Yi Sha, gedichten

Yi Sha (1966, China) kan tot de zogenaamde ‘volkse’ stroming in de Chinese poëzie worden gerekend, die zich door haar thema’s en taalgebruik afzet tegen de meer ‘intellectuelere’ dichters. Yi Sha is een echte provocateur, die als dichter en polemist menig schandaal heeft veroorzaakt, niet alleen door het soort onderwerpen dat hij behandelt, maar vooral door de manier waarop hij die neerzet. De hier gepresenteerde selectie die hij zelf voor Poetry International maakte zijn tekenend: de gedichten gaan over van alles en nog wat, variërend van alledaagse dingen als politieauto’s met gillende sirenes in rondspetterende moddersneeuw en het eten van lam, tot eerbiedwaardige onderwerpen als de dood van een vooraanstaand persoon als Arafat, borstkanker of Vietnam. Hoe dan ook wordt in alle gevallen het onderwerp, en daarmee de lezer, op de hak genomen: met zijn zwarte humor plaatst Yi Sha alles en iedereen buiten zijn normale, alledaagse context.

Zelf noemt Yi Sha de taal hij daarbij hanteert ‘naakt’, en inderdaad kennen zijn gedichten weinig opsmuk, in de vorm van duistere beeldspraak of ingenieuze taalspelletjes. Zijn gedichten zijn heel direct, dat wil zeggen, geschreven in de spreektaal en gericht op het beschrijven van de ‘kale feiten’, bijna zoals een documentaire beelden registreert.

Yi Sha werd geboren in Chengdu, de hoofdstad van de westelijke provincie Sichuan, en studeerde Chinees aan de Normal University in Beijing. Momenteel werkt hij aan de Foreign Language University in Xi’an. Yi Sha, die al vele publicaties en poëzieprijzen op zijn naam heeft staan, schrijft poëzie, essays en korte verhalen; vooral zijn poëzie is in vele talen vertaald. Zijn blog (in Chinees) is te vinden op http://blog.sina.com.cn/yisha

Zo van die dingen op een sneeuwdag

Op de straten op een sneeuwdag
spettert de moddersneeuw hoog op
een laatdunkende
politieauto komt met sirene voorbij
net zoals normaal
overal tussendoor schietend
het leuke is
dat hij er solide uitziet
maar zijn sneeuwjurk
niet van zich af kan schudden
net zoals
alle andere auto’s
die allemaal lijkwagens lijken
daarom heeft hij haast
een dichter
die juist op dat moment
op de modderige straat
voortploetert
en door zijn
vieze wielen
onder de modderspetters komt te zitten
is getuige van dat alles
en met een brok in zijn keel
bedenkt hij
gedichten zijn als sneeuw
in hun dubieuze relatie
tot deze staatspolitieauto’s

Ik ben zomaar doorsnee, voor wie zou ik bang moeten zijn?

Mensen gaan over straat
elke keer
als ik bij de ingang van de bank
een geldtransportauto zie staan
stop ik abrupt
en maak een omweg

Maar bij twee keer
kom ik er wat laat achter
ik kan mijn passen niet ongedaan maken
moet maar flink doorbijten
en verder lopen
dat stelletje ziet eruit
als dieven al stelen ze niet

De afstand is zo klein
dat ik duidelijk het gezicht van de soldaat
half verborgen in de stalen helm kan zien
op zijn kin staan enkele baardharen
en hij heeft zo’n akelig geweer
dat op een oprechte slang lijkt
maar diep van binnen weet ik hoe het ervoor staat
want ik ben heel duidelijk –

Een beruchte bankrover
daar lijk ik echt niet op
dan zou ik al mijn schaamhaar moeten afscheren
en op mijn gezicht moeten plakken

Borstenonheil in de lente

Voor je de operatiekamer binnen werd geduwd
lag je op het bed dat je vervoerde
en zei tegen je beste vriendin
‘als ik wakker word en
deze twee schatten niet meer heb
dan was het dus kanker’
je sprak en gebaarde
met je handen voor je borst

Maar tegen mij – je echtgenoot
zei je helemaal niets
je wist heel goed dat ik
ervoor zou moeten tekenen
had je zo’n vertrouwen in mij
welke beslissing ik ook zou maken
inclusief mijn akkoord om
je mooie borsten te laten amputeren?

Plotseling had ik het gevoel alsof
deze lente niet voorbij kon gaan
ik was bang voor alles wat kon gebeuren
bang dat god zich ineens tegen ons zou keren
in gedachten knielde ik en knielde ik
ontelbare malen voor hem neer
en smeekte hem alles van mij weg te nemen
maar de borsten van mijn vrouw te sparen

Ik stond buiten de operatiekamer
te wachten op het oordeel
een seconde leek een jaar
een boer die niet kon schrijven
en aan mij stond te trekken
om mij in plaats van hem te laten tekenen
scheepte ik af

Dat boertje
bedacht plotseling
dat hij wél zijn eigen naam kon schrijven
en zo was het probleem opgelost
zodat zijn vrouw
een vrouw
zonder borsten werd

Liefste, om eerlijk te zijn had ik gisteren
op de oriëntatiemiddag
vóór je operatie
toen de deur van een verpleegkamer zomaar openstond
in een oogopslag twee
vrouwen gezien wier borsten geamputeerd waren
de dokter was hen net opnieuw aan het verbinden
ik vond dat ze nog altijd mooi waren
ik was dus al wel een beetje voorbereid

Geleide raketten en poëzie

Voor ik de deur uit ging
zei ik tegen mijn zoon
vanavond
moet papa
voor een groep studenten
die leren hoe je geleide raketten maakt
aan de ingenieursopleiding van de tweede artillerie-eenheid
een praatje gaan houden over poëzie
jij moet
netjes hier
thuis blijven
wachten tot mama terugkomt

Nadat ik die avond
van huis was gegaan
brak mijn zoon zich
het hoofd
over hoe het kon
dat zijn vader die alleen over poëzie kon praten
les moest gaan geven
aan mensen die later geleide raketten moesten maken
geleide raketten zijn supervet
en poëzie was enkel helder maanlicht voor het bed

Drie uur later
kwam ik thuis
mijn vrouw was er al
mijn zoon sliep nog niet
hij vroeg mij
of ik nog geleide raketten had gezien
nee zei ik
ik heb geld gezien zei ik
da’s wel genoeg
en ik overhandigde
mijn zoon de envelop
die een kolonel mij had gegeven
snel telde hij de biljetten
en zei toen tegen me
papa, ga de volgende keer
maar praten bij atoombommenmakers
die geven vast nog meer

Een lammetje

Tegen de avond zat ik
buiten voor het huis
op een bank
en zag op het veldje voor mij
een lammetje gras eten
het lichaam van het lam
was nog mooier dan een baby
in de omtrek was niemand
ik trok gekke bekken naar hem
en malend met mijn onderkaak
begon ik stiekem zijn engelachtige
uitdrukking te imiteren
maar wat ik deed leek nergens op
waarschijnlijk omdat
ik geen graseter ben
daarna verdween het laatste restje zonlicht
de schemering was overal rondom
en ik kon hem niet meer zien

De volgende dag bij het avondeten
was dat perfecte lammetje
al veranderd
in kleine stukjes
de stoom kwam er af
schapengeur verspreidde zich
en werd op onze tafel neergezet
met de uitdrukking van gras kauwen
die ik de vorige avond
van hem had geleerd
zette ik mijn tanden in zijn vlees

China’s realiteitszin komt door het onvermogen om een krachtige werkelijkheid te verzinnen

De relatie die gevonden moet worden is gevonden
het geld dat uitgegeven moet worden is besteed
maar de leningen van vrienden
zijn nog niet opgenomen
de reden is snel gevonden
de kip die aan de bankdirecteur was geschonken
kwam twee uur te laat
de directeur, brandend van ongeduld,
had al maar vast viagra ingenomen
zijn pik ging niet meer plat
hij bleef maar overeind
brandend in het vuur van de passie
maar volkomen nutteloos
een alles verterend vuur
dat uiteindelijk omsloeg in een
woede die alleen door wraak
kon worden weggenomen
en daardoor deed hij helemaal niks
‘Alleen daardoor?’
‘Alleen daardoor!’
door de gelatenheid van mijn vrienden
geneerde ik me
voor mijn eigen verbijstering
ik als schrijver
weet niks van de werkelijkheid
als ik de werkelijkheid beschrijf
ben ik bang dat nog onwetender lezers
me voor huichelaar uitmaken

Portret van een Noord-Europese dichter

1
Zijn zanghouding lijkt op die van een Italiaan
als hij drinkt lijkt hij een Russische zatlap – vrij van vorm maar niet van geest
maar hij is een zuivere Germaan
een door en door Zweedse dichter
af en toe – alleen af en toe
komt het ineens in hem op om naar Noorwegen te verhuizen
het honorarium dat het buurland aan schrijvers betaalt
is tien keer hoger dat dan van zijn moederland

2
Hij schijnt tot de top drie van Zweedse dichters te horen
in zijn gloriejaren
was de metro in Stockholm
vol gehangen met zijn portret
deze lente kwam hij naar Kunming
in de bloemenzolder van China
waarschuwde hij zijn Chinese vakgenoten
‘pas op voor romantiek’
hij zei: ‘Ik was nogal pessimistisch over de Chinese poëzie’
maar hij vervolgde onmiddellijk: ‘een paar jaar geleden’

3
Op de dag van de podiumvoordracht op het poëziefestival
lag hij de hele dag te slapen in zijn hotelkamer
zijn krachten sparend en in eerbiedige afwachting
van de rituele komst van het dichterlijke leven
in de schemering op weg naar de plaats van de voordracht
onderhield hij iedereen in de minibus
met een cocktail van aardbeiensap en Chinese brandewijn
natuurlijk dronk hij zelf het meeste
zijn voordracht van die avond kreeg grote bijval
die avond, na afloop van de voordracht,
kreeg zijn aansporing om naar de wallen te gaan
geen reactie

4
De volgende ochtend bij het ontbijt
tekende hij op het notitieboek van de vrouwelijke chef
een levensechte naakte vrouw
wij voelden ons flink opgelucht
ah! dat wilde hij dus!
na er nog een hele nacht over te hebben gedacht
opperden wat waardeloze Chinese poëziecritici
‘het is een metafoor – hij wil brood’
uiteindelijk dachten we het helemaal te hebben begrepen
hij wilde koffie en verlangde gezelschap

5
Ik was buiten het theater geprogrammeerd
en tijdens mijn voordracht in het theehuis ‘tussen de bloemen’
na een uitvoering van een trage Chinese citer
verscheen hij in het publiek
heel opzichtig
lachend als een idioot
en als hij niet lachte
leek hij te vliegen
toen hij mij om mijn dichtbundel vroeg
had ik net mijn laatste exemplaar weggegeven

6
Een vriendelijk Chinese vrouw
merkte op dat hij al de hele week hetzelfde overhemd droeg
om zijn reisroute – na zijn vertrek via Thailand terug naar Zweden –
lachten de mannen meewarig
de laatste avond
was er zelfs geen tijd meer voor afscheid
ik zag hem als een geest
een bar bij het theater binnenschieten
daarna was hij verdwenen
ik herinner me dit zomaar ineens weer
op een avond dat ik in het Stenen Woud bij Kunming verbleef
en hij aan de zij van een Dai zangeresje, koket als een slang
heen en weer drentelde
ook als een geest

Afwijzing in de Amerikaanse ambassade

De hele ochtend
drongen zo’n honderd mensen samen in een kleine ruimte
als de opslagruimte van een smokkelboot
in de verveling van het wachten op een visum
werd een meisje dat ballet leerde dansen
het mooiste punt van de hele zaal

Voordat ik de visumbeambte ontmoette
was ik al weinig hoopvol gestemd
zo zag ik tussen de mensen die een visum kregen
bijna geen jongemannen
er waren er twee
de ene zag er oud en bedaard uit
de andere was een dwerg die nog niet tot het raam kwam
Amerika was bang
echt bang
ze waren nu bang voor mannen
o la! de visumbeambte met een lange baard
leek eigenlijk meer
op een moslim dan ik
en nog meer op een terrorist
zonder er lang over na te denken
wees hij mij resoluut af
het was vast het medelijden van een orang-oetang met een orang-oetang
in één oogopslag zag hij in mijn ogen
de verborgen moordzuchtige blik
achterdocht tegen emigratie?
bestaat dat dan?
de grote dichter Li Bai uit de achtste eeuw wilde naar Perzië emigreren
je moet verdomme geen belachelijke grap met me uithalen

toen ik naar buiten banjerde
was het balletmeisje
door een zwarte vrouw bij het raam afgewezen
ze was echt zo blij als een eend die gaat vliegen
vrolijk roepend liep ze weg
‘haar ouders dwongen haar zeker naar Amerika te gaan…’
luidde het steekhoudende oordeel van een van de teamleden

