Sterven kan men zich niet veroorloven

De nieuwste roman van Yu Hua, De zevende dag, heeft een mooi, stemmig begin. Hoofdpersonage Yang Fei, eenenveertig jaar oud, verlaat zijn gehuurde kamertje en gaat door de dichte mist op weg naar het uitvaartcentrum – voor zijn eigen crematie, welteverstaan. Het is de eerste dag van zijn dood, en op een paar misvormingen na ziet hij er ongeveer nog zo uit als tijdens zijn leven.

Yang bevindt zich in een soort schemergebied, tussen de wereld van de levenden en die van de doden. Hij is dood, maar niet gecremeerd en in een graf geplaatst, waarmee hij zijn rustplaats zou bereiken. Yang zwerft rond, een beetje zoals het populaire boeddhisme het zich voorstelt na de dood, wanneer de overledenen hun leven nogmaals doorlopen, alvorens rust te vinden.
Zelf maakt Yu Hua met zijn structuur van zeven dagen, de titel en het motto van het boek een verwijzing naar genesis, die nogal uit de lucht gegrepen is. We volgen de ik-persoon de eerste zeven dagen na zijn dood, waarbij de laatste dag een soort rustdag vormt, maar meer verband dan dat is er niet met het westerse scheppingsverhaal.

Terwijl Yang zijn dood her-construeert en zijn leven de revue laat passeren, kan de lezer zich langzamerhand een beeld vormen van zijn leven en de maatschappij waarin hij leefde. Het begin van zijn leven is absurd: wanneer zijn moeder, op dat moment hoogzwanger van hem, in een trein naar het toilet gaat, is voor ze het weet haar baby geboren en door het (in die tijd grote) gat van het toilet verdwenen. Op de rails wordt hij gevonden door een jonge wisselwachter, die hem liefdevol opvoedt, en er ontwikkelt zich een hechte band tussen vader en zoon, die elkaar zonder al te veel woorden begrijpen.

Het boek begint prettig humoristisch. Het uitvaartcentrum, waar iedereen heengaat voor zijn crematie, blijkt niet zo heel veel te verschillen van de wereld van de levenden. Er bestaan mobiele telefoontjes, vip-plaatsen, plastische chirurgie, en ‘als je gecremeerd wilt worden, moet je een beetje opschieten’. Er heerst ook eenzelfde hiërarchie; wie macht en rijkdom heeft, heeft heel wat streepjes voor op wie dat niet heeft, en ‘geconfronteerd met de macht, moest het geld zijn eigen minderwaardigheid erkennen.’ Dus krijgt de burgemeester van een grote stad voorrang voor zijn crematie, en mogen de rijkere op luxe stoelen zitten wachten op hun beurt, terwijl de armen op plastic stoeltjes moeten plaatsnemen. Waar de armen geen graf hebben, zo legt een van de rijke overledenen uit dat hij heeft gekozen voor een biologische grafsteen, omdat iedereen nu ‘zo veel belang hechtte aan biologische voedsel.’

Maar gaandeweg verdwijnt de humor helaas een beetje en wordt duidelijk dat Yu Hua met deze nieuwe roman dezelfde thema’s aansnijdt als in zijn vorige romans Leven, De bloedverkoper en Broers. De morele ontwrichting en hardheid van de maatschappij en de hypocrisie van de mensen worden uitgebreid verbeeld, middels tragische verhalen die we allemaal kennen uit kranten en documentaires. Geaborteerde baby’s worden als medisch afval in een rivier gedeponeerd, een man wordt ten onterechte veroordeeld tot de doodstraf voor het doden van zijn geesteszieke vrouw (die later niet dood blijkt), een meisje aan de onderkant van de maatschappij pleegt zelfmoord omdat haar vriendje haar een valse iPhone heeft gegeven, haar vriendje sterft door het verkopen van zijn nier, een echtpaar sterft doordat ze niet uit hun oude appartementencomplex willen dat de staat laat afbreken, en na hun dood moeten de armen constateren: ‘Zelfs doodgaan kunnen we ons niet veroorloven’.

