikaanse dichters vooral. Wat voor effect heeft dat vertalen op je eigen poëzie gehad?

Toen ik net was afgestudeerd aan de universiteit, kwam ik met Latijns-Amerikaanse poëzie in aanraking en ging die vertalen: Pablo Neruda, Octavio Paz, Cesar Vallejo, Gabriela Mistral, Carlos Drummond de Andrade en anderen. Ik vertaalde alles vanuit het Engels, met het Spaans ernaast, dat ik niet beheers maar toch probeer te lezen met behulp van het Engels. Vertalen is ontzettend belangrijk voor mij: ik leer door te lezen, maar ik leer lezen door te vertalen. Mijn manier van poëzie schrijven is denk ik minder realistisch dan die van andere Taiwanese dichters, ik combineer realistische en niet-realistische elementen, en de Latijns-Amerikaanse poëzie heeft me daarbij geholpen. Zo hoop ik een nieuwe impuls aan de Taiwanese poëzie te hebben gegeven, die misschien weer andere dichters zal beïnvloeden.

Maar heeft het vertalen zelf je iets opgeleverd? Want vertalen is intensief met taal bezig zijn, je bent constant bezig woorden te kiezen, stilistische keuzes te maken. Heeft dat je eigen schrijven beïnvloed?

Ja, absoluut, en op alle mogelijke manieren. Op het gebied van beeldspraak, bijvoorbeeld. Hoe vaak word je als dichter niet geïnspireerd door metaforen van andere schrijvers, bewust of onbewust. Het lezen en vertalen van al die verschillende dichters heeft me geholpen mijn eigen stijl te vinden. Neem Neruda’s invloed op mijn werk, die ligt vooral in zijn heel barokke manier van schrijven, de enorme beweeglijkheid en de zeer rijke woordenschat. In een latere fase las ik andere, eenvoudigere poëzie, die me ook heel diep kon raken. En in mijn vierde bundel, Reizen in de familie (1993), schrijf ik daardoor veel eenvoudiger, beknopter, beheerster. Het is duidelijk dat ik toen niet meer zo vol woede zat.

Een goed voorbeeld van die eenvoudige, beknopte stijl is het gedicht ‘Ansichten voor Messiaen’, waarin alle franje ontbreekt.

Dat heb ik geprobeerd, ja, maar misschien is het toch nog wel te opgesmukt! Ik probeer in die gedichten stil te zijn, stil, bondig, krachtig en nauwkeurig. En het is natuurlijk geen toeval dat ik daarna een bundel met honderd moderne haiku’s heb geschreven, Microkosmos (1993). Ik heb geprobeerd de eenvoud tot het uiterste door te voeren. Het grappige is dat ik daarmee precies het tegendeel deed van wat ik in mijn tweede bundel had gedaan, en in sommige gedichten uit de derde, zoals ‘Tarokokloof’, waarin ik juist complexiteit en grote taalrijkdom nastreef. Maar in feite is het één en hetzelfde proces, een soort golfbeweging.

Je werkte dus naar een soort minimalistische poëzie toe, met zo min mogelijk woorden. Gedichten als ‘Verkoopautomaat voor nostalgische nihilisten’ of het wat latere ‘Oorlogssymfonie’ zou je daar ook toe kunnen rekenen, en die voorbeelden laten voor het eerst een wat explicietere vorm van ‘taalspel’ zien. Je lijkt te zoeken naar andere, niet-traditionele vormen van poëzie.

Veel van dat soort gedichten zijn ingegeven door de computer. Die heeft allerlei nieuwe mogelijkheden met zich mee gebracht, hij heeft mijn omgang met taal en mijn manier van schrijven veranderd. Soms heeft dat te maken met de invoermethode voor het Chinees, je typt een uitspraak in en alle verschillende karakters met diezelfde uitspraak verschijnen in beeld, waaruit je vervolgens de juiste moet kiezen. Er zijn gedichten die ik zonder computer niet zou hebben geschreven, zoals ‘Oorlogssymfonie’. Dat was in één minuut geschreven! (lacht) Maar ik had er natuurlijk al wel een tijdje over nagedacht.

Die gedichten die je nu noemt komen uit De rand van het eiland, je zesde bundel, die heel gevarieerd is. Misschien is het wel je beste werk tot nu toe.

Ja, dat denk ik ook. Hij luidt een nieuwe periode in. Met die haiku’s had ik natuurlijk de uiterste eenvoud al bereikt. Dus ik begon opnieuw heel vrij te schrijven, min of meer zoals in het begin, maar met meer aandacht voor de materiële vorm van de woorden, en natuurlijk met de ervaring van de eerdere bundels in gedachten. Wat ik in die zesde bundel doe, had ik denk ik in de tweede bundel al in me, maar toen schoof ik steeds meer in de richting van precisie en controle, de minimalistische kant op.

Schaam je je nu nog weleens over een bundel die je net hebt uitgebracht?