De neerslachtigheid van Vietnam

1
de regen slaat op de bananen
het is niet te zien dat er tranen vallen
wat overblijft zijn deze
natte stillevens

Vietnam is neerslachtig

2
diep in de nacht
kijk ik naar een oude heldenfilm
en ontdek een
neerslachtig Vietnam
uit mijn geheugen diep ik
die zwartwitte films op
op het scherm regent het

3
ooit heb ik in een lang gedicht geschreven:
‘oorlog is onechte/valse romantiek,
zij houdt haar geweer op een mooie manier vast
alsof ze op een harp speelt’

het geschrevene was ‘de weg terug naar je geboorteplaats’
het geschrevene was een Vietnamese schone
die mij erg depressief maakte

4
Ik denk aan een vriend
die naar Vietnam is geweest
om bewijzen te zoeken voor de neerslachtigheid van Vietnam
na enig beraad werd hij teruggehaald
mijn vriend
is geen neerslachtig mens
de kern is dat hij
neerslachtigheid niet aanvoelt

5
Over welk ‘Zuiden van de wolken’ heb je het?
Vietnam is het zuiden van het zuiden van de wolken
is het grensgebied van het wolkenland
onder de wolken
spoelt een grote rivier de zee in

6
sommigen vergelijken dit
met een vochtige vagina
het briljante was: Amerika
die pik die zich overal roekeloos insteekt
liep hier een flinke breuk op
voortaan had die zichzelf verheerlijkende man
een serieuze seksuele disfunctie
zoals Ernest Hemingway

7
Hoe zou ik durven neerkijken
op de mannen hier
die alleen commando’s sturen om van mijn vele landgenoten
begraafplaatsen op berghellingen te maken
daar hebben we allemaal zelf om gevraagd

ik zeg niet: ‘verontwaardigde soldaten hebben de overwinning’
ik wil zeggen: neerslachtige mannen
zijn de moedigste soldaten

8
Vietnam is zwaarmoedig

de regen slaat op de bananen
het is niet te zien dat er tranen vallen
wat overblijft zijn deze
natte stilleven

De dood van Arafat

‘Ik heb genoeg van die ouwe
die maar niet doodgaat en op een lepraleider lijkt
de klootzak hoeft zijn gezicht maar te laten zien
en de onrust tussen Palestina en Israël is gegarandeerd’

Dood, niet dood, bijna dood
de avond dat het recentste betrouwbare nieuws
van Arafats dood vanaf Parijs werd verspreid
moest ik denken aan een oude vriend
die enkel jaren geleden
privé
met mij sprak over
zijn indruk van deze politicus
zijn woorden –
geen visie
geen bewustzijn
geen intuïtieve kennis
geen mededogen
geen ziel
geen overtuiging
geen hart
geen longen
heb ik enkel vanwege
hun echte realiteitszin
hun gevoelige snaar
en de vitaliteit van zijn rijke woorden
meer dan tien jaar lang onthouden
(de taal die ik
als dichter nastreef
is toch wel ietsje anders)

Het stoffelijk overschot van Arafat
is terug naar zijn geboorteland vervoerd en begraven
wat ik kan doen is
is deze passage die in mijn hersens ligt opgeslagen opgraven
en begraven in de bloembak op mijn balkon

Rug naar de kerk

In Rotterdam
is het vrij normaal
om meeuwen en duiven samen te zien eten
daar is niets surreëels aan

In Rotterdam
worden meeuwen en duiven
het vaakst gevoed door
zwervers
– zo heb ik met eigen ogen aanschouwd

Met hun rug naar de kerk
zitten ze op een bank aan de rand van een plein
en voeren ze die witte engelen
brood en friet

En ik die langs kwam lopen
wilde ze ook heel graag voeren
maar was bang hen te storen
en dat een meeuw of een duif
mij, een vreemde buitenlander, een vinger zou afhappen

Vervolgens vond het volgende plaats:
sluw en steels rondkijkend
gooide ik een munt van één euro
rinkelend
in het ijzeren bakje van een zwerver

2007

Chen Li, ‘De rand van het eiland’

Chen Li (Taiwan, 1954) heeft een veelzijdig oeuvre op zijn naam staan. Hij staat bekend als een sociaal bewogen, humoristische dichter die graag experimenteert met nieuwe vormen en uitdrukkingswijzen. Chen is behalve dichter ook een groot muziekliefhebber en een productieve poëzievertaler, twee invloeden die duidelijk hun sporen hebben nagelaten in zijn werk. Vanuit zijn woonplaats Hualian, op de rand van het eiland Taiwan, kijkt hij de wijde wereld in, open voor alles wat menselijk is. ‘Ik bén het eiland,’ zei hij treffend in een gesprek dat Martin de Haan en ik met hem hadden.

Bundels

Voor de tempel

Zee-impressie

Een beschamend groot bed,
die femme fatale woelt de hele dag
met haar minnaar
een deken van waterblauw en golvend wit
van
         hier
naar
         daar

september 19744

Minnares

Mijn minnares is een ontstemde gitaar,
haar gladde romp verborgen in haar koffer
voor het schijnsel van de maan.

Af en toe haal ik haar eruit
en neem haar in mijn armen, zacht
streel ik haar koude hals.
Mijn linkerhand aan de sleutels, mijn rechter
aan de snaren, zo stem ik haar
tot ze goed gespannen is, een echt
zessnarig instrument, gespannen
haar ontvlambare schoonheid.

Maar als ik begin te spelen
breken ineens
de snaren.

oktober 19744

Dichtersdag

Toen zei hij omdat hijzelf poëzie was.Toen vervolgde hij dat hij zo schreef omdat hij zo wilde schrijven.Toen zei hij die het niet met hem en hem en hem eens wasdat hij poëzie schreef omdat zijn liefje hem te veel liefhad.De bladeren van de opgegeten rijstnoedels gooiden we in de rivier.Toen zei die grote dichter met die rode das en sportschoenendat poëzie de vettigheid van kleefrijst is die op het water drijften gelijk staken we onze armen ernaar uit. De dichters lachten.Degene die veel dronk én veel praatte zei dat poëzie nu eenmaalongrijpbaar is; daarop rochelde hij, improviseerde twee regelsen verontschuldigde zich dat zijn buik echt te dik was.Vervolgens sprongen we de rivier in, op de avond van dichtersdag.Toen ik zonk hoorde ik zeggen dat we in ons volgende levenook dichters zouden zijn, als, ik weet niet wie het zei,als de maan ook onze lijken zou zien.augustus 1975Noot van de vertaler: Dichtersdag wordt gevierd op de vijfde dag van de vijfde maand van de maankalender, de dag dat de beroemde dichter Qu Yuan (343?-278 v.Chr.) de verdrinkingsdood verkoos. Het is traditie om op die dag rijstnoedels gewikkeld in lotusbladeren te eten.

Dierenwiegeliedje

 

Voetstappen in de sneeuw

Kou vraagt om slaapdiepeslaap, vraagtom een gevoel zacht als een zwaaneen regel neergekrabbeld in rulle sneeuwin louter witte, witteinktneergekrabbeldom zijn stemming, de kouwitte sneeuwaugustus 1976

Dierenwiegeliedje

Laat de tijd vast zijn als de vlekken van een luipaardeen vermoeide watervogel glijdt over het water zacht zijntranen druppelend als een afgeschoten pijl voor hij neerkomtdit is de tuin de tuin zonder muziek de grijzige olifantkomt met zware zware stappen voorbij en vraagt jete zorgen voor de honingraat de honingraat zonder bijenVoor de nacht voor het gras zonder kleren ruim ik dauw wanneerde sterren rijzen de hemel traag hoger wordt dan de giraf in de deurlaat zogende moeders ver van hun kinderen gaan zoals eenkat uiteindelijk ook zijn gekromde rug ontspant volhard niet langerabstract in de kleur van liefde de hoogte van dromen wantdit is de tuin de tuin zonder muziekImiteer de klungelige ezel niet in zijn gesnurk als hij langsparadeertlaat de tijd zijn adem inhouden als een beer die voor dood gaat liggeneen paar sneeuwwitte bloemen slaan op zijn wimpers een paar vlindersik poets de deurplaat voor de stal voor de zwaluwen zonder dakrandwanneer de grijzige olifant met zware stappen voorbijkomt en je vraagtde kieren te stoppen voor de kapotte pilaar de pilaar zonder verdrietDit is de tuin de tuin zonder muziek adelaars stop met cirkelenjachthonden stop met rennen als het voorhoofd van engelenbreed genoeg voor vijftig forten en zevenhonderd rijtuigenlaat kinderen die ver van hun moeders zijn terugkeren zoals langbegraven mythes en religies opnieuw worden ontdekt en aangehangenik zal bidden voor de fruitbomen de fruitbomen ontdaan van hun fruitLaat de tijd vast zijn als de vlekken van een luipaardeen paar sneeuwwitte bloemen slaan op zijn wimpers een paar vlinderswek de woede niet van de leeuwen die rustig slapendit is de tuin de tuin zonder muziek de grijzigeolifant komt met zware zware stappen voorbij en vraagt jevraagt de modder om snel zijn voetstappen te verbergenjanuari 1977

Een huis

Eenvoud is een ingewikkeld huis, de minnaressenvan wie dat zeggen wonen misschien wel naast het postkantoorwat inhoudt dat ze gewend zijn in alle vroegte ansichten te ontvangen,tussen stempel en groet een grasveld te vinden, een vlucht zeemeeuwenof een bootwant een boot is een raam en een raam is groter dan een huisMaar echt onuitstaanbaar vinden ze de pakjesmetafooren dus moeten hun minnaars eerst een boom in klimmen, fruit plukken endoormidden snijden, de controversiële liefde erin stoppen, dichtlijmenen dan, alsof er niks is gebeurd, stiekem het fruit terughangenen naar beneden klimmenMaar de minnaressen moeten welwant de definitie van een eiland is: aan alle kanten omringd door zeede definitie van een la: gaat niet meer open als de sleutel kwijt isaugustus 1978

Stortregen

Wreed als de vleermuizen van gisteravondklapwiekende, gigantische vleugels dringen ineensde aluminium deuren en ramen van de weerloze slaap binnendrukken ongenadig een veeg teken op de mondhoek van de middag:een snerpende kreet –rondom zie je gesmolten en verstijfde tijdeen wirwar van kleine paadjesde angst te verdwalen wordt sneller nat dan de grond:ik wil mijn wereld kleiner dan een snoeptrommelsteviger dan kristalglasaugustus 1978

In een stad opgeschrikt door aanhoudende aardbevingen

In een stad opgeschrikt door aanhoudende aardbevingen hoor ikduizend kwaadaardige jakhalzen tegen hun kinderen zeggen:‘Mama, ik had ongelijk.’Ik hoor rechters huilenpastoors berouw hebben, ik hoorhandboeien uit kranten vliegen, schoolborden in beerputten vallenik hoor geleerden hun schoffel neerleggen, boeren hun bril,en dikke zakenlui hun roomboterkleren stuk voor stuk uittrekkenIn een stad opgeschrikt door aanhoudende aardbevingenzie ik geknielde pooiers vagina’s teruggeven aan hun meisjesnovember 1978

Wolkbreuk

 

Stormlied

Dertig jaar. De bedeesde blik van een kind.Weer om vijf uur wakker van een nachtmerrie.Nog altijd zijn er leraren om je te examineren.Nog altijd zijn er verklikkers om je aan te geven.Nog altijd zijn er drilmeesters, instructeurs,patrouilles om je in te tomen,je rechtschapenheid te controleren.Gezicht wassen, tanden poetsenen voor je naar de wc gaat dat gedicht uitlezenvan gisteravond.Ontbijttafel. Scooter.Vlag hijsen. Goedemorgen meester.Bij zon hardlopen.Bij regen een paraplu open en dicht klappen.Er waait een stormwindover de mist van een eeuw neerslachtigheidover het opgestapelde stof op de bureausover het vuil in de hoeken van de plaatselijke krantover de gemeenplaatsenover de hypocrisieover de boekentassenover de helm van het hoofd personeelszaken.Er waait een stormwindover de tranen van duizend jaar onrustover de reizigers die over doornen struikelenover het peinzende sterrenlicht in de donkere nachtover de opgebrande schrijvers met ogen vol woedeover de weduwen met dromen vol haat, bloedige haatover de mestgierover het grasgroenover de wilde rozen in zusjes haar.Dertig jaar. De zware stap van een schildpad.Blijkbaar nog steeds even trots.Blijkbaar nog steeds in staat te schaterlachen.Koude thee. Warm zweet.Naar boven. Einde les.Onderweg constant knipperende verkeerslichten. Leuzen.Geschiedenis. Zwarte mist.‘Er waait een stormwind, waarover waait hij dan?’Over alle mensen met liefde en tranen.oktober 1982Noot van de vertaler: ‘Er waait een stormwind, waarover waait hij dan?’ is een populair kinderspelletje in Taiwan.