Te midden van al die ellende is het leven van Yang Fei bijna romantisch en voorbeeldig. Vanaf het moment dat zijn pleegvader hem vindt, zorgt hij voor Yang Fei met een ongekende liefde en opofferingsgezindheid, bijgestaan door een bevriend echtpaar dat dezelfde waarden toegedaan is. Het zijn ook die waarden die het zwervende bestaan na de dood kenmerken; zoals Yu Hua het beschrijft, is het haast de ideale maatschappij. Al zijn de doden wat emotieloos (wat wil je ook van een skelet), toch zijn de mensen er voorkomend en meelevend met elkaar. En al wordt het graf omschreven als de ideale laatste rustplaats, de plaats van de doden zonder graf lijkt een beetje op het paradijs: ‘Daar wuiven de boombladeren naar je, de rotsen glimlachen naar je, en het water van de rivier begroet je. Daar zijn geen armen of rijken, er is geen verdriet of pijn, geen wrok of haat… Daar zijn alle mensen gelijk in de dood.’

Daarmee lijkt de roman een pleidooi voor meer menselijkheid, voor liefde, affectie en medeleven in een maatschappij waar rijkdom, status en macht de boventoon voeren. Die mooie boodschap heeft een aangename roman opgeleverd, die tegelijkertijd toch ook wel een beetje te braaf is.

Bespreking verschenen in NRC Handelsblad, 8 april 2016

Subtiele humor en irrationeel geweld

Iedere keer als ik iets van Yu Hua lees verbaas ik me erover dat de man in zijn jonge jaren, voor hij ging schrijven, als tandarts heeft gewerkt – een van de beroepen in de medische wereld die weinig met de psychologische aspecten van de mens samenhangen. Als schrijver laat Yu Hua juist in al zijn werk de mens als handelend, interactief wezen zien.
Ook in de recent in het Nederlands verschenen bundel Flesjes knallen is de verbindende factor Yu Hua’s interesse voor wat mensen beweegt, als individu en als deelnemer van de samenleving. De meeste verhalen hebben een vleugje subtiele humor, maar in een paar gevallen overheerst irrationeel geweld – ook elementen die we in zijn romans terugzien, net zoals morele ontwrichting, de hardheid van de maatschappij en hypocrisie. Yu Hua oordeelt daar niet over, hij vertelt en houdt een spiegel voor.
Voor wie Yu Hua’s romans, Leven!, De bloedverkoper, Broers, De zevende dag, die de afgelopen tien jaar in het Nederlands zijn verschenen, kent, is het interessant om de ontwikkeling van dertig jaar schrijven te zien. In deze verhalen, uit 1986-1998, het begin van zijn schrijversbestaan, is hij duidelijk experimenteler. In de jaren ’80 maakte Yu Hua in China naam als avant-gardistisch schrijver, wat volgens Jan De Meyer, redacteur van de verhalenbundel, niet dezelfde lading heeft als in het westen: ‘In China kan ongeveer iedereen tot de avant-garde worden gerekend die zich niet strikt houdt aan de regels die door het systeem worden gedicteerd’.
In de latere romans is Yu Hua’s schrijfstijl wat conventioneler, en dat is ook in de verhalen van de jaren ’90 al te zien. De vroegere verhalen zijn wat mysterieuzer, waarbij de vraag zich opdringt in hoeverre dat te maken heeft met het politieke klimaat; het onderdrukkende Mao-tijdperk waarin Yu Hua opgroeide was immers nog niet zo lang verleden tijd.
Het extreemste voorbeeld van raadselachtigheid is ‘Het verleden en de straffen’. De hoofdpersoon, aangeduid als ‘de onbekende’, heeft het gevoel te zijn afgesneden van zijn verleden, maar waarom blijft onduidelijk, en eigenlijk is het alleen te begrijpen als allegorie voor de Chinezen in het algemeen, die door de Culturele Revolutie van hun verleden zijn afgesneden. Het ontroerendst zijn wat mij betreft ‘Appendix’, ‘Ik heb geen eigen naam’ en ‘De jongen in het schemerlicht’, stuk voor stuk heel menselijke verhalen waarin je als lezer onder de huid van de personages zit, waarbij je zou willen ingrijpen om de gebeurtenissen weer recht te trekken.
Voor wie Yu Hua nog niet kent is dit een mooie eerste kennismaking, met verhalen die je nu eens onderdompelen in een onbekende wereld – en dat kan het China van enkele decennia geleden zijn of een meer Kafkaëske wereld met ongrijpbare machten – en dan weer een bron van herkenning vormen. Hoe dan ook geeft elk verhaal de nodige stof tot nadenken. Oplossingen of antwoorden heeft ook Yu Hua uiteraard niet. Al met al een heel fijne bundel!

