Ling Yu, gedichten

Ze houdt van de bizarre Li Bai én van de zwaarmoedige Du Fu. Ze kan net zozeer gegrepen worden door de eenvoud in de poëzie van Tao Yuanming (vierde eeuw), door een schilderij van de excentrieke Badashanren (achttiende eeuw) of van Georgia O’Keeffe, als door een complex werk als dat van Frida Kahlo of van de tiende-eeuwse dichter Li Houzhu. Ze wordt gefascineerd door analytische schrijvers als Jorges Luis Borges en Cao Xueqin (De droom in de rode kamer) én door meer grillige als Zhuang Zi – wiens werk en persoon ze overigens als een hoogtepunt van de Oost-Aziatische esthetiek beschouwt.


Ook in haar poëzie komt Ling Yu (Taiwan, 1952) naar voren als iemand die houdt van tegenstellingen en paradoxen. Voortdurend staat licht tegenover donker, dag tegenover nacht, vrijheid tegenover gevangenschap, de kluizenaar tegenover de maatschappij, rotsen tegenover water: ‘Ik wil dromen maar niet slapen / ik wil lopen maar zonder voeten’.

Haar stijl is standvastig. In de bedachtzame gedichten die Ling Yu selecteerde voor Rotterdam Poetry International (2004) registreert ze gevoelens en indrukken in alle eenvoud en zuiverheid, zoals ook blijkt uit het relatief spaarzame gebruik van bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden. In dit werk speelt het landschap een belangrijke rol, en daarmee kiest Ling Yu er duidelijk voor om zichzelf binnen de traditie te plaatsen van de klassieke Chinese landschapspoëzie, die vaak wordt beschouwd als het summum van de gehele Chinese literaire traditie. Kenmerkend voor dergelijke landschapsgedichten is dat de dichter de grootsheid van het landschap wil laten zien en tegelijkertijd zijn persoonlijke gevoelens en ideeën van een bepaald moment wil uitdrukken – het landschap als spiegel van de ziel.

van de landkaart verdwenen namen

de berg peng

het is nog ver naar de berg peng –
de droom loopt over de grond, ontsnapt
onder langs de ramen van het wooncomplex

talloze emigranten stromen de berg peng op. late herfst
een gevangen zwartgroene vogel
ligt op een ijzeren plaat
boven een jonge boomstronk
– de twee poten van zijn kinderjaren
hebben ooit sporen op diens borst achtergelaten – en
een vlam die als een pony galoppeert

zwartgroene vogel, zijn veren sterven als eerste
daarna zijn ogen daarna zijn taal

vanaf de ijskoude voorde is de berg peng
niet ver
jachtige mensen bezetten elk
winternest. zo wordt er dus
gedroomd. gedroomd van een zwartgroene vogel
die klapwiekend uit het bos opvliegt, zich omdraait
en tegen de droom praat

de afgrond van yu
– volgens een legende is de afgrond van yu, ook wel de gevederde afgrond geheten, de plaats waar de zon ondergaat

naar de afgrond van yu om de gevangengenomen zon te bezichtigen
die nimmer gezagsgetrouwe vleugels zijn zijn
misdaad

zijn veren rollen een hoekje van het donker op, bloedend
scherpe speerpunten hebben vitale delen stevig vastgebonden
hij zegt dat ademhalen zelfs in zijn slaap
pijn doet

maar zelfs als hij zijn vleugels opgeeft, zelfs als
de lucht niet zou kunnen verdragen
dat een hoofd droomt
luistert mijn hals nog altijd: het blanke schilderij
dat zich door de nacht heeft gebaand
roept me

de yangpas
– blij de ochtend te zien na een slapeloze nacht

als eerste zit een grote vogel ik weet niet waarom aan de overkant
te roepen daarna scheert een gevleugeld ding op hoge snelheid
over de hoek van het huis dageraad dat witte paard stormt
indrukwekkend de kamer binnen en heft zijn lichtgevend
voorhoofd

ik loop langs een dorp en nog een
dorp, vermoeid
maar kan niet slapen
dagelijks komt er in mijn aantekeningen zo’n
raspaard opdagen. Maar
de beste hengst, de beste naar verluidt,
komt op in het westen bij de yangpas daar is er één
ten minste één die vleugels heeft en
mensentaal begrijpt

en lange, lange tijd deed ik nooit mijn mond open
om te praten, al moedigde je me steeds weer tot drinken aan
vurig en een paar keer hebben mensen met touwen
in mijn voeten gesneden

aria’s voor het eiland Guishan I

1
iemand
ligt op het grijs fluwelen zeeoppervlak
bedekt door een grijs fluwelen wolkendek
ik kijk naar haar gezicht
elegant en ontspannen
hoewel ik niets anders kan zien

ik lig in een pikzwarte tunnel
ga met de trein vooruit
ze kijkt naar mijn profiel
tenslotte kan ze mijn lichaam niet zien

maar we kijken hoe dan ook naar elkaar
hoewel we niet veel meer kunnen zien dan dit

langzaam wordt het donker
langzaam wordt het licht
lichtstralen komen en gaan, net zo
strijken ze over onze lichamen

in onze dromen
wisselen we vele lichaamshoudingen uit
en waarschijnlijk reiken onze handen naar elkaar

maar toch ligt het grijze fluweel nog altijd over je heen
toch ga ik nog altijd een pikzwarte tunnel in

(is hier bij mij de herfst kouder
of daar bij jou?)