Tarokokloof, 1989

1In de druilige lentekou probeer ik je stilte te doorgronden.Je uitgestrektheid is een vertrouwde nabijheid.Hemelhoge bergwanden liggen in mij als een korreltje zand.Wolken en nevel schuiven voorbij.In de vochtigheid wiegelt en rust het welig groen.Je tederheid is als adem,als de dwarreling van een blad, de zweefvlucht van een vogel,ze lijkt op het opengaan van de boombloesemsdie op de gladde, steile bergtoppen en kliffen staan.Je diepte aanvaardt pijn en verrukking,plechtig als het dichte regenwoud,de donkerblauwe sterrenhemel. Je intensiteitpasseert de woeste bergstromen van vorige zomer,galoppeert in de zonnige ochtendzoals de hazen huppelen en de vogels gaan.Het is alsof ik het leven tot het leven hoor roepenin de diepe poel waar ik als kind speelde,in de droom waaruit ik afgelopen nacht wakker schrok.Het is alsof ik het vuur van de geschiedenis zie,omgekeerd en bevroren door de tijd,boven op de ruige rotsen,onder in de vallei vol neergestorte keien.Je groeven zijn als wolken, als watertussen het eindeloze staren van bergen naar bergen,in de eindeloze weerkaatsing van hemel en aarde.Toch zie je nog altijd stilzwijgend toehoe ik over je bergpaden ga.Je ziet mij keer op keervoor je ogen neervallen,net als zij die duizenden jaren lang in je armenzijn gevallen, hebben gebloed, gestorven zijn.2Hoe vaak heb je de kinderen in je armenlaten vallen en gekneusd weer laten opstaan?Hoe vaak heb je hen het dichte bos vol verrotte bladerenin laten trekken en doen verdwalen?Je ziet jeugd als een snelle waterval uiteenspattenen met bergbeken de verre zee in stromen.Je ziet wolken beladen met dromen langsdrijvenen traag in grotere dromen opgaan.Je laat hen een rotsblok zoeken om rustig op te zitten mijmeren.Je laat hen leunend tegen klokgelui de schemer in gaan,opgroeien tijdens een wolkbreuk.Je laat hen lang boven de gapende afgrond stilstaan,ze zien druppels water door de rotsen dringen,ze zien tijd vervlieten, dag in dag uit.Tijd vervliet, dag in dag uit.Je liet roodharige Spanjaarden het goud uit je kloof halen.Je liet roodharige Hollanders het goud uit je kloof halen.Je liet door de Mantsjoes verdreven Chinezen het goud uit je kloof halen.Je liet Japanners die de Mantsjoes verdreven het goud uit je kloof halen.Forten, kanonnen, doden in je kloof.Forten, kanonnen, doden op je helling.Forten, kanonnen, doden bij je bron.Je hoorde de overgekomen Chinezen tegen de inlanders onder hun mes:‘Geef je over, Tarokobarbaar!’Je hoorde de overgekomen Japanners tegen de inlanders onder hun geweer:‘Geef je over, Tarokobarbaar!’Je zag de getatoeëerden uit de bergen gaandeweg naar de heuvels verhuizen,van de heuvels naar de vlakte.Je zag ze gaandeweg hun huizen verlaten,stilzwijgend.3Je zag ze gaandeweg hun huizen verlatenen naar je toe komen,die Chinezen die door Chinezen de zee over waren gedreven.Met explosieven, nostalgie en bulldozers uit de oorloggroeven ze nieuwe dromen in de wirwar van je skelet.Enkelen raakten vermist in de tunnels die ze zelf hadden geboord.Enkelen zonken met vallende rotsen in de eeuwige afgrond.Enkelen lieten een hand achter, een voet,leerden van de standvastige bomen rechtop in de wind te staan.Enkelen trokken hun oude gewaden uit, namen een schoffel open nagelden nieuwe deurplaatjes langs de nieuwe wegen.Van de nieuwe meisjes in het vreemde land leerden zete enten, bloed te mengen, zich voort te planten.Als immer voortgeteelde peren, kolen en Californische pruimenpootten ze zichzelf in jouw lichaam.Ze hingen nieuwe plaatsnamen langs de nieuwe wegenen in de lentekwam hun grote leider met zijn medailles opgespeldin Tianxiang van de gevallen pruimenbloesems genieten.Ze spreidden het keizerlijke bedop het pad naar de warmwaterbronnen, met hete stoom erboven,en reciteerden luid het Lied van Rechtschapenheid.Maar jij bent het Huaqingmeer niet of de Maweiheuvel,jij bent het verre, schimmige Chinese landschap niet.De beroemde meester-schilder Daqian streelde bevendzijn mooie baard, onwerkelijker dan bergnevel.Met halfabstracte vlekinkt strooide hij nostalgieop jouw concrete gezicht.Ze schilderden ‘Tienduizend mijl van de Yangzi’ op je bergwanden.Maar je bent geen landschap,je bent geen landschap in een landschapsschildering.Li Tangs ‘Wind in de dennenravijnen’ hangt niet aan je voorhoofd,net zomin als Fan Kuans ‘Reizen tussen beken en bergen’.Voor de toeristen die je in hun airco-bussen bezoekenben je natuurschoon(zoals de Portugezen die vierhonderd jaar geleden in een bootlangs de oostkust voeren op vreemde toon ‘Formosa’ riepen).Maar jij heet niet Formosa, al ben je wel mooi.Je bent geen landschap om weg te halen, op te hangen, tentoon te stellen.Je leeft, je bent leven.Je bent een machtig, onvervalst bestaan voor hendie met jouw bloed kloppen, met je ademen,voor jouw volkeren4Ik zoek de mistige dageraad.Ik zoek de eerste zwarte langstaartfazant die over de kloof vloog.Ik zoek de indigo en de wolfsmelk die elkaar door spleten begluurden.Ik zoek de tongen die uit volle borst zee en morgenglans bezongen.Ik zoek de rode knieën van de avondzon die vliegende eekhoorns najoeg.Ik zoek de kalender van de bomen die met de temperatuur verkleurden.Ik zoek het volk van de wind.Ik zoek de riten van het vuur.Ik zoek de hoefslag van het everzwijn die weerklonk met het spannen van de boog.Ik zoek de bamboehuizen van dromen die op watersnoodkussens sliepen.Ik zoek de bouwkunst.Ik zoek de zeevaart.Ik zoek de huilende sterren in rouwkledij.Ik zoek de haakachtige bergmaan waaraan de bloednacht en de kloof hingen.Ik zoek de vingers die zich hoog aan de kliffen vastketenden en zich opbliezen met de berg.Ik zoek het licht dat door de wanden boorde.Ik zoek de schedel die op de boeg van het schip botste.Ik zoek het hart dat is begraven in vreemde aarde.Ik zoek een hangbrug – een lied zonder schoenveter misschien.Ik zoek de grot der echo’s, betekenisvolle klinkers en medeklinkers:Tangarao, Bunkium, Tupido,Tanlongan, Losao, Teruwan,Topogo, Sumeg, Lupog,Kobayan, Balanao, Botonof,Kumoxel, Kalagi, Baga-Paras,Kalapao, Tabula, Lapax,Qesia, Busiya, Tassil,Sexengan, Sidagan, Sikalaxen,Qaugwan, Tomowan, Bolowan,Vetodan, Putsingan, Senlingan,Daoleg, Degalan, Degiag,Sakadan, Palatan, Sowasal,Bunayan, Bololin, Tabokyan,Owai, Doyun, Batakan,Dagali, Xoxos, Waxel,Sikui, Bokusi, Mogoyisi.5Ik zoek de grot der echo’s.In de druilige lentekou probeer ik het geheim te doorgrondenvan ons nederige verblijf op aarde.In de herfst lopen ze samen over de bergpaden in de kloof.In bossen of langs beken wacht hunmisschien een plotselinge groep makaken,misschien twee onbewoonde bamboehuizen, stilnaast het braakliggende ploegland.Verder op het oude pad passeren ze kruipend onkruid,stuiten weer op gecamoufleerde Japanse loopgraven.Nog verder een inheemse strooien jachthutmet wat scherven aardewerk,recentelijk daar achtergelaten door een opgravingsteam.We gaan om Huitouwan heennaar de hangbrug, waar negen oude pruimenbomen staan.Waar ooit de Japanse politie zat gooit een moderne postbodevrolijk de post in de verschillende brievenbussen.Misschien wordt hij opgehaald door de veteranen van het Lianhuameer,die na twee uur lopen bij de hangbrug komen,misschien door de vrouwen uit het dorp Mei,die in een pick-up naar beneden komen hobbelen.Hobbelend komen jullie het schemerige gehucht binnen.Een gezonde dorpsjongen rent jullie opgewonden tegemoet.Zijn behendige gestalte is als het hert dat zijn grootvadervijftien jaar geleden heeft geschoten.‘Mijn vader heeft de thee al klaarstaan!’Bamboedorp, de naam van hun geboorteplaatsis als de Tanggedichten die zijn vader in zijn jeugd las.Net zoals de Atayal die hier vijftig jaar geleden ploegden en jaagden,kwamen zij van over zee en werden eigenaar van dit stuk grond,ze kweekten hun fruitbomen, brachten hun kinderen groot.6In de druilige lentekou probeer ik het geheim te doorgrondenvan ons nederige verblijf op aarde.Klokgelui stuwt klokgelui.Gebergten voorbij gebergten.Ik ga de trappen op, nader schuin in de schemeringde boeddhistische zang in de tempel boven op de rots.Als wederkerende golven,als jouw weidse bestaan,die lage, galmende zang, eenvoudig en toch ingewikkeld,omvat je verfijning en weidsheid,omvat je droefenis en vreugde,omvat eigenaardigheid,omvat onvolkomenheid,omvat eenzaamheid,omvat haat.Net als de genadige, bescheiden bodhisattva ben jij ookeen stilzwijgende Godin van Barmhartigheid.Je ziet rechtvaardig toe opde wording van hemel en aarde,de dood van bomen, de geboorte van insecten.Het landschap fluistert, de kosmos is eindeloos.Het is alsof ik het leven tot leven hoor roepen,door het onwerkelijke tafereel van berg en water,door de eeuwige grot der echo’s,tot in deze nacht.Hemelhoge bergwanden liggen in mij als een korreltje zand.maart 1989Noot van de vertaler: In deel vier komt een lijst met plaatsnamen uit het Nationale Park De Tarokokloof voor, dat zijn de inheemse namen die in de taal van de Atayal allemaal een specifieke betekenis hebben. Tupido bijvoorbeeld, het huidige Tianxiang, betekent oorspronkelijk ‘palmboom’; Losao betekent ‘moeras’; Tabokyan betekent ‘zaaien’; Putsingan betekent ‘weg die je moet gaan’; Bolowan betekent ‘echo’. Zie Liao Shouchen, De cultuur van de Atayal (Taipei, 1984).‘Lied van Rechtschapenheid’: Geschreven door Wen Tianxiang (1236-1286), de laatste kanselier van de Song-dynastie, na zijn gevangenneming door de Mongolen.

Dictatuur

Agenten die naar believen met de grammatica knoeien.Enkelvoudig maar gewend om meervoudige vormen te gebruiken.Objecten maar omhooggevallen tot subjecten.In hun jeugd verlangend naar de toekomende tijd.In hun ouderdom zwelgend in de verleden tijd.Vertalen overbodig.Tegen hervorming.Vaste zinsbouw.Vaste zinsbouw.Vaste zinsbouw.Maar één overgankelijk werkwoord: onderdrukken.mei 1989

De muur

Hij hoort ons huilenHij hoort ons fluisterenHij hoort ons het behang scheurenongerust de stemmen van vertrokken familieleden zoeken– hun kolossale ademhaling, gesnurk, gehoestdie wij nooit hebben gehoordDe muur heeft orenDe muur is een zwijgzame recorderWe geven hem spijkerster herinnering aan de afwezige hoeden, sleutels, jassenWe geven hem spletenter berging van de kronkelende liefdes, praatjes, schandalenWat eraan hangt is de klokWat eraan hangt is de spiegelWat eraan hangt is de schaduw van verdwenen dagende lipafdruk van uitgeholde dromenWe geven hem dikteWe geven hem gewichtWe geven hem stilteDe muur heeft orenOp onze zwakte rust zijn kolossale bestaanjuni 1990

Ansichtkaarten voor Messiaen

1We zijn allemaal hangendetranensterrenregenbogenvogelsboven de afgrond van de tijdzingendzingendeen tuin van verdriet in de lucht2We rennen over een wereldbolik ben in het oude Aziëjij in het verre Europaiemand draait de wereld rondwe glijden uit, vallen samenin de oceaan van melancholie3De oceaan, gekweld maar sereenademtademtademtliefde4Als een golvenrij vol kracht en lichtstijgenddalendAls een cyclische, geheime tunnelvan bergkloof tot melkwegvan droom tot droom5Vogels vliegen een vijfhoekige tuin inmuziek stroomt muziek inwestoostharmoniedisharmonieop basis waarvanfebruari 1990Noot van de dichter: Deze gedichten zijn geschreven op basis van muziek die ik recentelijk heb gehoord, vooral Messiaen (1908-1992), Nono (1924-1990), Webern (1883-1945) en Takemitsu (1930-1995). Takemitsu heeft gezegd: ‘De vreugde van muziek lijkt eigenlijk niet te scheiden van verdriet, het verdriet van het bestaan. Hoe meer je de pure vreugde van musiceren ondergaat, hoe dieper je dat verdriet kunt voelen.’