Bespreking verschenen in NRC, 3 augustus 2018
https://www.nrc.nl/nieuws/2018/08/03/subtiele-humor-en-irrationeel-geweld-a1611990

Interview Knetterende Letteren over Mo Yan

Sometimes translators get into the picture!

Voor wie mijn nieuwste vertaling nog niet heeft gelezen :-), hier een televisie-interview met mij dat hopelijk aanzet tot! Interview Mo Yan
 

Letteren &cetera: 24 oktober, NTR

Kenneth van Zijl spreekt met vertaalster Silvia Marijnissen over De sandelhoutstraf, de roman van Mo Yan. De chinese schrijver ontving in 2012 de Nobelprijs voor literatuur. De sandelhoutstraf is een grootse en waanzinnige vertelling voor mensen met een sterke maag. Over een man die zich verzet tegen buitenlandse invloeden in zijn land en dat moet bekopen met de gruwelijkste foltering denkbaar.

Guo Jinniu op Poetry International

Op donderdag 11 juni trad op Poetry International Guo Jinniu op, een vooraanstaande Chinese dichter die de werkende onderklasse in China in zijn gedichten een stem geeft.
Een interview door Mirthe Smeets, vertaling Silvia Marijnissen.

Van wanneer dateert uw eerste gedicht en waarover ging het?
Mijn eerste gedicht is waarschijnlijk van 2011, het werd gepubliceerd in de weekbijlage “Arbeidsliteratuur” van het dagblad Bao’an. Waarover het ging weet ik niet meer, ook niet wanneer ik het precies schreef, dat doet er voor mij niet zo toe, ik let er meer op of de woorden mijn binnenste wel overbrengen.

Ik heb voor mijn werk mijn geboortestreek verlaten en ben in andere provincies mijn geld gaan verdienen. In dat proces ben ik heel wat plaatsen in het zuiden afgegaan, zoals Shenzhen, Bao’an, Yanshi, Luozu. Waar ik ook was, ik was een zwerver, al meer dan twintig jaar, ik heb in de bouw gewerkt, ben kruier geweest, fabrieksarbeider, winkelbediende, ik ben ook straatverkoper geweest. Soms schreef ik op een plank van de bouwplaats, soms in de slaapzaal van de fabriek, als ik rondzwierf schreef ik op openbare pleinen. Heel vaak liet ik het gedicht gewoon daar achter als ik het afhad, of ik nam het niet mee als ik naar een andere plek verhuisde.

Hoe lukt het u – naast uw drukke baan – om tijd te vinden voor het schrijven van gedichten?
Mijn gedichten hangen allemaal nauw samen met de plek waar ik ben, met het zweet, de lichaamstemperatuur, het bloed en het vlees, ik sta altijd in het leven. Ook al leid ik een redelijk zwaar bestaan, de poëzie zal altijd met mij meereizen. Iedereen heeft zijn eigen poëtische gevoel of zijn eigen manier om zijn poëtische gevoel uit te drukken, net zoals een vogel ernaar verlangt te vliegen.

Schrijven, daar hoef ik geen tijd voor te maken. Het is voor mij in de eerste plaats een manier van spreken, en in de tweede een persoonlijke behoefte.

In eerder mailcontact zei u ‘volgens mij vereenvoudigt poëzie het onzegbare tot het helemaal transparant is, zodat we de essentie van het leven duidelijk zien’…
Ja! Ik denk niet dat poëzie nog een ander onderwerp heeft behalve het leven, en als ze dat wel heeft dan is het in vergelijking met het leven van weinig gewicht.