2
zoals land zich tot eiland verhoudt
eiland tot rif
rif tot eenzaamheid

zoals rotsen zich tot zwak water verhouden
geheel tot deel

zo zie ik jou altijd
op het moment dat je plotseling je hoofd heft
aangevallen door het weer met mist en regen
totdat je onzichtbaar bent

maar je bent permanent daar
een gapende wond

– zoals eenzaamheid het rif verlaat
het rif het eiland verlaat
het eiland het land
het zwakke water de rotsen weerstaat
het deel het geheel verraadt

de uitgestrekte zee spoelt aan
en af
ben je permanent daar, verzonken
in zonderlinge overpeinzingen?

om op dit moment over eeuwigheid te praten
(… zoals een zee zich tot een zee verhoudt)
het is moeilijk praten
over de afstand daartussen

3
kluizenaar, verberg je je in de zee
of ben je buiten de collectieve samenleving gesloten?

vrij van integriteit
vrij van eenzaamheid
vrij van collectief verraad
je bent enkel het achteraanzicht van een glimzijde
een donkerzijdige omdraaiing

met je gezicht naar boven lig je ontspannen
alsof daar
het evenwicht tussen hemel en aarde is

wanneer de treinen collectief de angstkreten
en identificaties van de passagiers meebrengen (hun
lot is verbonden…)
hef je je hoofd noch verberg je je

jij bent enkel een klein landje
dat zelf, vanzelf ontstaat en vergaat

4
soms ben je voor mij
een kleur
naamwoord
parallel spoor

soms meet ik met mijn tranen
de afstand tussen ons
de dagen zijn wat langer de nachten wat korter
het is zomer de schemering is wat langer
het middaguur wat korter het is herfst

soms ben ik ook bang
(het grootste deel van de tijd)
dat dit rustige wateroppervlak
met ademhalen is gestopt
en dat jij enkel een wond bent
die openbaar wordt gemaakt

ik verwissel mijn lange jurk voor iets korts
denk aan veranderen en niet veranderen zulke
schijnbaar gelukkige schijnbaar
irrelevante problemen

maar het licht is gekomen, je schittert
als een kiem in de lente, danst dartel
vanuit een oude creatie, verrijst keer op keer
een geheel nieuwe boomschaduw die als een paraplu ontvouwt

ik loop naar voren, jij loopt ook naar voren
zoals vroeger, lente
zomerzonnewende, herfstequinox…
nogmaals
zie ik –
een gedeelte van mezelf
in stukken worden gesneden, weggegooid
de verre oceaan op geduwd

ik wek
een ander stuk oceaan
– daar is een raam
op een niet al te verre plaats in de verte

aria’s voor het eiland Guishan II

1
we zijn al gevallen
in de zwarte zee, geramd door het land
dat ons van ver heeft nagejaagd

maar die andere oever, op die oever
bruist een mensenstroom – een andere brand
is daar gaande

dan leg ik me maar neer
met geheven hoofd verbeeld ik me
in een stuk gouden grond te veranderen
laat de golven van het fin de siècle tegen
mijn twee voetpeddels slaan

2
ja, we zijn allemaal drijvende

hoe dichterbij de armen van het land komen
hoe verder we wegdrijven

van zee komt een stem
vergezeld van een licht

een dageraad komt van binnenuit omhoog
verlicht eerst de zee
en keert dan terug naar het aardoppervlak

nacht noch dag klopt zacht
de klopper van onze geheime kamer

duizenden organismen, slapend noch wakker,
beginnen te bewegen, tekenen onze
drijvende contouren af

steeds verder steeds dieper steeds scherper

3
het oude land verdwijnt langzaam achter mijn rug
vóór mij is een turquoise zee

op zweefsnelheid kruis ik
de getijden, dag en nacht
het oude stuk grond onder mijn voeten is al helemaal vernieuwd

ik wil dromen maar niet slapen
ik wil lopen maar zonder voeten
ik acteer, ik speel geen zonen en dochters
geen vadertje en moedertje, ik ben geen vriendelijke gelovige
geen glimlachende buurvrouw
nee, nee…

ik ben slechts een zwemmer
met een geheime koers
in het centrum van deze zee, ergens
geeft een piano een blauw geluid
opent een richting – die de richting
kruist waarin ik zwem

repetitie van Genesis, eerste bedrijf

1
is het weer tijd om te repeteren?
ik loop naar het andere eind van de steeg
kom iemand tegen. en weet
dat ik niet nog
een ander zal tegenkomen
zij moeten uit mijn lichaam geboren worden
naar een andere straat gaan
een ander steegje
een andere buurt
een andere zee, eiland