Reizen in de familie

Een hond die naar de maan blaft

De tijd laat zijn hond ons bijten.Hij bijt onze mouwen eraf, laat een paarvodden van vergetelheid achter.We kopen suiker aan de overkant, vinden een afgedankte arm– zouden we hem in de dichtstbijzijnde brievenbus gooien?Misschien ontvangen onze ouders hem op reisin hun verre hotel.Misschien wordt hij opgehangen bij de ingang van een stationen wordt er elke vijf minuten omgeroepen:‘De reiziger die een arm kwijt is, wordt verzocht hem bij de informatiebalie te komen ophalen.’We geloven niet dat zij onze familie en vrienden van lang geleden zijn:een zakdoek uit de kindertijd, een huiswerkschrift, de lippenstiftvan een liefje, een bh, een diploma.We rapen het speelgoed op dat op de grond is gevallenen horen het zeggen: ‘Au, dat doet pijn.’De maan zit op de hemel geplakt als een postzegel verscholen achter het stempel.We schrijven brieven met balpennen van sterrenlicht en sturen ze aan God,hij woont ten noorden van de schuilkeldersen twee intercitystewardessen met rode jurk en hoedduwen hun karretje en vragen of hij medicijnen wil kopen.En dat is natuurlijk bitter.Toch heeft hij ons nog een familiefoto gestuurd:de kolonel, grootgebracht in de oorlog, de zwarte bordeelhoudster,Gino de kater, A-lan de oude meid, haar hele leven ongetrouwd,ze zijn er allemaal, op het perron van de tijd,tegenover een hond die met wijdopen ogen naar de maan blaft.Ze wachten om opnieuw langs ons te strijken.We openen het postzegelalbum en zoeken argwanendde ene na de andere kreet die ons bekend voorkomt.Misschien is dat wat ze familiereünie noemen.oktober 1990

Ansichtkaarten voor de tijd

LandschapLandschap is er nog,landschap is een immens boekjouw, mijn wind bliesberoerdeeen blad, twee…is een ansichtkaart zonder adresachtergelaten om te worden gepostgeschreven door de tijdgelezen door de bomenBoekbladeren zijn boombladerenwanneer wij, koukleumen, op de dorre takken springenen als vogels de wereld uit vliegenOntmoetingOntmoeting in juliontmoeting in de tuin van juliin de duizeling van het bouwsel van louter licht en geurlaat mij een roos voor je plukkenen verlaat mij verderverlaat de groeiende schaduw achter mijWereldElke bloem is een vuurknopeen geheime spiegeldie berglicht en waterschaduw verbergten brandend verlangenWe zijn in de spiegelwe zijn buiten de spiegelwe zijn in de bloemblaadjes, velewaarheden en illusies weerspiegelen elkaarDeze wereld met ons leed en verdriet,kan hij enkelde tong zijn van een andere, onzichtbare vuurknop?Slapeloze nachtSlapeloze nachtDe rust van het hele hoteldrukt op mijn kussenals een volle urineblaasin een kelder waar onophoudelijk water druppeltverwaarloosde waterkranen van de hele staden spermaHangbrugHangbrugtussen mijn dromenen jouw oeverIn het geluidvan de wielen van twee treinendie in tegengestelde richting voortgaanEen denkbeeldige tunnelvol herinneringen en echo’sHangbrugtussen deze werelden die anderenovember 1991

Rivier van schaduwen

Uit onze theekop stroomt elke dageen rivier van schaduwen.De vlekken van onze lippenafdrukzijn de één voor één verdwijnenderivieroevers.Een kamer vol theegeuren lokt ons in slaap.Misschien drinken we tijd,misschien onszelf,misschien onze ouders die in het kopje zijn gevallen.Van de bodem met thee-aanslag vissen wehet landschap van vorig jaar,een bergvol jasmijn,uiteengevallen bloesems.We zien de koude rivier weer aan de kook komenen de duisternis die langzaam invalt vloeibaar maken.En dan zitten we thee te drinkenachter een kopje dat oplicht als een lantaarn, we zittenop een oever hoog als dromente wachten tot de thee rivier wordt,te wachten tot de bomen bloeien en vrucht dragen,totdat we net als onze ouders incarneren,in een vrucht,een theebloem,en in de rivier van schaduwen vluchten.februari 1992

Microkosmos – honderd moderne haiku’s

(selectie)6Een snelle neerwaartse glissando,iemand zet een laddervoor het raam van mijn jeugd.14Ik wacht, verlang naar jou,in de lege beker van de nacht probeerteen dobbelsteen op zijn zevende kant te draaien.20Een ijslolly,vanuit de mondhoek van de droomsmelt de glimlach van een zomernacht.21Tranen zijn als parels, nee, tranen zijn alszilverstukken, nee, tranen zijn alslosgeraakte knopen die weer vastgenaaid moeten worden.26Ik drink de thee die jij hebt ingeschonken,ik drink de lentekoudie tussen je vingers naar beneden glijdt.33Dood insect in een woordenboek– lezend onder de zon,een nieuw woord.35Eenzame toppen,verbonden door eenzaamheid enogen van zwarte en witte vogels.38Een nacht koud als ijzer,percussiemuziek van lichamendie vuur maken.46Gevangenen van stilte: we slaan met taalde transparante muur aan diggelen en worden gedwongenmet onze adem de stiltescherven weer op te rapen.58De kooi van troosteloosheid openen:naar buiten vliegt de ledige leegte,naar binnen vliegt de lege ledigheid.66Het wit van het lichaammaakt een moedervlekje tot een eiland, ik misde glinsterende zee in je kleren.73Lezen op een voortdenderende trein:op zoek naar de verloren tijd, buiteneen grote zwijgende zee.78Ze drukken de droom platals een creditcard en wachten tot de nachtin geldnood langskomt om te pinnen.86Ik ben mens,ik ben een wegwerpaanstekerin het donkere heelal.87Een granaatappel in de regen,vochtig groen,alsof hij iets wil zeggen.

De rand van het eiland

 

Ochtendblauw

Tussen het wit van de nacht en het zwart van de daggeef je mij welwillend ochtendblauw,je blauwe ondergoed, dat nergens verkrijgbaar is,je blauwe haarlint, dat golft in de wind.Welwillend geef je me gekleurde brokken melancholieom de leegte in mijn hart te bedekken na een slapeloze nacht,welwillend geef je me vochtige zielom het zwart te smelten van de dag die volgt.Jij, blauw schaap,je rent op en neer langs de grenzen van de droom,je weerlegt mijn gedachten met blauwe wollige schaduw,je onderdrukt mijn adem,laat me naar je blauwe ogen verlangen,laat me uitkijken naar je blauwe tong.Blauwe zeegolven, brekend in het slikken en spuwen,laten mij op het strand bij ebje verloren blauwe ketting oprapen,je weggesijpelde tepelhoven verzamelen.Je laat mij jouw resterende speeksel zien als de zee,als de Middellandse Zee,en tussen de immense continenten van dag en nachteen streepje hemelblauwe kust beschermen.O, godin van het kwaad, meesteres van de ochtend.juli 1994

Nachtelijke vis

’s Nachts word ik een vis,een amfibie, zonder bezitmaar ineens rijk en vrij.Leegte? Jaleeg als het wijde hemelruim.Ik zwem in nachten natter en zwarter dan jouw vagina,als iemand die in alle zeeën thuis is.Ja, het heelal is mijn stad,gezien vanaf al onze stadszwembaden hier bovenis Europa enkel een verschrompeld stukje varkensvleesen lijkt Azië net een gebroken theekopje naast een stinkende sloot.Laat jullie zoete familieliefde maar stromen,het kraanwater van jullie ethiek en moraal,het badwater dat om de dag wordt ververst.Ik ben een amfibie,zonder bezit en zonder angst,ik strijk neer in het wijde heelal,strijk neer in je dromen van dag en nacht.Een bader badend in weer en wind.Manmoedig zwem ik je door je lucht,zwem ik door leven en dood, waaraan je nooit kunt ontsnappen.Wil jij nog steeds met je vrijheid pronken?Kom, ervaar een vis,ineens rijk en vrij door jouw vertrek,ervaar een ruimtevis.juli 1994

Rozenlied

1Mijn roos, ik wil je niet plukkenwant ik ben geboren in een tuinmet een roos als bedjasmijn als kussen2Roos tussen rozenbloem tussen bloemenmeisje tussen meisjesliefje tussen liefjesSierlijke roosfleurige bloemeeuwig trouwmeisjelief3Je roofde mijn levenmeisje met je golvende harenje roofde mijn levenaan de oeverIk zag met golvende hareneen meisjeje roofde mijn levenmeisje met je golvende harenje roofde mijn leven4Isabella, Isabellaje bent je ceintuur verlorenkijk, daardaar drijvend in het waterIsabella, allerliefste!5Ik zie dauwhangenop je boezemParelsdie zweetgeurafgevenVlij je tegen me aanook al heb je een dolk bij jeom me te verwondenWat is de nacht langveel te lang6Word wakker meisje, ontwaakmeisje, je moet opstaan en dansende dood is gekomener is geen ontsnapping mogelijkO, zo koudzo’n koude windde dood is gekomen7Aan de rand van de put naast de rozenstruiken,een jongen en een meisje wassen zichin het kristalheldere putwaterhij wast zijn gezicht met zijn handenAan de rand van de put naast de rozenstruiken,een jongen en een meisje wassen zichhij wast haar gezicht, zij wast zijn gezichteen jongen en een meisje wassen zich8Mijn hart, waarom toch zo slapeloosin nachten gemaakt voor de liefdeals het meisje om wie je geeftin de omhelzing van een ander ligt?9De nachtegaalzingt enwordt steeds magerderIk wachtop mijn jongenlief enword steeds magerder10Ik,Rainer Maria Rilke,hier eeuwig slapend,gestorven om een roos.Mijn gedicht iseen andere roos,het grafschriftvoor mijn leven:Rooso, reine tegenspraak.juli 1994Noot van de dichter: Deze tien gedichten hebben een verschillende oorsprong, waaronder flamencoliederen, oude gedichten en volksliederen uit Spanje, Perzië, Peru en Japan, en het grafschrift van Rilke. Samengevoegd vormen zij één gedicht.

Stadje

Zij wonen hier. Wat wind, watwolken. Een straat treft een andere, het snijpuntvormt een kruis. Aan de overkant van de straat rapenzij verwaaide boomschaduwen en binden die methun juist gepolijste humeur aan de deurpost. Tweekruizen maken een vierkant, blok na blok,als een schaakbord. Zij bewerken het land, vangen vis,smeden en jagen. Olifant 3 + 5. Paard 2 + 4. Katapult 6 = 3.Wagen 8 + 1. Ze ontmoeten wat anderen. Ruilen katoenvoor zijde, perziken voor peren. Sommige van de verwaaideboomschaduwen worden de schoonfamilie van een ander stel,anderen vallen in een vijver verderop, veranderen indood. Een beekje gaat vanaf de voet van de berg doorhet schaakbord, draagt grassen en gesjirp mee, raast de zee in.Beek en zee beuken op elkaar in wentelingen, de zwijgendetoeschouwers van het schaakspel roepen: Wieling!Wieling! Hun naam. De golven van het levenoverstromen het schaakbord, minimalistisch en glinsterendstorten ze vanaf de hoogte omlaag, impressionistischemuziek met cyclische variaties, die groeven draait tothet schaakbord ronddraait als een platenspeler. Een straattreft een andere, het snijpunt is een kruis. Aan de overkantvan de straat rapen zij vissen, door een aardbevinguit hun pan geschud, en nagelen die met hun juistgepoetste huisnummers aan de kozijnen. Twee kruizenmaken een vierkant, blok na blok, als een schaakbord.Ze wandelen, drinken thee, trekken hun tanden,bedrijven de liefde. Katapult 5 + 2. Paard 4 – 6. Pion 7 + 1.Pion 2 = 3. Een beekje gaat door het schaakbord, raast de zee inzoals de naald via de groeven op de langspeelplaatmuziek geeft. De geluiden die plotseling uitbarsten zijnverwaaide boomschaduwen. Anderen rapen ze open geven ze aan hen terug. Zij wonen hier.april 1995Noot van de vertaler: De oude naam van Hualian (spreek uit: Gwa-ljèn), aan de oostkust van Taiwan, is Huilan (spreek uit: Gwee-lan), wat wieling, draaikolk betekent.