U schrijft ook over de tijd waarin wij leven, ook over de (on)mogelijkheden van internet. Waardoor komt u steeds bij dit soort onderwerpen uit, denkt u?
Internet is een heel nieuw verspreidingsplatform, dat de oude, beperkte manier van verspreiding via papier wegvaagt. Dat fascineert mij. En terwijl ik leef in deze tijd zie ik hoe interessant deze tijd is. Wat er gebeurt, verandert, vooruitstreven is.

Door die veel weidsere verspreidingsruimte luisteren veel meer mensen naar de stemmen die verborgen waren onder het volk. Voor de eerste Internationale Chinese Poëzieprijs van Beijing Literatuur verschenen er meer dan tachtig duizend gedichten, en op een topdag van de site Chinese Poëzieschool posten er meer dan tienduizend mensen gedichten en commentaren op gedichten, dat soort activiteiten vormen het “poëtische milieu” van het net. In Shenzhen waar ik werk, zijn bijna elke week wel poëzie-activiteiten, zoals voorleesbijkomsten of meer theatrale poëzievoorstellingen (poëzie gaat heel goed samen met andere vormen van kunst). Die sites kunnen de mensen die zelfmoord willen plegen niet redden, net zomin als god, maar poëzie kan een ontsnapping bieden voor de ziel.

Wat verwacht u van uw verblijf in Nederland tijdens Poetry International Rotterdam?
Ik wilde al een lange tijd naar Nederland omdat het Internationale Poëziefestival daar wordt gehouden in Rotterdam, dat maakt Nederland erg aantrekkelijk. Ik weet dat het festival voor de 46e keer wordt gehouden, het heeft een lange traditie, dat is iets om trots op te zijn. Ik ben blij dat ik daar deel van uit mag gaan maken. Ik weet nu al dat het een mooie ervaring zal zijn. Ik kijk uit naar alle ontmoetingen en naar het mogen voordragen op het podium in de schouwburg.

Guo Jinniu (China, 1966) komt uit Xishui City in de Chinese provincie Hubei. Hij heeft diverse banen gehad, werkte als bouwvakker, als marktverkoper en vond uiteindelijk een baan als administrator. ‘s Avonds, na een lange dag werken, schrijft hij zijn gedichten die hij vervolgens publiceert op internet. In 2012 ontdekte Yang Lian deze online gedichten. Mede dankzij hem werd Guo’s bundel Returning to Homeland on Paper opgemerkt. De bundel won diverse prijzen. Het was Guo’s lang gekoesterde droom om in Nederland op te treden, hieronder de vertalingen die hij in Rotterdam voorlas (vertalingen Silvia Marijnissen).

guojinniu

SEKSVERHAAL UIT DE TIMMERAFDELING

Het werd warmer, het regende overvloedig. Li Xiaomei van de timmerafdeling
begon
aan het Voorjaarsontwaken.

O jee, de jonge meid had Sichuan verlaten, slanke wespentaille, zacht golvende mouwen.
Een poes, verzonken in haar binnenste
rijpte een honingperzik.
Eerste golf van de lente.

Li Xiaomei hield van de catwalk.
Een klein lentebeestje, wilde naar buiten om te spelen, lekker was het zeker,
stoppen deed het niet, het volgde haar
zomaar overal.

Duizend werkneemsters, duizend poesjes, enorm lentegebrul,
verfijnde poezenklauwtjes
op het ijzeren stapelbed boven en
onder. Woelden zachtjes.
Krabden de gezichten van de schoonheden.

De jonge Guo van de timmerafdeling, iedere dag opgeknipt in vierentwintig stukjes
overwerk, eten, douchen, slapen. Daarvan stal hij
een deel.
Hier zou het passend zijn een paar gedichtjes te schrijven
die zouden kunnen gaan over
Li Xiaomei.

Volop lentekriebels, balletdansen,
de goddelijkheid van het poesje bewaren, geen geluid maken,
een stukje maan, een dollar,
ieder kwam uit een naamloos dorpje,
boog zich
en kroop onder het muskietengaas.