2
ik zal op het strand mensen ontmoeten
ze verzamelen en in boten veranderen
de boten netjes rangschikken en in eilanden veranderen
van de eilanden springplanken maken die in gehuchten veranderen
in de gehuchten liggen onder de grond dierbare spullen begraven
gedurende mijn hele leven graaf ik ze op
en word goede vrienden met het land

3
ik zal een vlieger bedenken waarop ik mijn lichaam
zal plaatsen bovendien zal ik een gezichtspunt bedenken
om van boven naar beneden te kijken, en nog een ladder
om naar believen uit mijn zak te halen en terug naar de aarde te keren
ik weet dat tranen een geschenk van de hemel zijn
ik begin ze op te slaan en dagelijks spaarzaam te gebruiken

een stem die mij ook kan behagen
zijn de woorden van god, als hij altijd
in de wieg blijft en niet opgroeit
luistert alles naar mijn instructies
als ik naar de rivier loop is er een brug
als ik naar de velden loop is er een ploeg en een hark
de mensen die ik heb gebaard bezetten de wereld
laten een traan, met een regenboog groeten we
elkaar

4
altijd als het licht wordt maar nog niet licht is, donker wordt
maar nog niet donker is, komen er vanuit een onbekende verte
ingestudeerde berichten
de poort van de hemel gaat daarmee open en dicht
het doek gaat daarmee op en valt
ik kom vanuit het andere eind van de steeg aanlopen
(op dat moment gaat god haastig
op de zegenwolk staan)

ik ga de hoek van de steeg om, zie
de persoon uit het begin
wachten op de plaats uit het begin
vrolijk komen we elkaar tegen
ik laat hem mijn lichaam in gaan
daarna zal ik het strand zien
de boot steekt de rivier over en keert terug naar zijn geboorteplaats
de wereld rondkijkend ben opnieuw alleen ik overgebleven
maar ik weet dat ik nog verder moet gaan
naar die buurt, naar dat steegje, die straat
die zee, dat eiland

5
uiteindelijk loop ik de trappen af
ga het voorste deel van het podium op
er zijn hoe langer hoe meer mensen (en god
staat in zijn gewone kleren in hun midden!)
maar dat is het tweede bedrijf

Zhang Zao, gedichten

De stoelen gaan in de winter zitten…

De stoelen gaan in de winter zitten, drie
in totaal – de kou is de spier –
ze staan in één lijn opgesteld,
panisch voor logica. Onder de engelen
zijn er geen drie die
erop zouden kunnen gaan zitten, wachtend
op de kapper die over de ijsrivier schaatst, hoewel
er vóór nog altijd een grote spiegel is,
een ekster klein muntgeld opruimt.

Het weefgetouw van de wind weeft de omgeving.
De baas is een leegte, ver weg
staat hij in een buitenwijk, warmte uitwasemend,
met zware wenkbrauwen en grote ogen telt hij de stoelen:
zonder het aan te raken kan hij
het midden wegnemen,
als hij de linkerstoel
helemaal naar rechts verplaatst, onophoudelijk –

zo’n moordenaar in het hart
van het al. Plotseling
is de vierde stoel die zich misschien onder
de drie bevindt, de enige echte,
ook in de winter gaan zitten. Zoals die winter…
… dat ik van je hield.

Magnolia

Lief middaguur, de magnolia droomt sereen met gebogen voorhoofd
ze droomt van mij als een spook dat op zijn tenen vóór haar loopt
in mijn handen ziet ze een kan water die voor anderen vergif is
ik bespeur geen greintje angst in haar gezichtsuitdrukking
wanneer ze aanvoelt hoe ik van mijzelf walg
vreselijk walg van dit bloed, deze zenuwen, poriën, de vorm
van mijn oren en mijn bekrompenheid; in een flits beseft ze
dat ik heus maar een mens ben; even later herinnert ze zich weer
dat ik vanuit het raam andere mensen heb bekeken, lichten heb aangedaan
via een deur een diepere plek in en uit ben gegaan
dan doet ze of ze haar bloemen laat vallen, of benut
een zachte windvlaag in de blauwe lucht, een donderslag, om mij
uit haar verdroogde hart, uit haar huid te dansen

Eindeloos

Bovenverdieping, talenlab.
De herfst verschijnt met een knal,
heldere stralen geven de vier muren nieuw kosmosglas,
Iedereen draagt koptelefoons, gezichten eensgezind als jade.

