Gedichten van Zheng Xiaoqiong 郑小琼

郑小琼在荷兰鹿特丹国际诗歌节签名 Chinese poet Zheng Xiaoqiong signing books at the Rotterdam International Poetry festival, 2019

HU ZHIMIN

de laatste jaren ben ik ondergedompeld in een enorm tijdperk
voel me zwak en krachteloos     een bruisend leven
bedekt onder troosteloze ontkenning en onwetendheid
haar dood is een wond van deze tijd
net als haar drie broers en ouders die ruziën om
de schadevergoeding     om haar stoffelijk overschot maalt niemand
treurt niemand     huilt niemand
haar enige gezelschap is het ijskoude getal van de schadevergoeding
Hu Zhimin: drieëntwintig jaar     dood door alcoholvergiftiging
ik koester nog levendige herinneringen aan haar
ooit een collega     later vervallen tot hotel-
prostituee     haar oprechte lach     haar harde stem
haar wereldlijke ervaring     teveel zogenaamde levenswaarheden
had ze gezien zo zei ze me     ze bevond zich
op de drempel van de realiteit     zoals de lusten en het lijf
ze sprak zonder enige schaamte over haar beroep
en haar plannen voor het leven     in haar geboortestreek
waren veel jonge meisjes die dit oude beroep beoefenden
pas getrouwden     zussen     tantes of schoonzussen
in groepjes gaan ze     naar Nanjing     naar Guangdong . . .
in kapsalons     donkere kamers     ze was knap
in hotels     toplocaties     geluk stond
op haar gezicht . . . we zagen elkaar weinig     hadden
eenzelfde achtergrond     maar leefden toch in
verschillende werelden     deze stad     deze tijd
had twee mensen door het toeval bijeengebracht en gescheiden
elk ging haastig haar eigen weg
het lot is niet te keren     “ze is dood!”
hoorde ik van een streekgenoot van haar     en hij vertelde me
over haar dood     hoeveel geld ze naar huis had gestuurd
hoe mooi het huis was dat haar familie had gebouwd     hoe haar broers met het geld
dat zij met haar lijf had verdiend     een huis in het dorp hadden gekocht een winkel geopend
hoe haar broers     na haar dood     niet eens haar as
terug naar huis hadden gebracht     ze mocht niet in het voorouderlijke graf worden bijgezet
ze verkocht haar lichaam     smerig     dat zou de feng shui van de familie schaden

(uit Vrouwelijke migrantenarbeiders, 2012)

KINDARBEIDER UIT LIANGSHAN

het leven is verbijsterend     het tijdperk wordt langzaam
blind     een veertienjarig meisje staat met ons
aan de lopende band met daarop de vermoeidheid van deze tijd
soms     wil ze niets liever dan terugkeren naar haar geboortestreek in Sichuan
hout hakken     gras snijden     wild fruit en wilde bloemen plukken
uit haar magere blik spreekt verlorenheid     ik weet niet
hoe ik dat zou kunnen uitdrukken     behalve:
kinderarbeid     of zuchten zo dun als papier
haar blik kan elke lieve ziel breken
waarom wordt het weinige beetje medelijden
door de machines van de lopende band kapot gewalst?
haar net iets tragere bewegingstempo wekt vaak
het gevloek van de voorman     haar tranen vallen niet
ze vullen haar ogen     “ik ben groot
mag niet huilen”     zegt ze bloedserieus
zo verbijsterend     van haar kindertijd resteren alleen nog
herinneringen     ze heeft het over dingen uit de bergen, zoals hellingen
blauwe meren     slangen     koeien
misschien is het leven het vinden van een weg te midden van verbijstering
om terug te keren naar het leven zelf     soms toont haar donkere gezicht
een blik van minachting voor een ploegmaatje
dan wijst ze naar een ander meisje, zwakker dan zijzelf, en zegt:
“zij is jonger dan ik     maar zij moet ’s nachts met mannen slapen”

(Uit Vrouwelijke migrantenarbeiders, 2012)