Oorlogssymfonie

juli 1995Noot van de vertaler: het eerste karakter in de tekst, bing, betekent soldaat. In het tweede deel wordt dat steeds vaker afgewisseld door de karakters ping en pang, die klinken als geweerschoten en eruitzien als het karakter voor soldaat, maar één ‘been’ missen. Het karakter qiu in het derde deel is het karakter voor soldaat maar dan zonder ‘benen’. Het betekent (graf)heuvel.Hier een animatiefilmpje van het gedicht.

Meubelmuziek

Ik lees in de stoelIk schrijf op de tafelIk slaap op de vloerIk droom naast de kleerkastIk drink water in de lente(de beker staat in de keukenkast)Ik drink water in de zomer(de beker staat in de keukenkast)Ik drink water in de herfst(de beker staat in de keukenkast)Ik drink water in de winter(de beker staat in de keukenkast)Ik open het raam en leesIk doe de lamp aan en schrijfIk trek het gordijn dicht en slaapIk word wakker in de kamerIn de kamer is de stoelen de droom van de stoelIn de kamer is de tafelen de droom van de tafelIn de kamer is de vloeren de droom van de vloerIn de kamer is de kleerkasten de droom van de kleerkastIn het lied dat ik hoorIn de woorden die ik spreekIn het water dat ik drinkIn de stilte die ik achterlaatjuli 1995

De rozenridder

Een handstand, ondersteboven breng ik de vorige zomer terugom aan de schaduwen te likken van de laatste roos in de zomerzon.‘Zo’n geluk is zo zwaar dat het haast niet te dragen is.’Rozen zijn rooskleurig, bloemblaadjes bladvormig.Ik buitel op je handpalm, laat in een wirwar de blaadjesvan herinnering vallen. Een rozenridder met de tijd als halterop een draaimolenpaard.‘Ik heb me voorgenomen hem op de juiste manier lief te hebben,zo dat ik zelfs zijn liefde voor een ander liefheb…’Rozen zijn rooskleurig, halvemanen halvemaanvormig.juli 1995

Formosa, 1661

Ik heb altijd gedacht dat wij op een koeienhuid leven,hoewel God heeft gegeven dat ik mijn bloed, urineen ontlasting met dit land vermeng.Vijftien rollen katoen voor een landje zo groot als een koeienhuid?Hoe konden de inboorlingen weten dat je een koeienhuidin repen kunt snijden en zo, als de geest vande alomtegenwoordige God, heel het eiland Taoyuan, heelFormosa kunt omringen? Ik houd van de smaak van hertenvlees,ik houd van rietsuiker en bananen, ik houd vande ruwe zijde die de VOC terug naar Nederland verscheept.De geest van God is als ruwe zijde, glad en puur schijnt hijop de jeugd van Bakloan en Tavacan die elke dagnaar school komt om te leren spellen, schrijven, biddenen de catechismus te leren opzeggen. O Heer, ik hoorde smaak van hertenvlees in het Nederlands dat zij spreken(net als het Sideia, dat ik soms spreek tijdens de mis).O Heer, in Dalivo heb ik vijftien getrouwde vrouwenen meisjes het onzevader geleerd, de tien gebodenen gebeden om voor en na het eten te zeggen; in Mattau heb iktweeënzeventig getrouwde mannen en ongetrouwde jongensverschillende soorten gebeden en de geloofsartikelen geleerd,ik leer ze lezen en vergroot hun kennis via de oprechte lessenen preken van de religieuze catechismus. O, kenniskun je als een koeienhuid opvouwen en in een reistasstoppen, van Rotterdam naar Batavia, van Batavia naardit subtropische eiland, en ontvouwen tot akkers van Oranje,het land van God, gesneden tot repen van vijfentwintig ge,bij elkaar één jia of drie bij vijf zhangli.In Zeelandia, tussen de waag, het cijnshuisen het theater, zie ik haar wapperen als een vlag, Provintiatoelachend vanuit de verte. O, kennis geeft mensenvreugde, zoals goed voedsel en gevarieerde specerijen(als ze nu eens wisten hoe je peultjes moet klaarmaken).De mandarijnen, zuur en bitter, zijn groter dan sinaasappelen,maar zij weten niet dat in de zomermaanden water vermengdmet zout en geplette mandarijn beter smaakt dan liefdesgenot.In Tirosen heb ik dertig jonge echtgenotes diverse gebedengeleerd en Kort Begrip; in Sinkan heb ik honderd twee getrouwdemannen en vrouwen leren lezen en schrijven (ah, ik voeldat de bijbels in de gelatiniseerde transcriptie van hun talende smaak hebben van hertenvlees met Europese gember).Het boek Prediker in het Favorlang, het evangelie van Mattheusin het Sideia: een huwelijk van het beschaafde en het primitieve.Laat de geest van God het vlees van Formosa binnendringen – of laathet hertenvlees van Formosa mijn maag binnendringen en mijn milt,en mijn bloed, urine en ontlasting worden, mijn geest. Ik heb altijd gedachtdat wij op de koeienhuid leven, hoewel de oprukkende Chinese troepenmet hun grote bijlen en zwaarden op hun jonken en sampansons weer met een andere, grotere koeienhuid proberen te bedekken.God heeft gegeven dat ik mijn bloed, urine en ontlasting als lettersvermeng met die van de inboorlingen en ze op dit land druk.Maar ik hoop dat zij weten dat deze koeienhuid, waarin een nieuwfonetisch schrift zit verpakt, in repen gesneden kan worden, tot pagina’skan worden gekeerd, een woordenboek volgeladen met klanken,kleuren, beelden en geuren, en zo uitgestrekt als Gods geest.april 1995Noot van de vertaler: Bakloan, Tavacan, Dalivo, Sinkan, Tirosen en Mattau zijn namen van inheemse dorpen op de laagvlakte van Taiwan. De talen Sideia en Favorlang worden daar gesproken. (Sideia wordt ook Siraya genoemd.) Zeelandia is de stad die door de Nederlanders werd gebouwd tijdens hun bezetting (1624-1662) van het eiland Taoyuan (het huidige Anping vlakbij Tainan). Provintia (in het huidige Tainan) was een fort dat ook door de Nederlanders was gebouwd. De Nederlanders zouden de inboorlingen toen vijftien rollen katoen hebben geboden voor een stuk land ter grootte van een koeienhuid, en toen dat aanbod was aangenomen ‘sneden zij de huid in repen en omtrokken een stuk land van meer dan één vierkante kilometer’ (Lian Heng, Algemene geschiedenis van Taiwan). Ge, jia en zhangli zijn landmaten.

De kat met de spiegel

 

Tango voor de jaloersen

Wanneer je de liefde omhelst als was het een vaatwasser,negeer dan de vettige littekens die zijn achtergeblevenop de borden, afgelikt door andermans tongen, waarop het bestekvan andermans ledematen heeft gesneden. Draai de kraan openom te spoelen. Vergetelheid is het beste afwasmiddel.Onthoud alleen het eervolle, mooie, glanzende deel,want potjes, vooral porseleinen, zijn breekbaar.Gewassen en gedroogd begroeten ze fonkelnieuwalsof er niets is gebeurd, het ontbijt van morgen.Vooral als je leven geleidelijk aan de middag nadertof voorbij is, komt de jeugdige onrust je weer zoeken.Je grijpt de telefoon en belt haar, maar tevergeefs.Achterdocht, ongeduld, je pleegt nog meeranonieme telefoontjes naar onzichtbare rivalen.Je belt de een na de ander (hoe gemakkelijk toch,die moderne communicatiemiddelen), het antwoordkomt van de middag, leeg als een kom. Trek dan alsjebliefttijdelijk de stekker van de vaatwasser eruit, beschouwde telefoondraad die je dwarszit als een baminestjeen slik hem in met wat denkbeeldige sojasaus van wraak.De vaatwasser zal je schande snel wegwassen.Maar de nacht is een grotere vaatwasser.Wanneer het verdriet naar je toe wordt gegooid met de bordenvan vroeger en onafwasbare sterrenvlekjes aan de borden plakken,negeer dan toch die draaigeluiden van de vaatwasser,die onuitwisbare klanken in het stille heelal,negeer die schaduwen toch, die je omgeven alsovergebleven visgraten wanneer zij niet bij je is.Het voelt niet lekker wanneer je die irriterende graten niet uitspuwt,herschik ze tot verzen, één voor één.

[Ongebundeld]

 

Aluminiumfoliepakje

Drink mijdrink mijn bloeddrink mijn melkdrink mijn speekseldrink mijn vleesnatdrink mijn liefdessappendrink mijn stuiptrekkingendrink mijn blaamvóór de houdbaarheidsdatum(zie bodem van de doodskist)januari 2000

Herinnering aan een vlinder

Het meisje kwam op me af,ze leek net een vlinder. Resoluutging ze recht voor de lessenaar zitten,op haar hoofd zat een fleurigehaarspeld, vlinder op vlinderHoeveel vlinders heb ik in twintig jaarop deze middelbare schoolaan de kust ¬– menselijk, vlinderachtigmet de lente en hun dromen onder de arm –mijn leslokaal binnen zien fladderen?O, LolitaOp een herfstdag voor de middag, de zonwas warm, kwam een felgelecitroenvlinder door het raam naar binnen, cirkelderond tussen de verstrooide leraar en de dertienjarigedie zich op haar werk concentreerdePlotseling ging ze staan omdie scharende, fonkelende kleurenen vorm te ontwijken, een vlinderbang voor een vlinder: zij verschrikt,ik verbijsterd door hun schoonheid

Koeblai Khan

In Xanadu liet Koeblai Khaneen groots, verplaatsbaar lustoord bouwen‘Variatie wil ik! Ik ben het zat, ook al zijn ze met z’n duizenden,die concubines, ze zitten daar maar in hun gebruikelijke kamers,met hun gebruikelijke parfum en hun gebruikelijke gekreunna het gebruikelijke programma…’Zijn Italiaanse adviseur, een handelsexpert,maakte zorgvuldige selecties en zorgvuldige calculaties,en verdeelde de concubines in groepjes, in teams van zes,of van drie of vijf; drie nachten per keer,op verschillende plaatsen, in verschillende samenstellingendienden ze om beurten hun keizer.Topwijnen, opium, honing, leren zwepen,globes, vibrators, de bijbel, sexy lingerie.‘Ik wil constante beweging, constante opwinding, constante verovering,constante climaxen…’Maar dat had helemaal niets met wiskunde te makenevenmin met krijgskunde, en zelfs niet met geneeskunde.‘Het is een filosofische kwestie,’zei de Perzische reiziger die buiten stond en géén functie had gekregen.‘Tijd is het beste afrodisiacumvoor het verwekken van verandering.’