De zwangere lerares luistert mee. Een kostbare reliek van
gonzende stemmen:
‘Avondkrant, avondkrant’, het bandje piept fast forward om de aarde
nerveuze woorden sterven met tegenzin uit, zoals straatscènes en
bronnen, zoals buitenaardse bezoekers stilstaand aan een grens
over de avondgloed strijken, abrupt laten ze een rol brokaat neer:
leegte is minder dan een bloem!

Ze kijkt eens naar de nieuwe situatie
om zich heen, iedereen zit met een weefgetouw in de mond,
is bezig mompelend hetzelfde
goede verhaal te vertellen.
Iedereen is in luisteren verzonken,
Iedereen ontbloot zijn organen, werkt,

volledig onbewust.

Metroharp

Of laten we dan onderweg stoppen, aan geen van beide kanten
licht te zien, het bestek van de restauratiewagen rinkelt sinister
Of laten we dan naar buiten de begane grond op lopen
wandelende lijken op liften

Ik ben nog altijd je bruidegom. Tegen de dertig
doen mijn wijsvingers hun best om dikker te worden. In mijn zak
zit een dronken kiwi weggestopt
Ik, deeltje mensheid, mysterieuzer dan een vlam

kom tien jaar later van ver naar buiten de begane grond op lopen
schuifel naar een trillende tafel om jou
een liefdesbrief te schrijven. Een Californisch acht-uur-mantelpakje
met wat gesuikerd zonlicht likt aan de blauwe kringen om je ogen

Je loopt de begane grond op, wanneer ik de bloemenvaas uit de weg zet
plakt de schaduw van de evolutie aan de hielen van de vrolijk gekleurde
maskers. De avondklok weergalmt, legt zich neer
in een omgestoten beker melk: o, harp

De melkharp spant haar snaren stevig naar de aarde
Wanneer ik vergeefs aan het hoofd van het bed ga zitten lijk ik
de locomotief te raken die op jou af raast
hij speelt als een vreemd beest een geïsoleerde werkelijkheid

Brief uit de tijd

1
Aan de achterkant van deze tijdruimte, daar is mijn huis,
het heeft een witte vlag gehesen in een andere stad.
Het is nog geen dag, de slapende sluizen laten een paar
beladen vrachtwagens door, als een dinosaurus in de bocht
verscheuren ze iets, iets wat er eerst helemaal niet was.
Ik ontwaak.
Een groene knoop rolt van mijn lichaam.

2
Onze groene knoop, eeuwige overtolligheid.

Wolken bouwen Shanghai op.
Een blauwdruk in mij wacht
om een steentje bij te dragen. Ik schuif naar een lichte plek,
daar komt even een kraanvogel in beeld. Jouw brief
staat midden in de kamer in een bundel zonlicht, de veren gladgestreken –
zeker, een generaal pardon is onnodig. Uit kleine witte kool,
erwtenscheuten en waskalebas dat ene inzicht halen,

om corpulentie en machines af te sluiten –
sterk aangetrokken
door de tegenstrijdigheden in jou ga ik voor het raam staan.
April is glashelder, als de reflectie van sterkedrank,
de straatscènes zijn bevend gecombineerd tot diepzinnige proporties.
Zeker, ik kan de realiteit niet wakker schreeuwen. En jouw stem
reikt zo ver als mijn zicht strekt: ‘Ik,

dat ben jij! Ook ik drijf in deze tijdruimte.
De bouwplaats wordt dan opgeblazen, hier bij mij
waarschuw ik met deze gongslagen. Trek voorbij,
neem deze gong, hij is alles wat je hebt verzuimd.’

3
Ik raap de groene knoop van de grond op, blaas erover.
En ga me met mijn eigen zaken bezighouden.
Op rustige tijden
denkt de postbode die onder het raam passeert dat ik mijn portret ben;
soms leun ik doezelend op de tafel,
mijn handen uitgestrekt in de ruimte, als in een paar handboeien,

waar, waar is toch onze precisie?
… groene knoop.

Een sleutel voor C.R.

Tienduizend ton donker. Terug naar huis bollen onze kleren op door de westenwind.
Een glas water staat apart op het boekenrek.
Onzichtbaar in de uitgestrektheid richt een zwaluw
zich op een muntstukje ver weg en trekt verder,
maar wij zijn opgesloten in de herinnering aan de schaduw van de berg buiten het huis.
Jouw naaktheid overstroomt de veranda,
rondom trekt de nacht van de zwarte magneet als een denker aan

de uitgestrektheid. De sleutel zuigt aan de wereld.
Een fout bezorgde luchtpostbrief gaat tussen jou en mij heen en weer.
‘Groot,’ mompelt de brief, ‘groot’,

de vlammen springen op: ah, de brief groeit onmetelijk,
hij maant ons in hem te gaan wonen.
Je braakt van dronkenschap, ik schrijf een gepolijst antwoord,
mijn schaduw draagt twee velletjes papier, alsof
ik mijn dankbare en misvormde vleugels uitsla.