ZHOU YANGCHUN

in de wereld van haar dromen     staat zij op de kade
maar is er geen schip     of doet ze een examen maar
is de tijd om voor ze klaar is     nog vaker is het een inferieur product     leeg en verlaten
’s nachts in de bergen     is zij eenzaam achtergebleven     niemand ter steun
ze beschrijft me de scènes uit haar dromen wanneer ze het uitschreeuwt      de lamp
schijnt op haar gezicht dat heeft geschreeuwd     ontspannen en uitgestrekt
zonder de zwijgzaamheid en spanning van de dag     in haar dromen
ziet ze desolaatheid     en moet schreeuwen     ze is bang
ze schreeuwt zich wakker    confrontatie met twaalf mensen
een krappe slaapzaal     met de ontsteltenis van haar collega’s
ze verontschuldigt zich     ze zegt dat in haar lichaam
een demon schuilt     overdag rustig opgekruld
’s nachts komt hij haar kwellen     haar lichaam is nog niet gewend aan
de twaalfurige werkdagen in de elektronicafabriek     moe
is het enige woord dat ze nog kan zeggen     aan de lopende band
haar lichaam stijf en onhandig     pijnlijke gewrichten
mechanisch geworden vingers     geen controle meer
over haar rug     benen     lendenen     onbeschrijflijke pijn
drukt als een rots op haar lichaam     ze moet uit haar lichaam
een desolaatheid elimineren     die haar laat schreeuwen     een beest
rent haar slaap uit     dit zeventienjarige meisje uit Hunan
schreeuwt alsof een rots haar neerdrukt     tijdens haar slaap
explodeert de schreeuw die in het diepste van haar aderen stroomt
verplettert de hele zaal     tussen haar gehijg en geschreeuw in
voelt mijn slapeloze ik een gigantische druk in het lichaam
van de zwijgzame arbeidster     haar geschreeuw snijdt dwars door
dit nauwe industriële tijdperk     als een hulpkreet
als een verborgen substantie die in haar aderen borrelt
wij mopperen nog dat haar geschreeuw onze zoete dromen
heeft stukgeslagen     haar pure lichaam en verbijsterde blik
het geschreeuw in haar dromen is het chronische lijden
van het lichaam in het industriële tijdperk     het stapelt zich op en explodeert

(Uit Vrouwelijke migrantenarbeiders, 2012)

XURONG

in zijn zinloosheid heeft het leven volop zin verzonnen
geconfronteerd met de grauwe nederlaag van de dood     desondanks zit ik
nog altijd vol grandioos respect voor het leven
dat leven     laat mij getuige zijn van de schitterendste landschappen van deze wereld
ik lees over het lot van deze vrouwen     of van mij
lichaam en ziel aangevreten door de industrialisatie     wij
zijn vroegtijdig onszelf verloren     geëlimineerd uit de werkelijkheid
resteren ziektes      afgerukte vingers     herinneringen aan wonden die het tijdperk overleven
terwijl ik deze regels schrijf     toont jouw bleke gezicht
de breekbaarheid van je lijf     duizelingen     hartkloppingen     moeizame
ademhaling     geleidelijk plooi je je naar het industriële tijdperk
met zijn bijbehorende ongemakken     lijm     benzeen . . . opgehoopt in aders
angstaanjagender dan lichamelijke pijn     zijn de kwalen in de maatschappij
talloze vrouwen met eenzelfde lot als jij     ze snappen de oorzaak
van de ziekte niet     vanuit de steden van anderen keren ze terug naar hun eigen streek
doorstaan de kwellingen van hun ziekte     sterven in stilte     worden het stille deel
de industrie toont nog steeds volgens zijn eigen aanpak een landschap van ijdelheid
de maatschappij is nog altijd dronken van de onverklaarbare welvaart     jij sleept
je zwakke lijf     van de fabriek naar het diagnosecentrum voor beroepsziekten
naar het centrum voor milieubescherming     naar de instantie voor fysieke arbeid     je
verdraagt     de marteling van sociale én lichamelijke ziektes     medicijnen
stromen door je aderen     houden tijdelijk de keel van je ziekte onder controle
sociale ziekten blijven zweren     van de ene kwaal
naar de andere     ze laten je nog duidelijker
de waarheid van het leven doorzien     zeker     deze ziektes die mensen
razend maken      brengen mensen echt tot zwijgen     maar jij moet
de oorsprong van je ziekte vinden     in je eenzame blik zie ik
het ware licht     er is al genoeg pijn     we kunnen niet nog
domweg in pijn blijven     “velen sterven zonder de diagnose beroepsziekte te krijgen”
deze weg is zwaarder dan die naar Shu[1]     wij komen allemaal uit Shu     ondergaan het lot
op deze kronkelige spannende bergwegen     van afwijzing naar thoracotomie voor longonderzoek[2]
ik zit vol onbedwingbare pijn en woede . . .

(uit Vrouwelijke migranten arbeiders, 2012)