Verbaasd meer dan vastberaden, het kleine groter dan groot
het ijzeren bed schudde als een bezetene.

ZWOEGEN IN EEN ANDERE PROVINCIE

Als je gaat werken in een andere provincie, moet je je dialect aanpassen
aan het Mandarijn uit Hubei.
Meestal praten anderen, ik zwijg, hoef alleen maar mijn kracht te gebruiken.

7 april, met een fles sterke drank in mijn hand
doe ik Li de Vliegende Dolk met zijn liefdesverdriet na,
niezend, hoestend, met koorts, in het Luohu-district.
Neef raakt besmet. Hij wil geen geld uitgeven aan injecties, medicijnen.
Zoals Li Bai kijkt hij op naar de heldere maan.

Met gebogen hoofd denkt hij aan zijn dorp Wangjia’ao.

Dit is onze omgeving: een oude barak, smal als het hek op het westen,
die zeven provincies herbergt.
Zeven, acht dialecten: steen, schaar, papier.
Zeven, acht soorten drank: 38°, 43°, 54°.
Zeven, acht pond heimwee: wankelend. Ieder gezicht voedt muggen,
een stuk of zeven, acht.

Eind van het jaar, ijskoud. Neef,
doorweekt van de regen in Guangdong,
verspreidt zijn griep naar de Oost Shennanstraat, de Jiefangstraat
en de Zuid Bao-anstraat.
De Diwang-wolkenkrabber van wel negenzestig verdiepingen hoog,
383 meter.

OP HET BOUWTERREIN, HERINNERING AAN EEN OUD STUK HOUT

Als ik niet op het bouwterrein ben, ben ik in de barak.
Regen.
Pauze.

Een timmerman, dertig jaar oud. Zit een oud stuk hout te strelen,
niet als de Song-dichter Liu Yong, die in zijn eenzaamheid
de reling in een bordeel
ging strelen.

Het mokkel op de derde verdieping is het knapst. Jaren geleden
wilde ik ontzettend graag met haar trouwen.
Hand in hand. Tranen in de ogen. Zoveel ongezegd.
In het gedicht ‘Klokgelui in stromende regen’.
Ik zat tot de Songdynastie achter haar aan,
belde Liu de Zevende.

Liu de Zevende, Liu de Zevende,
iedere keer als de regentijd begint,
strelen mijn timmermanshanden een deel van de Songpoëzie, oude liefde
gaat maar moeilijk voorbij.

Groene pruim. Bamboepaard. Zo’n oud stuk hout, het lichaam koestert haar geuren.
Hoeveel jaren ook voorbij zijn gegaan,
ze zal nooit nieuwe takken krijgen, nieuwe bladeren,
bloeien.

WERKDAGBOEK

Op het bouwterrein is het drie graden warmer dan mijn lichaamstemperatuur.
De rivier in mijn huid, met zout, begint
te deserteren,
te branden.

Het karakter vlam焱.
Hoofdradicaal: vuur extra streepjes: 8 totaal aantal streepjes: 12. Driemaal vuur
op elkaar gestapeld,
we hebben tonnen zweet nodig
om te blussen.

Zweet is zout.
Regen is koelbloedig.
Morgen, een brandende zon, die ik niet wil.
Morgen, een strakblauwe lucht, waar ik niet van hou.
Morgen, een nog hogere temperatuur dan vandaag.

Mieren in de hete pan gaan door met het transport. Staal. Cement. Zonlicht.
Twee van hen moeten standhouden.
Standhouden, dat wil zeggen: neefs vader, mijn oom,
zijn kankercellen vermeerderen dan minder snel.
Onze snelheid in ruil voor zijn vertraging.

En onze snelheid versnelt de snelheid van de stad.
Plotseling, steiger, iemand
maakt
een
vrije
val
Versnelling van de zwaartekracht
9.8 m / sec2.

AARDRIJKSKUNDE VER VAN HUIS

Jongen, wilde een hoge wolk pakken, wit
katoen, om de wintertarwe af te dekken.
De tijd had wat brandhout achtergelaten. Moeder had het water in de put opgemaakt.
Jongen was groter geworden dan de rijst, liet het sesamveld op de zuidberg achter zich.