Gezelschap

Feestdag, ik hoor hem mij uitschelden.
Zijn rechter oogwit trekt rechts aan zijn kin,
terwijl hij naar rechtsboven kijkt, en hij blijft mij uitschelden.
Hij eet aldoor noedels en scheldt mij uit.
Hij trekt een wit shirt aan, steekt zo ver hij kan zijn hoofd uit het raam,
stopt een vulpen die bij het zonnige weer past in zijn jaszak,

hij wil bij mij op bezoek komen. Via de bazaar en de veldpaden,
het zwembad en de walnootbomen. Hij is bang te verdwalen,
terwijl hij loopt maakt hij een grote bos sleutels los,
steekt ze onderweg één voor één in voor hem veelbetekende punten.

De wind zegt dat hij dichterbij komt. We gaan zitten kletsen.
Uit zijn linkeroog valt langzaam een heel klein beetje zwart.
Maar het is al te laat, want
een vreemdeling glipt het huis binnen, wist het
als een gummetje uit voor hij naar buiten glipt

en onderweg ruimt hij die paar tekens op –

zodat de schemering kan arriveren. We zitten nog steeds hier.
Zou er nog een ander paar ogen zijn?
Van achteren gezien heb ik een vredige rug, licht gebocheld;
van voren gezien ben ik een zittende zwaluw,
een zwaluw in kleermakerszit.

De terdoodveroordeelde en de weg

Van de hoofdstad naar de wilde grasvlakte,
oneindigheid, maar mijn hoofd
zit vastgeklemd in een groot schandbord, mijn stem
is met touwen op de rug gebonden, op de veldpaden
tonen klokjesbloemen de dood,
bekronen een ascetische reiziger
met een soort betekenis;

ik loop,
onvermijdelijk moet ik ooit sterven, dit is nu eenmaal
geen politiek. Als ik dorst heb,
schets ik een kleine bosfee:
huppelende borsten, een friszachte vreemdheid,
een reekalf als een lemmet,
rennend langs een naamloos watertje,
houdt de sonore schaduw in bedwang;

als ik slapeloos ben
verbeeld ik me smaakvol
dat ik aan het slapen ben,
heel zwaar;

als ik bang ben, als ik bang ben,
veronderstel ik als vanzelfsprekend
dat ik al gestorven ben, dat ik
een dood ben gestorven, en bovendien

alles heb meegenomen dat ik aan het bekijken was:
de proletarische gevoelens van een vervaald landschap,
een restaurant, een veerboot, een ijsvogel,
enkele overvloedige landen van buiten hier,
enkele slonzige, mahjong spelende hoeren,
enkele wilde tijgers die als versleten sokken
buiten de mens zijn gegooid
en de schaduw van een pagode buiten de verte,

nog wat verder is die kleine bosfee,
het verfijnde, melodieuze moedertje, wier kindernaam
geroepen kan worden, haar wereld geurt dwarrelend

net zoals iedereen,
een droom van iemand op weg naar de dood,
een droom van een mens buiten mensen,
is niet puur, net zoals pure poëzie.

Rand

Zoals een tomaat zich aan de rand van een weeghaak verbergt, ligt hij
altijd. Iets flitst voorbij, een waarschuwing of een zwaluw, maar hij
beweegt totaal niet, blijft naast de kleine dingen. Wanneer de uurwijzer
precies tien uur aanwijst, verdwijnt de wekker in de verte; zo ook
een sigaret, enkele vervormde blauwe handboeien met zich meenemend.
Zijn bril, wolken, een Duits slot. Kortom, wat niet was vertrokken
is nu weg.
Leegte, vergroot. Hij is verder verwijderd, maar nog altijd
op een rand: een tandwielrand, een waterrand, zijn eigen
rand. Van tijd tot tijd kijkt hij naar de lucht, zijn wijsvinger omhoog,
oefent een iele, wilde kalligrafie: ‘Kom terug!’
En inderdaad, wat uit zijn vorm was geraakt keert er weer naar terug:
de ramen in de nieuwe wijk zijn vol met avondwind,
de maan brouwt een grote emmer gouden bier;
de weeghaak slaat heftig door, daar: eindeloos
als een gekalmeerde leeuw
ligt hij naast die tomaat.

Dobbelsteen

In den beginne was enkel de dobbelsteen –

Zes kanten, zes spiegels,
zes bruiden, één verschijning.
Zes gevallen bloemen worden tegelijk opgeruimd,
meer dan tien op buiken hangende melkkamers.
De bruiden zitten, holle frustraties.

Waar je voelt dat donder en regen een gordijn zijn,
daar is zo’n kamer,

daar,
daar valt de dobbelsteen altijd in zulke herhalingen:

Zeg: ‘Er is geen ik.’
– Goed, er is geen jij.
Nee, zeg: ‘er is geen jij.’
– Goed, er is geen ik.