PROSTITUEES VAN MIDDELBARE LEEFTIJD

laagbouw met dakpannen in een sloppenwijk     donker, vochtig licht
vieze, beschimmelde riolen     de vrouwen zitten in de deuropening
breien truien     kletsen      en keuren voorbijkomende mannen
oogschaduw en rouge     kunnen hun leeftijd niet verdoezelen
ruim dertig of ouder     in de hectische sloppenwijk
bespreken zij hun lichaamshandel en klandizie
dertig kuai     twintig kuai     af en toe geeft een klant
vijftig kuai     ze bespreken de patronen en kleuren
van de truien in hun handen     ze breien voor hun ouders
ver in Sichuan      of ze sturen het gebreide naar
een verre zoon     ze zijn behendig
soms praten ze over een gearresteerde collega uit de buurt
vierduizend kuai boete gehad     ze zeggen dat ze elke maand driehonderd kuai
aan een ingewijde geven      hoewel dit zogenaamde beschermgeld
tien standaard zakelijke transacties zijn     is het voor hen alsof
ze tienmaal door een geest zijn genomen     al is die geest
gigantisch groot en hol     ze voelen zich verloren
ik stel me hun huidige leven voor     dat van vroeger
en dat in de toekomst     onder de truien in hun handen
schuilt het hart van een moeder     het hart van een echtgenote
het hart van een dochter    hun zuchten in het donker en
hun hulpeloze gekreun achter gesloten deuren     op de achtergrond zijn ze
een groepje moeders     dat truien breit in de deuropening     de oogopslag
van deze prostituees van middelbare leeftijd is net zo wazig
als het gezicht van de staat    onbegrijpelijk voor de massa

(uit Vrouwelijk migrantenarbeiders/Vrouwenwerk, 2012

ZIJ

Ik herinner me dat ijzer, het ijzer dat met de tijd verroestte
lichtrood of donkerbruin, tranen in het vuur van een kachel
Ik herinner me de afwezige, vermoeide ogen bij de machinetafels
Hun blik was onbeduidend, minuscuul, klein als een langzaam vuurtje
Hun ellende en zorgen, en nog een beetje, een heel klein beetje hoop
lichtten op in het schijnsel van het vuur, zich ontvouwend, op witte bouwtekeningen
of tussen de rode lijnen van traditionele tekeningen, naast het magere maandsalaris
en een innerlijk dat met de dag vermoeider raakt

Ik herinner me hun gezichten, hun troebele blik, hun minieme rillingen
hun vingers met eelt, hun eenvoudige, ruwe leven
Ik fluister: zij zijn ik, ik ben hen
Ons verdriet, onze pijn en hoop worden verzwegen en lijdzaam gedragen
Wat we op ons hart hebben, onze diepste gevoelens en onze liefde zijn in tranen,
allemaal zijn ze even stil en verlaten als ijzer, of pijn

Ik zeg: in de immense massa zijn we allemaal gelijk
we kennen liefde en haat, halen adem, hebben een nobele geest,
net zoals onbuigzame eenzaamheid en medeleven!

(uit Huangmaling, 2006)

IJZEREN VOGEL

de tijd slaat als een grijze ijzeren vogel tegen het raam
maanlicht loopt over oude herinneringen door de kamer
mysterieuze, zwijgzame vorst valt neer, dat witte zaad op de grond
groeit uit tot stille bomen, die in het noorden
hun blad laten vallen, in het zuiden zie ik uit over het geluk
dat tijdens de slaap door dromen is hersteld, de ijzeren vogel verdwijnt in de stilte,
de kuiltjes in de wangen die fonkelden tussen de bomen in het noorden
de liefdes die ik ooit verzon, elk daarvan slaat
als een grijze ijzeren vogel met zijn vleugels

(uit Keuze van Zheng Xiaoqiong, 2008)

TAAL

Ik spreek deze stekelige vettige talen
gietijzer – de taal van stille arbeiders
de taal van vaste schroeven     kreukels en herinneringen van staalplaat
de taal van eelt     wreedaardig    huilend     ongelukkig
pijnlijk     de taal van honger     achterstallig loon van machinelawaai     beroepsziekten
de taal van afgerukte vingers     de taal van de sokkel van het leven
in het donker van werkeloosheid
in vochtige ruimtes tussen tralies      die trieste talen

. . . ik reciteer ze zacht

in machinelawaai. Donkere taal. Zweterige taal. Roestige taal
. . . als de hulpeloze blik van jonge arbeidsters of arbeiders met letselschade bij de fabrieksingang
Hun taal van pijn     de taal van bevende lijven
de taal van verminkte vingers waarvoor geen schadevergoeding is

Verroeste schakelaars, cassetterecorders, de wetten, het systeem.
Ik spreek een bloedzwart geblakerde taal.
Een angstige, brullende taal van status, leeftijd, kapitaal… Belastinginners en pennenlikkers.
Fabrieksbazen. Tijdelijke verblijfsvergunningen. De taal van . . . migrantenarbeiders.
De taal van hen die van een gebouw springen. De taal van BBP. De taal van prestigeprojecten.
De taal van schoolgeld voor kinderen.

Ik spreek van steen. Overwerk. De taal van geweld
Ik spreek van . . . afgronden. De ladder van het leven. Ongrijpbare verten.
De taal, die in windvlagen van nutteloze inspanning, de reling van het leven vastgrijpt

Ik spreek –

deze stekelige, vettige talen, al hun stekels spreiden zich
en prikken pijnlijk in dit zachte tijdperk!