Toekomstperspectief, gebaseerd, op een buskaartje.
Witte wolken, groeiden, in de blauwe lucht. Katoen dat niemand plukte.

Jongen. Rusteloos. Net iets sneller dan een rijdende trein.
Jongen. Zwijgzaam. In slaap gevallen taal. Een steen in het hart. Voortrollend.
Jongeman. Herinneringen aan moeders wijze raad, het water in de put,
de diep begraven zorgen.

Hij aarzelde lang om plaats te nemen op een postzegel terug naar huis.
Eén brief van hem:
Bus 662 had hem, op de Baoshiweg, overreden.
De elektronicafabriek Helder Licht was hem salaris schuldig.
In het zuiden van de stad
pakte hij een keukenmes.

BUS 662

662 keer bus 662 nemen.
Bus 662 is niet het beginpunt noch het eindpunt.
Hij gaat door het industrieterrein Luozu, door het stadje Shiyan en het golfterrein,
precies zoals ik lagere school, middelbare school en universiteit heb doorlopen.

Industrieterrein Luozu zoekt arbeidskrachten.
Op het perron wordt een jongen die ver van huis is
omvergereden door bus 662, een plastic emmer rolt een heel eind weg,
de lucht wordt plots donker. Goud, verloren op de grond, niemand die het opraapt.

Bus 662 was niet gewond.
Bus 662 laadde geen rijst in.
Bus 662 droeg geen sorghum.
Bus 662 gooide er een tiental mensen uit en reed weg.

Ik ben als een gewonde armoedzaaier die net wakker wordt, totaal van de kaart.

Ik weet niet zeker of de maan
een laagje rijp over de longziekte giet.
Of dat hij zout in de wonde strooit.

OP PAPIER TERUG NAAR HUIS

1.
Een jongen, telt kort voor dageraad, van de eerste tot de dertiende verdieping.
Als hij klaar is met tellen staat hij op het dak.
Hij.

Vlieg, vlieg. De beweging van vogels, onnavolgbaar.
De jongeman trekt een rechte lijn, zo snel,
een bliksemflits,
je ziet alleen, de voorste helft.
De aarde, groter dan het stadje Longhua, komt hem tegemoet.

Snelheid leidt de jongen weg; rijst leidt het kleine wit weg.

2.
Moeders tranen springen van de rand van dakpannen.
Dit is de dertiende sprong in een half jaar. Die eerdere twaalf,
stof, net neergedaald.
De herfstwind wiegt moeders rietpluimen nachtenlang.

Zijn witte as, broos wit, keert per trein terug naar huis,
zonder aandacht voor het rijstwit, het rietpluimwit,
moeders wit,
rijpwit.

Het enorme wit begraaft het minuscule wit,
net zoals moeder haar dochter begroef.

3.
Op de dertiende verdieping wordt een net tegen zelfmoord vastgemaakt, mijn werk
om het loon van één dag te krijgen.
Uit alle macht draai ik, met de klok mee, beetje bij beetje een schroef vast,
hij stribbelt stiekem tegen, protesteert.
Hoe meer kracht ik zet, hoe gevaarlijker.

Rijst, vissengeurlippen, een kuiltje met twee druppels dauw. Ze is nog steeds bezorgd.

Herfstkleren
worden iedere dag minder.
Mijn vriend die op papier terug naar huis is gekeerd, behalve rijst, jouw verloofde,
zijn er maar weinig mensen die nog weten dat jij in kamer 701 van dit gebouw
ooit een bed hebt gehad,
dongguan rijstnoedels hebt gegeten.

FABRIEKJE VAN ÉÉN HECTARE

Van één tot tien, van tien tot honderd, van honderd tot duizend tellen.
Duizend perzikbloesems,
duizend pioenen,
duizend winterpruimen.
Allemaal echt heel mooi.

Duizend bloemknoppen van het platteland die naar de fabriek bloeiden.
Duizend verborgen geuren die hetzelfde werkwoord overleveren.