Nee, niet meer. Ik denk ook dat het niet meer nodig is, omdat mijn techniek inmiddels gerijpt is. Verder is de Taiwanese samenleving flink veranderd, vrijer geworden. Maar het heeft me vijftien jaar gekost, van 1980 tot 1995, om mijn eigen ontwikkeling te begrijpen, om te begrijpen dat poëzie in grote mate zelfstandig is, autonoom. Dat aspect van poëzie en kunst begrijp ik nu beter. Sinds 1995 schrijf ik dan ook veel vrijer, ik vertrouw op mezelf en trek me niets meer aan van wat anderen denken. Maar mijn werk blijft verbonden met Taiwan. Ik blijf Taiwan ‘lezen’, en tegelijkertijd blijf ik nieuwe dichtvormen verzinnen. De drijfveer van mijn dichterschap is dat ik getuigenis wil afleggen van datgene wat Taiwan tot Taiwan maakt.

Denk je dat andere schrijvers in Taiwan een soortgelijke ontwikkeling hebben doorgemaakt? Een ontwikkeling met autonomie als eindpunt?

Xia Yu heeft van meet af aan volledig op eigen voeten gestaan… Anderen maken misschien een soortgelijk proces door, misschien zijn er wel dichters die net als ik hun stijl verder zouden willen ontwikkelen, maar die dat niet lukt… Zelf wil ik in mijn werk vooral mezelf zijn. Dat betekent niet dat ik andere soorten poëzie niet kan waarderen, maar dat persoonlijkheid voor mij een belangrijk element is bij het schrijven. Dat bedoel ik wanneer ik zeg dat poëzie autonoom is, iedereen moet schrijven op een manier die bij zijn of haar eigen persoonlijkheid past. Xia Yu is dus Xia Yu en Chen Li is Chen Li. Mijn werk toont een bepaalde sociale betrokkenheid die Xia Yu’s werk niet kent. En hoewel ik soms weleens heb gewild dat ik zoals Yang Mu kon schrijven, begrijp ik nu dat ik dat nooit zal doen. Net zoals Yang Mu nooit met taal zal spelen, want dat zit niet in zíjn persoonlijkheid. Daarom kan ik nu schrijven zonder me af te vragen wat anderen ervan vinden. De druk komt nu van binnenuit, om te voorkomen dat ik mezelf ga herhalen.

In 1999 was je in Rotterdam op Poetry International. Heb je daar mensen ontmoet van wie je het gevoel had dat ze op hetzelfde spoor zaten als jij?

Die uitnodiging voor Rotterdam heeft me veel zelfvertrouwen gegeven… Toen ik Hugo Claus of Szymborska vertaalde, voelde ik wel een verwantschap met hun poëzie.

Dat zijn humoristische, speelse dichters, net als jij.

Ja, ons werk heeft een zekere affiniteit, het maakt niet uit of we uit het Oosten of het Westen komen. Op die eerste avond toen ik in Rotterdam mijn ‘Nachtelijke vis’ las, kwamen Claus en zijn vriendin na afloop naar me toe en zeiden dat ze het mooi vonden. Maar sommige dichters hebben meer verbeelding en zeggingskracht dan ik, ik vind Claus bijvoorbeeld echt beter dan mezelf. Daarom heb ik zijn werk ook vertaald, uit het Engels natuurlijk, en net zoals bij de Latijns-Amerikaanse dichters met het origineel en een Nederlands-Engelse Van Dale ernaast.

Heb je met je zelfvertrouwen ook jouw stijl, jouw manier van schrijven gevonden?

Van mijn laatste bundel, De kat met de spiegel (1999), een titel die verwijst naar een schilderij van Balthus, kun je zeggen dat het een uitbreiding is van de vorige, De rand van het eiland. Die twee hebben veel gemeen… De laatste twee jaar heb ik minder geschreven, omdat ik een andere richting probeer in te slaan. Ik kan niet tevreden zijn als ik zo door blijf schrijven, ik moet nieuwe manieren vinden, me blijven ontwikkelen. Maar dat is niet gemakkelijk, dus schrijf ik nu minder.

Wat is erop tegen om een stijl die je bevalt te blijven gebruiken en te perfectioneren, als hij nog steeds goede, interessante gedichten oplevert?

Mijn beste gedichten zijn nog niet geschreven! Naar die beste gedichten ben ik nog heel hard op zoek, en die zien er dus anders uit dan mijn werk tot nog toe.

Tot slot: je hebt het gehad over het belang van Taiwan voor je werk, en Taiwan is een eiland. Wat betekent dat voor je werk? Toen je naar Rotterdam kwam, was je vijfenveertig en verliet je voor de eerste keer je eigen land – dat is voor Nederlanders haast onvoorstelbaar. Heeft het feit dat Taiwan een eiland is misschien je opvattingen over ‘ruimte’ en ‘grenzen’ bepaald?

Ik ben het eiland! (lacht) Daarom is het voor mij niet belangrijk dat Taiwan een eiland is. Mijn manier van om me heen kijken, mijn relatie tot de buitenwereld domineert mijn poëzie. En omdat ik zelf een eiland ben dat naar alle kanten openstaat, geldt dat ook voor het eiland waarop ik leef.

Noot: Van alle genoemde Taiwanese dichters zijn vertalingen te vinden in het tijdschrift Het trage vuur en in de Engelstalige anthologie van Michelle Yeh, Frontier Taiwan: An Anthology of Modern Chinese Poetry (Columbia University Press, 2001).

[Nawoord bij De rand van het eiland, een door Silvia Marijnissen vertaalde selectie uit Chen’s poëzie. Het trage vuur 16 (december 2002), © Silvia Marijnissen en Martin de Haan]