Dai Wangshu, gedichten

Dai Wangshu (1905-1950) wordt beschouwd als de belangrijkste vertegenwoordiger van het Chinese symbolisme. Hij studeerde klassieke Chinese letteren in Shanghai en raakte al snel geïnteresseerd in de ‘nieuwe literatuur’ die in die tijd opkwam onder invloed van westerse opvattingen. Hij kreeg met name belangstelling voor de Franse letteren, besloot Frans te leren en vertrok in 1932 naar Frankrijk, waar hij zo’n twee jaar verbleef. Zijn oeuvre omvat ruim honderd gedichten en een groot aantal vertalingen van de meest uiteenlopende westerse auteurs (via het Frans).

Gedachten van een reiziger

De rietpluimen bloeien in zijn geboortedorp:
de hakken van de reiziger zijn met modder besmeurd.
Modder op zijn hakken, modder op zijn hart,
wanneer zal een beminde hand ze schoonvegen?

Hij slaapt op rotsen, eet van sterren,
jarenlang reist hij rond over bergen en rivieren.
Alleen in het geluid van krekels in de stilte
proeft de reiziger zijn vaderland.

Lied van een reiziger

Wanneer er op zee een briesje opsteekt,
ontluiken turqoise rozen op het donkere water
– het thuis van de reiziger?

De bamboe poort is het huis van de spin,
De aarde muur is het huis van de lychee,
en de fruitboom met zijn vele takken en bladeren van de spreeuw.

Maar de reiziger heeft zelfs geen heimwee,
hij deint tussen de walvissen en zeeslangen:
laat de eenzame bloemen van thuis zelf bloeien, zelf vallen.

Maakt de reiziger zich zorgen over zijn eenzame thuis
omdat er turquoise rozen op zee zijn?
Hij heeft veel eleganter gezelschap dan rozen.

Het elegante gezelschap is een veel zoeter thuis,
de heimwee van de reiziger doolt daarin rond.
Ah, laat mij eeuwig deinen tussen walvissen en zeeslangen.

Gesloten tuin

In de tuin van mei
zijn de bloemen al talrijk, de bladeren overvloedig,
maar in de dichte schaduw is het stil, geen vogel roept.

Het paadje is al flink bemost
en het slot is verroest –
de eigenaar bevindt zich onder verre zonnen.

Onder verre zonnen,
zijn daar ook weelderige tuinen?

Een vreemdeling gluurt langs het hek naar binnen,
dagdromend van de eigenaar ver weg.

Ik denk

Ik denk, dus ik ben een vlinder…
Over tienduizend jaar zal de zachte roep van een bloem
door het wolkendek dat droomt noch waakt
mijn fonkelend bonte vleugels doen beven.

14-3-1937

Improvisatie bij de grafsteen van Xiao Hong

Een eenzame wandeling van zes uur
om rode camelia’s bij je hoofd te leggen.
Ik wacht, de nacht duurt eindeloos lang,
en jij ligt te luisteren naar het gebabbel van de golven.

Regenlaan

Met een oliepapieren paraplu, eenzaam
dwalend door een lange, lange
en verlaten regenlaan,
hoop ik op een ontmoeting
met een meisje als een sering,
een meisje vol melancholie.

Ze heeft
de kleur van een sering,
de geur van een sering,
de weemoed van een sering,
treurig in de regen,
treurig dwalend.

Ze dwaalt door de verlaten regenlaan,
met een oliepapieren paraplu,
net als ik,
net zoals ik
zwijgzaam slenterend,
lusteloos, somber en bedroefd.

Stil komt ze nader
en nader, werpt
een blik als een zucht;
als een droom
gaat ze voorbij,
als een droom zo triest, zo vaag.

Als in een droom gaat
dit meisje langs mij voorbij,
een meisje als een sering;
stil gaat ze verder en verder
tot aan het vervallen hek,
tot aan het eind van de regenlaan.

In het treurige lied van de regen
vervaagt haar kleur,
vervliegt haar geur,
vervluchtigd is zelfs
haar blik als een zucht
haar droefheid als van een sering.

Met een oliepapieren paraplu, eenzaam
dwalend door de lange, lange
en verlaten regenlaan,
hoop ik op een glimp
van een meisje als een sering,
een meisje vol melancholie.

Witte vlinder

Wat voor wijsheid geef je mij,
kleine witte vlinder,
als je je bladzijden opent,
als je je bladzijden sluit?

Geopende bladzijden:
eenzaamheid.
Gesloten bladzijden:
eenzaamheid.

Nachtvlinders

Rondom de lichtkrans van een kaars
dansen nachtvlinders meelijwekkend in cirkels.
Deze wezens, neergedaald uit het land der geuren, doen niet denken
aan reeds gestorven insecten, nog niet gestorven bladeren.