Van seconden naar minuten, van minuten naar uren tellen.
Van januari naar februari, van februari naar maart tellen.
Van de lente-equinox naar de herfstequinox,
van de herfstequinox naar de eerste vorst tellen.
Voorbereiden op het tellen naar de eerste dag
dat de bloemen verwelken.

Nacht. Twee lichten verschijnen in de fabriek.
De ene is de lamp van het overwerk, de andere
het dwaallicht dat steels uit de ooghoeken van de baas valt.
Mogen beide de frisgroene jurken van de meisjes niet besmeuren.

Op hun werkkaart zitten twee parfums.
Een is de leeftijd van de meisjes,
de ander is het zweet van het werken.

Uitbetalingsdag, fabriekje van één hectare, één hectare sesamveld in bloei,
één hectare geuren,
door wie weggedragen?

EEN ANDERE PROVINCIE IN DE LAATSTE MAAND VAN HET JAAR

Zij, schoten weg, als een pijl.
Zij,
hoorden oud nieuws
Nieuwjaar naderde.

Nieuwjaar voor alle Han-Chinezen. Stereotiep. Net als vorig jaar
varkens slachten. Een schaap doden. Gedroogd varkensvlees
en Nieuwjaarseten voorbereiden,
het volk wil het geluk van een heel jaar in deze ene dag proppen.

Een ander volk koopt
aan het einde van het jaar
een buskaartje, verhuist van de ene onbekende plek naar de andere.
Hij wil de heimwee van een heel jaar
óók in deze ene dag proppen.

Dit voorval gebeurde in de provincie Guangdong waar ik rondzwierf,
gezien door december. Hij.
Al meer dan tien jaar vertrokken uit de staat Chu,
gaf al zijn geld uit aan verre reizen,
weinig spaargeld.

Eenzaam.

Op een keer ging hij in de tegenovergestelde richting van thuis,
werd in moeders ogen de vijand.
Aan het eind van de maand toen het jaar wisselde,
de oude vrouw aan het begin van het dorp, ik liet haar
vergeefs wachten.

ZWARE METALEN

1.
Ik. Pak een mes tevoorschijn, hak het rivierwater in stukjes,
ze zegt niet dat het pijn doet.
Ze is ongedeerd,
zo ongedeerd dat het me irriteert.

Het rivierwater van thuis is echt heel erg zacht, zo zacht dat het een omweg maakt
voor elke zandkorrel dit het raakt.
Het rivierwater is echt heel schoon,
vis en garnalen, gevoed door een spiegel, op hun achttiende nog schriel.

En toch. De verrader is al volwassen.

2.
Grootvader is begraven op de zuidhelling,
vader is begraven op de zuidhelling,
de jonge verrader heft een been en duwt de zuidhelling duizend mijl ver.

Vegetatie, verdroogt en bloeit. Moeder loopt heel snel,
ik ren heel langzaam, volg haar tot aan de zuidhelling, zonder haar schaduw te zien.

Een spion ligt in het hart op de loer, verdwijnt overdag, verschijnt ’s nachts.

De verrader, snijdt de navelstreng door, draait zelfs zijn hoofd niet om,
De verrader, vol kogelwonden, geen informatie gelekt.

3.
De verrader, vlucht waarschijnlijk naar het zuiden, de mensen in het dorp praten over
leven en dood.

Hij, lijdt aan allerlei smerige ziektes, voor zover ik weet.
Hij, twee keer bot gebroken, potten begravend in de nacht, complot vroeg in de ochtend.
Hij, soms, bloed, niet rennend door de aderen.
Hij, wordt ziek, koorts, op 7 april 1998. Pratend in zijn slaap.

Een meisje dat Zhang heet
wordt achterop een fiets, langs de tweede oostelijke ringweg,
snel naar het Hengli-ziekenhuis gebracht.

Vele jaren later, de verrader gaat alleen door de nacht,
glipt naar een andere stad, naar Paardenstaartstraat 102,
Zhang, met haar dochter,
zo’n jonge informant.

De verraders reputatie, en zijn gegluur naar jou, met niemand gedeeld.