Een makkelijk leesbaar moeilijk gedicht

– Reactie op de uitspraak van Ilja Leonard Pfeijffer: ‘Onbegrijpelijke poëzie is altijd beter dan makkelijke poëzie.’ Bzzlletin, oktober 2000Pindarus dronk vijf pinten appelcider.Hij is een Griek die van groteske strips houdt.Hij is naar Polen geweest, en Finland en Nederland,maar heeft nooit gehoord van het Taiwanese Yilan,vlak bij mijn woonplaats Hualian.Hij houdt van makkelijk eetbare kaas, van rauwe oestersmet foie gras, en schrijft geregeldslecht verteerbare lange gedichten.Hij kent China, maar vindt het Chinese schriftflink moeilijk. ‘Moeilijke dingenhouden beter stand…,’ zo zegt hij altijd.Net als zijn verstandskies die na dertig jaar nog altijd niet helemaal door is.Hij houdt van een Chinees gedicht, getiteld ‘Liefdesgedicht’,omdat dit gedicht naar het schijnt,al dan niet in het Grieks vertaald, moeilijk te begrijpen is:‘Erm erm dobt knoef knoef, feppen feppen hmmschibbe schibbe. Driakel, fangopoetel milie tottert assabre. Zjat sjoegbeflenterd dukken, awalig lipke…’Moeilijk te begrijpen dingen zijn het lezen waard, zegt hij,hoewel deze dichtregels eigenlijk heel makkelijk te lezen zijn.Appels groeien bovenop het Grieks.Finnen houden strips voor eetbaar.In het Westen wordt Polen aangevallen, in het Oosten Nederland.De vijfderangs vrouw trekt haar pumps, panty’s en sexy lingerie uiten gaat terug naar het oude China.Ze zegt, rauwe oosters zijn oké,liefdesgedichten zijn oké,zolang het stand houdt is het oké.Ze las in de laatste nieuwsflits op internet:‘De ruiterij van Genghis Khan ging op volle kracht over Euraziatischegrond rechtstreeks naar de zuidelijke graslanden.februari 2006

 

Yang Mu, gedichten

Etude van de twaalf sterrenbeelden

Eerste tak*
Zo wachten we uitgeput
op middernacht. Middernacht is vormeloos
op drie straten na
waar op dat moment altijd klokgelui
komt aangewaaid als kinderjaren

Draai je om en vereer de Ram van lang geleden
geknield, als een nachtwacht in de wildernis
ik ruk op naar het noorden
Louisa, kijk alsjeblieft aandachtig naar de god van de aarde
aanbid hem, zoals ik jouw stevige schouders aanbid

Tweede tak
N.N.O.¾O. Louisa
De vierde nachtwake, gesjirp neemt bezit van het schiereiland dat ik net heb verlaten
Als de Stier onderzoek ik die weidse
vallei. Aan de andere kant is bamboebos

Honger brandt aan de twee strijdende zijden
De vierde nachtwake, plotseling knipperende autolichten
beschieten stil
een paar dijen in de lucht

Derde tak
Tweelingdageraad, luister goed
verbitterde tranen wellen op uit de aarde
Luister goed, mijn kruipende kameraad
onzuivere vruchten
Luister goed, oostnoordoost ten noorden
losbarstende lente brandbommen machinegeweren
een helikopter doorklieft de ochtendmist, luister goed

Louisa, wat zegt het Perzische tapijt jou?
Wat zegt de modder mij?

Vierde tak
Draai alsjeblieft naar het oosten wanneer de Kreeft
met zijn veelvoetige obsceniteit alle herfsttinten rondstrooit
versatile

Mijn metamorfose, Louisa, is onvoorstelbaar
Mijn kleren zitten vol vegen van het open veld
Ik verslond meisjesbaby’s als avondschemering
Ik moordde, braakte, huilde, sliep
versatile

Toon alsjeblieft samen met mij berouw aan het oosten
aan de hazen die komende lente gaan rondrennen
en over bergstromen en doodsbedden springen
Getuig alsjeblieft voor mij met de vreugde van al je zintuigen
versatile

Vijfde tak
In het westen is de Leeuw (O.Z.O.¾Z.)
De draak is het oosten dat soms in legendes verschijnt. Nu
kunnen we met onze gehele naaktheid alleen
een constellatie van extatisch gekreun bevestigen

Oostzuidoost ten zuiden, Louisa
In de constellatie van de bloedzuiger
die ik heb vastgesteld ben jij
de tweederangs ster die het hardst bloedt
die het zachtaardigst is
het meest lijdt

Zesde tak
Of laat mij je bedauwde ochtendbloemen

Zevende tak
Louisa, paarden van de wind
galopperen op de oever
Het voedsel was ooit rottend schelpdier
Ik ben een naamloos waterbeest
lig het hele jaar op mijn rug. De Weegschaal van het middaguur
is op het westelijk halfrond als ik in het buitenland ben…
In bed, katoen wiegelt in het uitgestrekte veld
De Weegschaal hangt recht boven de onteerde rivier vol lijken

Met mijn lies houd ik het vervormde landschap vast
Recht op het zuiden rijst een nieuwe ster
Kan mijn haar
zwaarder dan een schelp zijn, Louisa?
Ik houd van je geur als je naar het zuiden knielt
als een zonnebloem die met de seizoenen meedraait
verlangend naar een vreemde buiging, o Louisa

Achtste tak
‘Ik wil jouw overvloedigste wijnmakerij zijn.’
De Schorpioen van de namiddag is in de schaduw van het oude vasteland
gezonken. Opgewonden als de Stier van de vierde nachtwake
zuigend en knedend, zwellende druiven

Zwellende druiven
De oogstfluit gaat al naar het westen
Voert Louisa nog steeds de duiven in de hal?
Naar het westen, vergiftigde constellatie
bedek mij alsjeblieft met haar lange haren

Negende en tiende tak
Weer komt er een pijl aanvliegen
45 graden naar het zuiden:
de galopperende schutter valt en omhelst een schijfje heldere maan

Omhoog, omhoog, ga alsjeblieft als een aap omhoog
ik ben een huilende boom aan de rivier
de aarzeling van de Steenbok
de zon staat al recht op het westen

Elfde tak
W.N.W.¾N.
Vul mij met het zilte water van de zeven zeeën
Stadsgeluiden van de eerste nachtwake belagen een plein
Het miezert op onze geweren

Twaalfde tak
Louisa, accepteer mij alsjeblieft met de tederheid van heel Amerika
mij, een zwemmende Vis, aangetast in het bloed
Ook jij bent een glinsterende vis
doodgerot in de smog van de stad. Louisa
herrijs alsjeblieft in de olijftuin, voor mij
en ga liggen, voor mij. Dit is de tweede nachtwake
de berijpte olijftuin
We zijn al veel vergeten
Een oceaanstomer brengt mijn vergiftigde vaandel terug
Adelaars cirkelen, als een laatste generatie aasgieren
noordnoordwest ten westen, Louisa
Je zult het uitschreeuwen
en merken dat ik na mijn triomfantelijke terugkeer doodblijf
stijf en koud op je naakte lichaam

*De ‘twaalf aardse takken’ vormen een systeem van rangtelwoorden waarmee in de Chinese traditie de tijd wordt aangegeven. Iedere ‘tak’ verwijst naar een bepaald tijdstip, een dag, een maand of een jaar, en wordt gesymboliseerd door een van de twaalf dieren uit de Chinese dierenriem, die invloed zouden uitoefenen over de betreffende tijdspanne. De ‘takken’ corresponderen verder met een bepaalde windrichting (zie C.A.S. Williams, Outlines of Chinese symbolism & art motives. New York: Dover Publications, 1976, p. 411).

Veertien sonnetten, vii

De maan zit op mij
zit op de gracht zeven voet diep onder
het beddegoed – nu een lichte botsing
is het niet de brandende zon van Vincent van Gogh
dan misschien wuivende algen,
onrustige vissen. De maan zit op
de stille gewelfde brug, glurend naar

onze meerbenige baby
in gehijg en geklaag ontstaan
groeien, avonturen, sterven – nu
de geluiden van de boot die door het stilstaande water glijdt
vallen, als mijn gezicht dat bewonderend opkijkt,
als een reeks van vulkaaneilanden, één voor één uitbarstend,
in een nacht in Holland

(1973)

Veertien sonnetten, xi

Ik wil dat je de wind trotseert en komt, over
het paadje met verwelkte bergazalea’s, dat je
als een ster met je schoenen in de hand lichtvoetig
mijn uitgeputte park binnengluurt
of dat je een vuur maakt, en de herfst verbrandt
of beter nog dat je fruit bent, en in de middag
met je schaamrode middaggezicht
het uitgeputte herfstpark verbrandt
Ik wil dat je de wind trotseert en komt, door
mijn woedende aderen. Nu
ben je een blokkadebreker, koersend langs
vele gevaarlijke zandbanken, een ster die de wind
trotseert en komt ben je, door de gaten in mijn skelet
zingend en rennend in de pijlenregen. Ik wil dat je
door de waanzinnige wind naar mij toe komt rennen.

(1973)

Onverwachte bloem

Een onverwachte bloem
als een lied, verlaten
groeit in een vloedgolf van duisternis:
de uitvaart van de jaren is ten slotte toch beëindigd
Met de vleugels van een vleermuis, als een reïncarnatie
wordt de laatste brand in het herfstbos bedekt

De rouwstoet
verdwijnt vanuit de vorst
en de misthoorn
Een stervende ster
schreeuwt in de zuidelijke hemel bij de zee

En uiteindelijk is er ook wat as
een offer voor de tempel voor hem voor boeddha voor de put voor het nirvana
tranen eeuwigheid zulke abstracties, voor de trom van de schemering
de resterende aarzeling voedt een onverwachte bloem

Wachthouden

De paardebloemen van gisteren zijn al opgedroogd
De windbel luidt altijd voor de regen. Wie
seint er naar ons vanaf de andere oever?
In zo’n lente zal er niemand verdrinken
De buren zijn rustig, ik zie ook
niemand een reddingsboot uitzetten

Even heb ik het gevoel dat er iets ontbreekt –
de toren is er, de wijn en het maanlicht
zelfs het visserslied vanuit het riet
lijkt er te zijn. Ik voel alleen dat ik
de zin om wacht te houden heb verloren. Misschien
is het wel niet vanwege de klapwiekende vleugels
vanwege de rode kornoeljes op de berg
vanwege de berken

– Misschien is er echt iemand verdronken
Zo kijk ik even sprakeloos toe
hoe een watervliegtuig
rondcirkelt; dan voel ik me moe en verveeld

Zomer

Een sliertje rook
veel, heel veel groen
dansende muggen, witte lelies
meneer MacDonald rookt zijn pijp
en maakt het hek. Duizend en één vallende olmzaden

bij de vijver vol met groene algen

Omdat het bos te dicht is
lijkt de ijver van de specht
de donder die de avondregen aankondigt
Afgezien van deze kwart hectare
is bijna alles zieke verbrijzelde lucht

Flessenpost

Waar de zon nu ondergaat is het westen,
voorbij die cypressen daar. Het is vloed
op deze oever. Maar ik weet dat elke golf
begint bij Hualian. Toen
vroeg ik ooit verwonderd – zou er
in de verte een oever zijn?
Nu is die andere oever deze oever, met alleen
wat dwalend sterrenlicht

Ook nu is er alleen wat sterrenlicht
dat schijnt op mijn vermoeide verdriet
Uitvoerig ondervraag ik de woest aanrollende golven
– Herinneren jullie je de stranden van Hualian nog?

Ik vraag me af, een golf die bulderend stukslaat
op de stranden van Hualian, en omdraait,
zou die ook pas na tien zomers hier aankomen?
Ook dat is vermoedlijk het besluit van een moment,
omdraaien en in één tel gevormd, plotseling
spoelt eenzelfde golf
rustig over deze verlaten oever

Als ik stil zit te luisteren naar het tij
de vorm van elke golf observeer
en mijn eigen toekomst schets
Die kleine aan mijn linkerhand
is dat geen eendaags broedsel?
Die goedgevormde daar
dat is waarschijnlijk zeewier, en die grote
in de verte, misschien een vliegende vis
die zich door de zomernacht haast

Ik vraag me af, als een golf
deze verlaten oever overspoelt, moet
ik dan beslissen wat het beste is?
Misschien maar een andere golf worden
plotseling omdraaien en in één tel terugstromen
opgaan in de rustige zee
het strand van Hualian
overspoelen.