Men zegt dat het dierbaren in slaap zijn,
die over bergen en passen, wolken en bomen zijn gevlogen
om ons leed te komen verlichten;
of gestorvenen die ons koesteren
en gedwongen door het geheugen de eenzame nacht hebben verlaten

Maar ik realiseer me dat zij mijzelf zijn,
want met hun gekleurde fluwelen vleugels
bedekken ze mijn schaduw,
laten hem in de duisternis blijven
¬- een vluchtige gedachte, geen droom,
zoals die dag dat ik in een feniks veranderde.

Luo Fu, gedichten

Krab eten

op de tafel liggen stapels
uiteengereten krabbenschalen
een middag van chrysanten en wijn
een middag van pittige gembersliertjes
en een schoteltje zhenjiang-azijn
neerslachtig moet ik denken aan
monden
die er lustig op los spetteren
en
bruine klauwen die ooit zijwaarts
over mijn knokige tenen kropen

ik die eet met de scharen in mijn handen
ben niet per se ik met een zwak voor de herfst
de zomerdagen zijn al ten einde
de treurnis van de stad laat weinig meer over
dan het eten van krab aan een lange tafel
ik breng het glas naar mijn lippen
en tikkend tegen de krabbenschalen zing ik
en trek mijn wenkbrauwen op
en ben aangenaam opgewonden uit dank en ergernis
zelfs als ik een schurend geluid hoor
dat van achter komt aangevlogen

op dat moment moet ik ineens weer denken aan
die zijwaarts gerangschikte gedichten van mij
jullie zeggen dat het allemaal goede bedoelingen zijn
alleen is de taal afgestompt geraakt
en in de stank van krab bovendien
van smaak veranderd

11 oktober 1982

Peer schillen om middernacht

koud, en dorstig
staar ik stil
naar een Koreaanse peer
op een nachtelijk theetafeltje

echt een
peer
die ijskoud aanvoelt
een koperglanzend huidje
een mes doorklieft
zijn kern
blijkt ineens
een diepe, heel diepe put

trillend
pakken duim en wijsvinger losjes
een schijfje peer op

witte onschuld

het mes valt
ik buig me om het te zoeken
o! de vloer is bezaaid
met mijn koperkleurige huid

Het geluid van de regen de bergen in volgen, maar geen regen zien

Met een oliepapieren paraplu
zingend ‘in maart zijn de pruimen zuur’
midden tussen de bergen
ben ik het enige paar strooien sandalen

specht tik tik
echo ik ik
een boom draait omhoog in de pijn van het gepik

de bergen in
geen regen
de paraplu vliegt rond een groene steen
daar zit een man met zijn hoofd in zijn armen
hij kijkt hoe de sigarettenpeuk tot as wordt

de bergen af
nog steeds geen regen
drie bittere pijnbomen volgen de verkeerstekens
en rollen recht tot voor mijn voeten
ik pak ze op
het is een handvol vogelgetsjirp

Gouden drakentempel

De avondbel
is een paadje waarlangs toeristen de berg afdalen
getande varens
staan langs de witte stenen treden
kauwen het pad weg

als hier sneeuw zou vallen

maar ik zie slechts
een verschrikte grijze cicade
alle lantaarns op de berg
aansteken
één voor één

Een brief lezen om middernacht

Het licht van middernacht
is een beekje
dat nooit kleren heeft gedragen

jouw brief komt als een vis voorbij gezwommen
ik lees de warmte van het water
ik lees de roerende schubben op je voorhoofd
ik lees de rivier zoals ik een spiegel lees
ik lees in de spiegel jouw lach
zoals ik het schuim lees

De vrouw

Regen noch bloem
mist noch schilderij
sneeuw noch rook
licht noch maan
herfst noch zomer

soms een naamwoord soms een werkwoord
soms een huis soms een plein
soms een heldere hemel soms vallende regen
soms een diepe vijver soms een ondiepe poel
soms een proces soms een resultaat
soms een uitroep soms een vraagteken

noem haar water en ze is al verploegd tot veld
noem haar boom en ze is al verlegen tot meer
noem haar ster en ze is al verkristalliseerd tot zout
noem haar vis en ze is al verroosterd tot koekje
noem haar slang en ze is al vervlogen tot havik

Als je stil bent als een landmijn

Ik loop achter jou
achter je verzonken voetafdrukken
achter je doorweekte schaduw
achter je gedachten
loop ik

wat ik ook zeg of doe, onze liefde is slechts een oud shirt van dat ene jaar
distels en dorens bevestigen steeds weer schril fluitend
haar bloeddorstige karakter

een stap
een hartklopping
beangstigend om achter je te lopen
als je stil bent als een landmijn

Winterdagboek

Lente, de gehate wilg voor de trap ruiste al te zeer
ik kapte hem om, hakte hem in kleine stukken
gooide hem in de kachel

De bladerveger van hiernaast zei lelijke dingen achter mijn rug
vogels scholden me musicerend uit, pikten naar mijn raam
ook de dichter klaagde:
als die wilg er niet is
waar moet de maan dan hangen?