(Uit: Mijn gedichten hedendaagse arbeidersgedichten, 2015)

TREIN

In mijn lijf is een weidse vlakte verzameld, een trein
rijdt eroverheen, terwijl de herfst juist in diepe
koele schemer is, ik volg de trein
trek dwalend rond, plant duizend meidoorns op uitgestrekte velden
Hun witte kruin, vuurrood fruit, de barmhartigheid en rust
die ze uitstralen – ik ken het lot, het lijkt op een eindeloze berghelling, rivier, veld
of een kronkelende rivier, ze kruipen laag achter de trein aan
Boven op de bergen ver en dichtbij staan haveloze bomen,
hun ontspannen, onwerkelijke schaduwen
lopen met de trein mee, een of een paar bomen . . . ze staan op een troosteloze vlakte
Ik praat tegen ze, ze zijn mijn vrienden of familie

(uit Huangmaling, 2006)

HUURKAMER

Het geruis van een ouderwetse plafondventilator dooft uit
Langzaam komt vanaf de kust de geur van vis aangewaaid, brakke levens
op een rij, vullen nu dit boek, deze gedichten, gordijnen . . .
Hun bleke, verschrompelde schedels
lijken op de dorre blik van een werkloze

Eindelijk kookt het stille water in de ijzeren pan, een gloeiendhete warboel,
een zwart slot, gouden instantnoedels, een rijstkom, een schaal
een schoongewassen bosuitje – het enige restje groen in dit leven

(uit Huangmaling, 2006)

HET MET DE TIJD VERROTTE LIJF

In het met de tijd verrotte lijf, via een versplinterde stem
de liefde in elkaars blik raken, door het vet van machinetafels heen
de warmte van jouw vingers achtergebleven op de joystick, gestold op
half afgemaakte producten in de plastic mand, bergt mijn pijn weg
scheidt dag en nacht met een sonde en klemmetjes, een controlelampje
gluurt steels naar mijn vroeg-zomerige liefde, gapt schoonheid en eenzaamheid

In de door vlammen gewassen tijd doet extreme hitte het zweet verdampen
plastic, hout, we staren naar de sterren van overwerk
omgeroerd door machinelawaai, snikhete wenkbrauwen smelten
in de hoge drukvaten, donkere nacht, witte rijp, twijfelachtige
mengsels ontkiemen op de machinetafels, groeien, bloeien
een seinlampje gaat door de maan heen, gapt heimwee en sneeuw

In de door de tijd versnipperde ongerustheid dringen lichtstralen door het voorjaar van ijs
stroom gewikkeld in elektriciteitsdraden brengt midzomerhitte, licht en liefde mee
fonkelt tussen het wolfraamdraad, schroevendraaiers draaien de zon de zwarte nacht in
het rusteloze lichaam is stil om middernacht, katapult, film en aluminiumdraad
meten tussen de gaten van binaire chips de liefde waarmee we elkaar warmen
een waarschuwingslamp grijpt de maan, gapt dromen en voorjaar

SCHOR

ik dacht dat de tijd met het verstrijken de waarheid zou onthullen
het groeiende sediment van de geschiedenis deprimeert me     tussen schorre
stemmen kristalliseert stilte: snikhete woorden en zinnen
smelten het ijs van de politiek     hoe kan de nachttrein
de maan inhalen     uit de herfstwind
zijden dichtregels trekken     soepele kunst zit vol tegenslag
hun namen zijn nog altijd verboden gletsjers
de missie van zout gedragen door uitgeknepen woorden
een vurige uitbarsting geperst uit goede burgers      stijgende
lijfelijke woede     en vaak voel ik een onbeschrijfelijk verdriet
tussen die onverwoestbare stemmen     hebben zij mij
pijnlijk diep geraakt     bijeen     uiteen
diep in het sediment worden zij het heldere kaarslicht van de waarheid


[1] Verwijzing naar het beroemde gedicht ‘De weg naar Shu is zwaar’ van Li Bai (701-762), over de gevaarlijke weg tussen de hoofdstad Chang’an naar Shu, die via een ontoegankelijk gebergte liep. Shu was in die tijd de benaming voor de huidige provincie Sichuan, waar veel migrantenarbeiders vandaan komen. (Zie de vertaling van W.L. Idema in de Spiegel van de klassieke Chinese poëzie.)

[2] Verwijzing naar de beroemde zaak van de arbeider Zhang Haichao die op jonge leeftijd pneumoconiosis kreeg. Die diagnose werd in eerste instantie niet erkend omdat hij was gesteld in een ziekenhuis dat niet gemachtigd was voor beroepsziekten. Zhang vroeg ten slotte om een thoracotomie om de ziekte te bewijzen. In 2013 heeft hij een dubbele longtransplantatie gekregen.