Maar als ik dan de zee in loop
verzwelgt de lichte massa niets, het water komt hoog op
Het strand van die andere oever wordt dan nog natter
Terwijl ik naar voren blijf lopen, zelfs verdrink
zeven voet west van deze verlaten oever,
vraag ik me af, zal Hualian, mijn Hualian,
in juni het gerucht van een vloedgolf verspreiden?
(juni 1974, Westport)

Door een perzikbloesembos

Terwijl ik door een perzikbloesembos ga, verandert verlatenheid
plotseling in een eenzame avondster, schitterend op een verre bergtop
De nacht is niet te houden! Gevallen bladeren verlaten de lege berg
drijvend als kleurloze wolken
Iemand speelt fluit aan de rivieroever, eenzaam schijnt het avondrood
Tuinregen als wilgen in maart, huilde jij ooit in de wind

Geen dwalen meer, niet meer
Terwijl ik door een perzikbloesembos ga, schijnt
eenzaam het avondrood – schijnt op een gebroken blad
Ik ga onder deze boom liggen waar je mij kunt vinden
want mijn verlatenheid is die ster
Kom snel de rivier over om mij te vinden, mij te vinden

(maart 1962)

Op reis

– Ik wil de lucht doorklieven maar heb geen vleugels – Meng Jiao

Op de koudste, donkerste ochtend van de zomer
voordat de zon naar die hoek rijst en
in staat is haar gordijnen te verwarmen
sluipt de kat van de buren over
de tuin met klaver, springt op de picknicktafel
kijkt omhoog naar binnen, vertrapt bedauwde bloemenkleur
ziet haar een leren koffer pakken
lichte kleding, verrekijker, boeken

Ze zet haar handtas op de koffer, zittend op
het voeteinde van het bed denkt ze afwezig aan iets of
misschien niet aan iets maar aan heel veel. In het huis
deinen mensenschaduwen als een interstellaire mythische oorlog
Je kunt zelfs de echo horen van de getijden tussen de vier muren
bonzend op de geheel liefdevolle ruimte, ook is er
het gefluit van de bulderende wind door de bossen
rollend van de velden met wilde paddestoelen, het donkere
dal instromend, vogels en beesten schrikken schreeuwend op
vliegen en rennen richtingloos weg

Alles stopt abrupt, ze staat op en loopt snel
naar het raam. De kat van de buren op de picknicktafel
rekt zich uit onder de sterke stralen van de zon, kromt zich
en ontspant weer, een heilige, rustige essentie
Ze glimlacht naar de koude, draait om en kijkt in de spiegel
karmozijnen lippen in een nieuwsgierig gezicht, knipoogt
pakt de kofer op, de tas met een koperen belletje op haar schouder
opent de deur, gaat naar buiten, doet hem zachtjes dicht en op slot
en loopt op tijd naar de straathoek om op de bus te wachten, koel en donker…
Daar in de verre wereld is het heet en helder

(1984)

Ranch in de regen

Windgeërodeerde watertjes tekenen
de braakgrond van een onbekend land
Iemand leunt tegen een hek
speelt zacht fluit
Een ondiepe beek stroomt door jouw geliefde
bananenplantage, en de glanzende brug

Het regenseizoen stroomt strepen van keien
op mijn lichaam, ik kijk hoe een kudde bonte paarden
hinnekend in de regen door de dorre
plantage van mijn droom gallopeert
Leunend op het hek verrot ik ook
word een grenspaal van de ranch
alleen wat vochtiger
melancholieker

(1963)

Ling Yu, gedichten

Ze houdt van de bizarre Li Bai én van de zwaarmoedige Du Fu. Ze kan net zozeer gegrepen worden door de eenvoud in de poëzie van Tao Yuanming (vierde eeuw), door een schilderij van de excentrieke Badashanren (achttiende eeuw) of van Georgia O’Keeffe, als door een complex werk als dat van Frida Kahlo of van de tiende-eeuwse dichter Li Houzhu. Ze wordt gefascineerd door analytische schrijvers als Jorges Luis Borges en Cao Xueqin (De droom in de rode kamer) én door meer grillige als Zhuang Zi – wiens werk en persoon ze overigens als een hoogtepunt van de Oost-Aziatische esthetiek beschouwt.


Ook in haar poëzie komt Ling Yu (Taiwan, 1952) naar voren als iemand die houdt van tegenstellingen en paradoxen. Voortdurend staat licht tegenover donker, dag tegenover nacht, vrijheid tegenover gevangenschap, de kluizenaar tegenover de maatschappij, rotsen tegenover water: ‘Ik wil dromen maar niet slapen / ik wil lopen maar zonder voeten’.

Haar stijl is standvastig. In de bedachtzame gedichten die Ling Yu selecteerde voor Rotterdam Poetry International (2004) registreert ze gevoelens en indrukken in alle eenvoud en zuiverheid, zoals ook blijkt uit het relatief spaarzame gebruik van bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden. In dit werk speelt het landschap een belangrijke rol, en daarmee kiest Ling Yu er duidelijk voor om zichzelf binnen de traditie te plaatsen van de klassieke Chinese landschapspoëzie, die vaak wordt beschouwd als het summum van de gehele Chinese literaire traditie. Kenmerkend voor dergelijke landschapsgedichten is dat de dichter de grootsheid van het landschap wil laten zien en tegelijkertijd zijn persoonlijke gevoelens en ideeën van een bepaald moment wil uitdrukken – het landschap als spiegel van de ziel.

van de landkaart verdwenen namen

de berg peng

het is nog ver naar de berg peng –
de droom loopt over de grond, ontsnapt
onder langs de ramen van het wooncomplex

talloze emigranten stromen de berg peng op. late herfst
een gevangen zwartgroene vogel
ligt op een ijzeren plaat
boven een jonge boomstronk
– de twee poten van zijn kinderjaren
hebben ooit sporen op diens borst achtergelaten – en
een vlam die als een pony galoppeert

zwartgroene vogel, zijn veren sterven als eerste
daarna zijn ogen daarna zijn taal

vanaf de ijskoude voorde is de berg peng
niet ver
jachtige mensen bezetten elk
winternest. zo wordt er dus
gedroomd. gedroomd van een zwartgroene vogel
die klapwiekend uit het bos opvliegt, zich omdraait
en tegen de droom praat

de afgrond van yu
– volgens een legende is de afgrond van yu, ook wel de gevederde afgrond geheten, de plaats waar de zon ondergaat

naar de afgrond van yu om de gevangengenomen zon te bezichtigen
die nimmer gezagsgetrouwe vleugels zijn zijn
misdaad

zijn veren rollen een hoekje van het donker op, bloedend
scherpe speerpunten hebben vitale delen stevig vastgebonden
hij zegt dat ademhalen zelfs in zijn slaap
pijn doet

maar zelfs als hij zijn vleugels opgeeft, zelfs als
de lucht niet zou kunnen verdragen
dat een hoofd droomt
luistert mijn hals nog altijd: het blanke schilderij
dat zich door de nacht heeft gebaand
roept me

de yangpas
– blij de ochtend te zien na een slapeloze nacht

als eerste zit een grote vogel ik weet niet waarom aan de overkant
te roepen daarna scheert een gevleugeld ding op hoge snelheid
over de hoek van het huis dageraad dat witte paard stormt
indrukwekkend de kamer binnen en heft zijn lichtgevend
voorhoofd

ik loop langs een dorp en nog een
dorp, vermoeid
maar kan niet slapen
dagelijks komt er in mijn aantekeningen zo’n
raspaard opdagen. Maar
de beste hengst, de beste naar verluidt,
komt op in het westen bij de yangpas daar is er één
ten minste één die vleugels heeft en
mensentaal begrijpt

en lange, lange tijd deed ik nooit mijn mond open
om te praten, al moedigde je me steeds weer tot drinken aan
vurig en een paar keer hebben mensen met touwen
in mijn voeten gesneden

aria’s voor het eiland Guishan I

1
iemand
ligt op het grijs fluwelen zeeoppervlak
bedekt door een grijs fluwelen wolkendek
ik kijk naar haar gezicht
elegant en ontspannen
hoewel ik niets anders kan zien

ik lig in een pikzwarte tunnel
ga met de trein vooruit
ze kijkt naar mijn profiel
tenslotte kan ze mijn lichaam niet zien

maar we kijken hoe dan ook naar elkaar
hoewel we niet veel meer kunnen zien dan dit

langzaam wordt het donker
langzaam wordt het licht
lichtstralen komen en gaan, net zo
strijken ze over onze lichamen

in onze dromen
wisselen we vele lichaamshoudingen uit
en waarschijnlijk reiken onze handen naar elkaar

maar toch ligt het grijze fluweel nog altijd over je heen
toch ga ik nog altijd een pikzwarte tunnel in

(is hier bij mij de herfst kouder
of daar bij jou?)

2
zoals land zich tot eiland verhoudt
eiland tot rif
rif tot eenzaamheid

zoals rotsen zich tot zwak water verhouden
geheel tot deel

zo zie ik jou altijd
op het moment dat je plotseling je hoofd heft
aangevallen door het weer met mist en regen
totdat je onzichtbaar bent

maar je bent permanent daar
een gapende wond

– zoals eenzaamheid het rif verlaat
het rif het eiland verlaat
het eiland het land
het zwakke water de rotsen weerstaat
het deel het geheel verraadt

de uitgestrekte zee spoelt aan
en af
ben je permanent daar, verzonken
in zonderlinge overpeinzingen?

om op dit moment over eeuwigheid te praten
(… zoals een zee zich tot een zee verhoudt)
het is moeilijk praten
over de afstand daartussen

3
kluizenaar, verberg je je in de zee
of ben je buiten de collectieve samenleving gesloten?

vrij van integriteit
vrij van eenzaamheid
vrij van collectief verraad
je bent enkel het achteraanzicht van een glimzijde
een donkerzijdige omdraaiing

met je gezicht naar boven lig je ontspannen
alsof daar
het evenwicht tussen hemel en aarde is

wanneer de treinen collectief de angstkreten
en identificaties van de passagiers meebrengen (hun
lot is verbonden…)
hef je je hoofd noch verberg je je

jij bent enkel een klein landje
dat zelf, vanzelf ontstaat en vergaat

4
soms ben je voor mij
een kleur
naamwoord
parallel spoor

soms meet ik met mijn tranen
de afstand tussen ons
de dagen zijn wat langer de nachten wat korter
het is zomer de schemering is wat langer
het middaguur wat korter het is herfst

soms ben ik ook bang
(het grootste deel van de tijd)
dat dit rustige wateroppervlak
met ademhalen is gestopt
en dat jij enkel een wond bent
die openbaar wordt gemaakt

ik verwissel mijn lange jurk voor iets korts
denk aan veranderen en niet veranderen zulke
schijnbaar gelukkige schijnbaar
irrelevante problemen

maar het licht is gekomen, je schittert
als een kiem in de lente, danst dartel
vanuit een oude creatie, verrijst keer op keer
een geheel nieuwe boomschaduw die als een paraplu ontvouwt

ik loop naar voren, jij loopt ook naar voren
zoals vroeger, lente
zomerzonnewende, herfstequinox…
nogmaals
zie ik –
een gedeelte van mezelf
in stukken worden gesneden, weggegooid
de verre oceaan op geduwd

ik wek
een ander stuk oceaan
– daar is een raam
op een niet al te verre plaats in de verte

aria’s voor het eiland Guishan II

1
we zijn al gevallen
in de zwarte zee, geramd door het land
dat ons van ver heeft nagejaagd

maar die andere oever, op die oever
bruist een mensenstroom – een andere brand
is daar gaande

dan leg ik me maar neer
met geheven hoofd verbeeld ik me
in een stuk gouden grond te veranderen
laat de golven van het fin de siècle tegen
mijn twee voetpeddels slaan

2
ja, we zijn allemaal drijvende

hoe dichterbij de armen van het land komen
hoe verder we wegdrijven

van zee komt een stem
vergezeld van een licht

een dageraad komt van binnenuit omhoog
verlicht eerst de zee
en keert dan terug naar het aardoppervlak

nacht noch dag klopt zacht
de klopper van onze geheime kamer

duizenden organismen, slapend noch wakker,
beginnen te bewegen, tekenen onze
drijvende contouren af

steeds verder steeds dieper steeds scherper

3
het oude land verdwijnt langzaam achter mijn rug
vóór mij is een turquoise zee

op zweefsnelheid kruis ik
de getijden, dag en nacht
het oude stuk grond onder mijn voeten is al helemaal vernieuwd

ik wil dromen maar niet slapen
ik wil lopen maar zonder voeten
ik acteer, ik speel geen zonen en dochters
geen vadertje en moedertje, ik ben geen vriendelijke gelovige
geen glimlachende buurvrouw
nee, nee…

ik ben slechts een zwemmer
met een geheime koers
in het centrum van deze zee, ergens
geeft een piano een blauw geluid
opent een richting – die de richting
kruist waarin ik zwem

repetitie van Genesis, eerste bedrijf

1
is het weer tijd om te repeteren?
ik loop naar het andere eind van de steeg
kom iemand tegen. en weet
dat ik niet nog
een ander zal tegenkomen
zij moeten uit mijn lichaam geboren worden
naar een andere straat gaan
een ander steegje
een andere buurt
een andere zee, eiland

2
ik zal op het strand mensen ontmoeten
ze verzamelen en in boten veranderen
de boten netjes rangschikken en in eilanden veranderen
van de eilanden springplanken maken die in gehuchten veranderen
in de gehuchten liggen onder de grond dierbare spullen begraven
gedurende mijn hele leven graaf ik ze op
en word goede vrienden met het land

3
ik zal een vlieger bedenken waarop ik mijn lichaam
zal plaatsen bovendien zal ik een gezichtspunt bedenken
om van boven naar beneden te kijken, en nog een ladder
om naar believen uit mijn zak te halen en terug naar de aarde te keren
ik weet dat tranen een geschenk van de hemel zijn
ik begin ze op te slaan en dagelijks spaarzaam te gebruiken

een stem die mij ook kan behagen
zijn de woorden van god, als hij altijd
in de wieg blijft en niet opgroeit
luistert alles naar mijn instructies
als ik naar de rivier loop is er een brug
als ik naar de velden loop is er een ploeg en een hark
de mensen die ik heb gebaard bezetten de wereld
laten een traan, met een regenboog groeten we
elkaar

4
altijd als het licht wordt maar nog niet licht is, donker wordt
maar nog niet donker is, komen er vanuit een onbekende verte
ingestudeerde berichten
de poort van de hemel gaat daarmee open en dicht
het doek gaat daarmee op en valt
ik kom vanuit het andere eind van de steeg aanlopen
(op dat moment gaat god haastig
op de zegenwolk staan)

ik ga de hoek van de steeg om, zie
de persoon uit het begin
wachten op de plaats uit het begin
vrolijk komen we elkaar tegen
ik laat hem mijn lichaam in gaan
daarna zal ik het strand zien
de boot steekt de rivier over en keert terug naar zijn geboorteplaats
de wereld rondkijkend ben opnieuw alleen ik overgebleven
maar ik weet dat ik nog verder moet gaan
naar die buurt, naar dat steegje, die straat
die zee, dat eiland

5
uiteindelijk loop ik de trappen af
ga het voorste deel van het podium op
er zijn hoe langer hoe meer mensen (en god
staat in zijn gewone kleren in hun midden!)
maar dat is het tweede bedrijf

Zhang Zao, gedichten

De stoelen gaan in de winter zitten…

De stoelen gaan in de winter zitten, drie
in totaal – de kou is de spier –
ze staan in één lijn opgesteld,
panisch voor logica. Onder de engelen
zijn er geen drie die
erop zouden kunnen gaan zitten, wachtend
op de kapper die over de ijsrivier schaatst, hoewel
er vóór nog altijd een grote spiegel is,
een ekster klein muntgeld opruimt.