(Dit alles heb ik opgetekend in dagboek dertien)

Dit jaar kwam de winter vroeg, in de sneeuwstorm
gisternacht kwam er een aantal reizigers uit het zuiden
heimelijk stopte ik mijn dagboek in de kachel
laat hij die zich warmt aan het vuur zichzelf haten

Een vogel vliegt voorbij

Wierook spreidt de erhu van meneer Li
trekt onze laan tot
een lok lang vochtig haar

de deur van de binnenplaats staat open
een sliertje wierook volgt de muizenissenzinkt
naar de bodem van het kopje
op het theetafeltje
de as is slechts wit en koud
is slechts lente die gaat en herfst die komt

kun jij voor mij
de duizend verschillende slaaphoudingen in een rotanstoel
een naam geven?

de avondkrant ligt nog op het gezicht
in de slaperige ogen
vliegt
een vogel
voorbij

(juli 1970)

Yang Lian, ‘Tien maal zwart aan Arjen’

Al lang koesterden de Nederlandse dichter Arjen Duinker en de Chinese dichter Yang Lian de wens om samen gedichten te schrijven. In 2002 kreeg dat plan gestalte, mede door Het trage vuur. Duinker schreef een reeks ‘Tien paar ogen voor Lian’, waarop Yang Lian reageerde met deze tien gedichten.

Onderbreking van zwart

verwaarloosd geluk
verkent als wortels
strekt zich tast rond
gefluister vindt merkbaar geen oor
jij denkt dat ik over je heen vlieg
o nee ik dring langzaam binnen
in een elke dag opschuivende nacht in een buikholte
hoor je spreken van een lege grond

Trots van woorden

woorden beschouwen mensen als schaduwen
woorden maken levenden en doden gelijk
woorden voelen de wereld niet
in de lege schelp van een hand
ligt de schemering al lange tijd te rotten

Genua

plein hond bier gistende middagslaap
begint bij blauw de zee van zondag
is ook gesloten steen
splijt door iemands bulderende lach open
onder de pels van vertaling zijn wij bloot
en onschuldig zitten tegenover elkaar
zonder aandacht voor de verte tussen de wijnglazen
geen dichter die niet wreed is
daarom wordt de stad door het zeil gedragen op het lichaam

Mistige poëzie

praten over mistig, mistig is dood
ik herinner me dat enkele klanken vogels beschuldigen
enkele woorden schrapen over het strand
het leven weet dat alleen rillen in staat is om de tijd te schatten
een tank die een ploeg trek zit onder de modder
vermaalt steeds op de zelfde plek vlees en bloed
destijds waren we zo jong dat we nog niet begrepen
dat een in de mond gestoken lepel
juist vernedering opgraaft

Spoken verzamelde dichtregel

de dood die jullie in de pot hiernaast hebben gekookt is zeer smakelijk
gezichten beschenen door dodenakkers zijn namaakspoken
kou is een vergelijking kouwelijk een andere
wanneer spoken verweesder zijn dan alle bloemen
al het gras met menselijke gezichten heeft een winterse stroomrichting
met een houding die de dagen ontvlucht
één dag invluchten
spreken is schrijven schrijven is koken
en koken is leven

Exotisme van kleur

Citroen
een vredig gespreksonderwerp in een boomgaard
in de zomer over groen spreken
in de herfst over goud spreken
als een citroen

maar in de zomer zijn citroenen niet groen
in de herfst niet goud
ver van de woorden
spreken regendruppels over het leven

Ontmoeting
vogels lopen over een bladzijde wind
betreden het ritme dat ik niet begrijp

twee oren ontmoeten elkaar
in een onovertrefbare klank

verschrikt dromen vogels
dat de hemel kleding draagt

Afwezig
licht
tekent bamboe op zee
tekent waaier in lucht
tekent naam op steen

blauw is het al
zo blauw als wanneer ik afwezig ben

Zwart antwoordt
gladgestreken grond als een bouwstudie van het tijdvak
spoken zijn te ver spoken zijn nooit ver genoeg
huilend in je armen is een toekomstige schoonheid
de keuken eenmaal vergroten
de spiritistische seance heeft een vuurrode gloed van de openhaard
de fax gaat een dronken vriend
is zichzelf in een rollend handschrift aan het veranderen
keert dan schitterend terug naar huis om middernacht
hé! mooie dagen hebben vanzelf mooie-dagen-mystiek

Alleen over ogen
het licht op het lichaam van een levende is allang uitgestorven
leegtes worden zo overal uitgetekend
door paniekerig hulpgeroep van vogelzwermen in het centrum gedreven
lopen als afgesneden lucht
in het lichaam van de zee springen verandert de zee in een wond
dit vulpenblauw lijkt op het blauw van schulden
deze door vlees gedwongen ochtend levert
een betonlandschap
onthult de onmacht in je ogen