Het weefgetouw van de wind weeft de omgeving.
De baas is een leegte, ver weg
staat hij in een buitenwijk, warmte uitwasemend,
met zware wenkbrauwen en grote ogen telt hij de stoelen:
zonder het aan te raken kan hij
het midden wegnemen,
als hij de linkerstoel
helemaal naar rechts verplaatst, onophoudelijk –

zo’n moordenaar in het hart
van het al. Plotseling
is de vierde stoel die zich misschien onder
de drie bevindt, de enige echte,
ook in de winter gaan zitten. Zoals die winter…
… dat ik van je hield.

Magnolia

Lief middaguur, de magnolia droomt sereen met gebogen voorhoofd
ze droomt van mij als een spook dat op zijn tenen vóór haar loopt
in mijn handen ziet ze een kan water die voor anderen vergif is
ik bespeur geen greintje angst in haar gezichtsuitdrukking
wanneer ze aanvoelt hoe ik van mijzelf walg
vreselijk walg van dit bloed, deze zenuwen, poriën, de vorm
van mijn oren en mijn bekrompenheid; in een flits beseft ze
dat ik heus maar een mens ben; even later herinnert ze zich weer
dat ik vanuit het raam andere mensen heb bekeken, lichten heb aangedaan
via een deur een diepere plek in en uit ben gegaan
dan doet ze of ze haar bloemen laat vallen, of benut
een zachte windvlaag in de blauwe lucht, een donderslag, om mij
uit haar verdroogde hart, uit haar huid te dansen

Eindeloos

Bovenverdieping, talenlab.
De herfst verschijnt met een knal,
heldere stralen geven de vier muren nieuw kosmosglas,
Iedereen draagt koptelefoons, gezichten eensgezind als jade.

De zwangere lerares luistert mee. Een kostbare reliek van
gonzende stemmen:
‘Avondkrant, avondkrant’, het bandje piept fast forward om de aarde
nerveuze woorden sterven met tegenzin uit, zoals straatscènes en
bronnen, zoals buitenaardse bezoekers stilstaand aan een grens
over de avondgloed strijken, abrupt laten ze een rol brokaat neer:
leegte is minder dan een bloem!

Ze kijkt eens naar de nieuwe situatie
om zich heen, iedereen zit met een weefgetouw in de mond,
is bezig mompelend hetzelfde
goede verhaal te vertellen.
Iedereen is in luisteren verzonken,
Iedereen ontbloot zijn organen, werkt,

volledig onbewust.

Metroharp

Of laten we dan onderweg stoppen, aan geen van beide kanten
licht te zien, het bestek van de restauratiewagen rinkelt sinister
Of laten we dan naar buiten de begane grond op lopen
wandelende lijken op liften

Ik ben nog altijd je bruidegom. Tegen de dertig
doen mijn wijsvingers hun best om dikker te worden. In mijn zak
zit een dronken kiwi weggestopt
Ik, deeltje mensheid, mysterieuzer dan een vlam

kom tien jaar later van ver naar buiten de begane grond op lopen
schuifel naar een trillende tafel om jou
een liefdesbrief te schrijven. Een Californisch acht-uur-mantelpakje
met wat gesuikerd zonlicht likt aan de blauwe kringen om je ogen

Je loopt de begane grond op, wanneer ik de bloemenvaas uit de weg zet
plakt de schaduw van de evolutie aan de hielen van de vrolijk gekleurde
maskers. De avondklok weergalmt, legt zich neer
in een omgestoten beker melk: o, harp

De melkharp spant haar snaren stevig naar de aarde
Wanneer ik vergeefs aan het hoofd van het bed ga zitten lijk ik
de locomotief te raken die op jou af raast
hij speelt als een vreemd beest een geïsoleerde werkelijkheid

Brief uit de tijd

1
Aan de achterkant van deze tijdruimte, daar is mijn huis,
het heeft een witte vlag gehesen in een andere stad.
Het is nog geen dag, de slapende sluizen laten een paar
beladen vrachtwagens door, als een dinosaurus in de bocht
verscheuren ze iets, iets wat er eerst helemaal niet was.
Ik ontwaak.
Een groene knoop rolt van mijn lichaam.

2
Onze groene knoop, eeuwige overtolligheid.

Wolken bouwen Shanghai op.
Een blauwdruk in mij wacht
om een steentje bij te dragen. Ik schuif naar een lichte plek,
daar komt even een kraanvogel in beeld. Jouw brief
staat midden in de kamer in een bundel zonlicht, de veren gladgestreken –
zeker, een generaal pardon is onnodig. Uit kleine witte kool,
erwtenscheuten en waskalebas dat ene inzicht halen,

om corpulentie en machines af te sluiten –
sterk aangetrokken
door de tegenstrijdigheden in jou ga ik voor het raam staan.
April is glashelder, als de reflectie van sterkedrank,
de straatscènes zijn bevend gecombineerd tot diepzinnige proporties.
Zeker, ik kan de realiteit niet wakker schreeuwen. En jouw stem
reikt zo ver als mijn zicht strekt: ‘Ik,

dat ben jij! Ook ik drijf in deze tijdruimte.
De bouwplaats wordt dan opgeblazen, hier bij mij
waarschuw ik met deze gongslagen. Trek voorbij,
neem deze gong, hij is alles wat je hebt verzuimd.’

3
Ik raap de groene knoop van de grond op, blaas erover.
En ga me met mijn eigen zaken bezighouden.
Op rustige tijden
denkt de postbode die onder het raam passeert dat ik mijn portret ben;
soms leun ik doezelend op de tafel,
mijn handen uitgestrekt in de ruimte, als in een paar handboeien,

waar, waar is toch onze precisie?
… groene knoop.

Een sleutel voor C.R.

Tienduizend ton donker. Terug naar huis bollen onze kleren op door de westenwind.
Een glas water staat apart op het boekenrek.
Onzichtbaar in de uitgestrektheid richt een zwaluw
zich op een muntstukje ver weg en trekt verder,
maar wij zijn opgesloten in de herinnering aan de schaduw van de berg buiten het huis.
Jouw naaktheid overstroomt de veranda,
rondom trekt de nacht van de zwarte magneet als een denker aan

de uitgestrektheid. De sleutel zuigt aan de wereld.
Een fout bezorgde luchtpostbrief gaat tussen jou en mij heen en weer.
‘Groot,’ mompelt de brief, ‘groot’,

de vlammen springen op: ah, de brief groeit onmetelijk,
hij maant ons in hem te gaan wonen.
Je braakt van dronkenschap, ik schrijf een gepolijst antwoord,
mijn schaduw draagt twee velletjes papier, alsof
ik mijn dankbare en misvormde vleugels uitsla.

Gezelschap

Feestdag, ik hoor hem mij uitschelden.
Zijn rechter oogwit trekt rechts aan zijn kin,
terwijl hij naar rechtsboven kijkt, en hij blijft mij uitschelden.
Hij eet aldoor noedels en scheldt mij uit.
Hij trekt een wit shirt aan, steekt zo ver hij kan zijn hoofd uit het raam,
stopt een vulpen die bij het zonnige weer past in zijn jaszak,

hij wil bij mij op bezoek komen. Via de bazaar en de veldpaden,
het zwembad en de walnootbomen. Hij is bang te verdwalen,
terwijl hij loopt maakt hij een grote bos sleutels los,
steekt ze onderweg één voor één in voor hem veelbetekende punten.

De wind zegt dat hij dichterbij komt. We gaan zitten kletsen.
Uit zijn linkeroog valt langzaam een heel klein beetje zwart.
Maar het is al te laat, want
een vreemdeling glipt het huis binnen, wist het
als een gummetje uit voor hij naar buiten glipt

en onderweg ruimt hij die paar tekens op –

zodat de schemering kan arriveren. We zitten nog steeds hier.
Zou er nog een ander paar ogen zijn?
Van achteren gezien heb ik een vredige rug, licht gebocheld;
van voren gezien ben ik een zittende zwaluw,
een zwaluw in kleermakerszit.

De terdoodveroordeelde en de weg

Van de hoofdstad naar de wilde grasvlakte,
oneindigheid, maar mijn hoofd
zit vastgeklemd in een groot schandbord, mijn stem
is met touwen op de rug gebonden, op de veldpaden
tonen klokjesbloemen de dood,
bekronen een ascetische reiziger
met een soort betekenis;

ik loop,
onvermijdelijk moet ik ooit sterven, dit is nu eenmaal
geen politiek. Als ik dorst heb,
schets ik een kleine bosfee:
huppelende borsten, een friszachte vreemdheid,
een reekalf als een lemmet,
rennend langs een naamloos watertje,
houdt de sonore schaduw in bedwang;

als ik slapeloos ben
verbeeld ik me smaakvol
dat ik aan het slapen ben,
heel zwaar;

als ik bang ben, als ik bang ben,
veronderstel ik als vanzelfsprekend
dat ik al gestorven ben, dat ik
een dood ben gestorven, en bovendien

alles heb meegenomen dat ik aan het bekijken was:
de proletarische gevoelens van een vervaald landschap,
een restaurant, een veerboot, een ijsvogel,
enkele overvloedige landen van buiten hier,
enkele slonzige, mahjong spelende hoeren,
enkele wilde tijgers die als versleten sokken
buiten de mens zijn gegooid
en de schaduw van een pagode buiten de verte,

nog wat verder is die kleine bosfee,
het verfijnde, melodieuze moedertje, wier kindernaam
geroepen kan worden, haar wereld geurt dwarrelend

net zoals iedereen,
een droom van iemand op weg naar de dood,
een droom van een mens buiten mensen,
is niet puur, net zoals pure poëzie.

Rand

Zoals een tomaat zich aan de rand van een weeghaak verbergt, ligt hij
altijd. Iets flitst voorbij, een waarschuwing of een zwaluw, maar hij
beweegt totaal niet, blijft naast de kleine dingen. Wanneer de uurwijzer
precies tien uur aanwijst, verdwijnt de wekker in de verte; zo ook
een sigaret, enkele vervormde blauwe handboeien met zich meenemend.
Zijn bril, wolken, een Duits slot. Kortom, wat niet was vertrokken
is nu weg.
Leegte, vergroot. Hij is verder verwijderd, maar nog altijd
op een rand: een tandwielrand, een waterrand, zijn eigen
rand. Van tijd tot tijd kijkt hij naar de lucht, zijn wijsvinger omhoog,
oefent een iele, wilde kalligrafie: ‘Kom terug!’
En inderdaad, wat uit zijn vorm was geraakt keert er weer naar terug:
de ramen in de nieuwe wijk zijn vol met avondwind,
de maan brouwt een grote emmer gouden bier;
de weeghaak slaat heftig door, daar: eindeloos
als een gekalmeerde leeuw
ligt hij naast die tomaat.

Dobbelsteen

In den beginne was enkel de dobbelsteen –

Zes kanten, zes spiegels,
zes bruiden, één verschijning.
Zes gevallen bloemen worden tegelijk opgeruimd,
meer dan tien op buiken hangende melkkamers.
De bruiden zitten, holle frustraties.

Waar je voelt dat donder en regen een gordijn zijn,
daar is zo’n kamer,

daar,
daar valt de dobbelsteen altijd in zulke herhalingen:

Zeg: ‘Er is geen ik.’
– Goed, er is geen jij.
Nee, zeg: ‘er is geen jij.’
– Goed, er is geen ik.