Letterlijken uit Taiwan: over de taligheid van Ye Mimi en het vertalen van haar poëzie

In 2018 verscheen bij uitgeverij Vleugels een bundeltje gedichten van de Taiwanese Ye Mimi, dat ik heb vertaald. Dat was een fantastische ervaring die me ook de nodige hoofdbrekens heeft bezorgd, want Ye Mimi vertrekt echt vanuit de mogelijkheden van de Chinese taal: klankherhaling, rijm, ritme, grapjes, ambiguïteit, woordspelletjes, verzonnen woorden, zelfstandige naamwoorden als werkwoord gebruiken, of de vormaspecten van het karakter als uitgangspunt voor een heel gedicht nemen. Haar poëzie heeft het allemaal, maar gelukkig niet allemaal tegelijk in hetzelfde gedicht! Mimi zoekt de grenzen van haar taal op, af en toe wringen de zinnen ook net een beetje, en ze werkt erg intuïtief en associatief. Al zijn sommige gedichten licht verhalend, de verzen zijn springerig en kunnen beelden aaneenrijgen zonder duidelijk verband. Ze gaan over de meest uiteenlopende zaken en lijken vaak een aaneenschakeling van snapshots uit het dagelijks leven, uit tekenfilms, of uit, zoals ze het zelf zegt, bizarre dromen, waarvan een titel als ‘een mot legde haar eitjes in mijn oksel en stierf toen’ (蛾在腋下產卵,然後死去) een goed voorbeeld is, want hoe vaak lees je over een mot in een oksel, laat staan in een gedicht? De titel van de bundel, Ik wist niet dat jij niet wist dat ik niet wist (我不知道你不知道我不知道, naar het titelgedicht) geeft al een indicatie van haar humoristische insteek.

Het was een hele uitdaging om te proberen dat alles in het Nederlands over te brengen, juist ook bij de gedichten die uitgaan van de typische karakteristieken van het Chinees. Soms moest ik het origineel daarvoor helemaal loslaten. Het gedicht ‘Kunst met een grote K’ bijvoorbeeld heeft in het Chinees een heel andere titel: 蟻鼠移樹姨叔遺書醫術已輸藝術. Zou je die karakter voor karakter vertalen, dan krijg je iets als: mier en muis verplaatsen bomen tante en oom testament geneeskunst al verliezen (van) kunst; ofwel, het woord voor kunst met zes homoniemen ervoor, waarvan alleen de tonen van de uitspraak verschillen. In transcriptie is dat: yǐshǔ yíshù yíshú yíshū yīshù yǐshū yìshù. Daarna volgt de aanbeveling om de titel vijfmaal snel achter elkaar te fluisteren.

Een tongbreker dus en die hebben we in het Nederlands ook wel, bijvoorbeeld ‘als achter vliegen vliegen vliegen vliegen vliegen vliegen achterna’, of die van de knappe kapper. Maar een tongbreker over kunst kon ik niet vinden en niet verzinnen, want ons ‘kunst’ is best een lastig woord, het rijmt zelfs maar met vier woorden (dunst, gunst, vunst, klunst), en variaties door letters weg te laten, de n, s of t of een combinatie daarvan, leverden ook al niet veel op. Andere woorden opschrijven die met ‘ku’ beginnen? Ach, nee. Een heel andere tongtwister verzinnen? Of het gedicht dan toch maar classificeren als onvertaalbaar en weglaten? Maar ik wilde dit specifieke voorbeeld graag behouden omdat de schrijfster zich hierin vrij expliciet uitlaat over haar kunstopvatting. Dus besloot ik het over een andere boeg te gooien: het gedicht spot met de aloude houding om kunst als iets heiligs te zien alleen omdat het Kunst is, en de herhaling van yishu kun je interpreteren als een manier om het woord te ontkrachten. En daarmee was in het Nederlands een heel andere titel geboren: Kunst met een grote K, een regel die we allemaal kennen en waarvan we gelijk de ironie zien. En wie weet kom ik ooit toch nog eens op een geschikte tongbreker (iets met ‘kunstige kunst aan de kust’?), want ook dat is leuk aan vertalen: het is nooit af en het kan altijd net ietsje anders.

Voor de bundel wilde ik ook養酉鬼 vertalen. Ye Mimi had dat gedicht op verzoek van een andere dichter geschreven op het thema ‘lelijk’, 醜. Daarvoor had ze dat karakter uit elkaar getrokken in de rechter- en linkerhelf, die de laatste twee karakters van de titel vormen, waarbij 酉 onder meer een tijdsaanduiding is, tussen vijf en zeven uur in de avond, en 鬼 betekent: geest, spook. Ook bedient ze zich in het gedicht van een paar karakters waarin het linkerelement酉 zit: 酒吧 (café), 酒鬼 (dronkaard), 醜聞 (schandaal), of van een variatie daarop, zoals 西. Het eerste karakter uit haar titel,養, betekent opvoeden, voeden, houden, zoals je ook een huisdier houdt. Mimi stelde zich zo’n ‘spookje’ voor, zo zei ze erbij, als een populair huisdiertje dat iedereen wel wil hebben, en dat ondanks het feit dat het erg lelijk is!

Ze stuurde me ook de Amerikaanse vertaling. Die had de Chinese karakters die de taalspelletjes betrof in de vertaling opgenomen, met een voetnoot voor de uitleg. Dat vond Ye Mimi prima, want hoe moet je immers al die taaleigen aspecten van het Chinees in een vertaling overbrengen? Als ik dat in het Nederlands voor het eerste deel van het gedicht doe, krijg je zoiets:

het is tegenwoordig erg populair om een 酉鬼 te houden
dat is een soort spook dat tegen de avond tussen vijf en zeven rondzwerft
dit soort spoken vindt het niet alleen leuk om naar het西 (westen) te kijken
maar heeft ook een bamboestok dwars over zijn buik
dit soort spoken is gewoonlijk erg 醜 (lelijk)
maar die lelijkheid heeft zo z’n stijl
hoe lelijker de 酉鬼 hoe geliefder

iedere dag spreken vrouwen om 5 uur af bij postloket 55 op de 5de straat
en openen het pakketje 酉鬼 dat speciaal wordt gebracht op die tijd
een voor een pakken ze de duizelige 酉鬼 eruit     trekken hen stevig bij de hand mee
trekken de 酉鬼 mee naar het酒吧 (café) voor vertier met 酒鬼 (dronkaards)
een zooitje 酉鬼 en een zooitje 酒鬼 (dronkaards) die vingerspelletjes doen
alsof ze een huisdierenvereniging zijn

Ik zag een wezentje voor me zoals Caspar het vriendelijke spookje uit de tekenfilm, maar het leek me toch veel leuker als ik een equivalent in het Nederlands kon vinden, want de Nederlandse lezer bekijkt die karakters toch op een heel andere manier. En een van de leuke dingen van het vertalen is toch altijd weer het vinden van een oplossing voor een in eerste instantie onoplosbaar lijkend probleem. Zodoende veranderde het spookje in een lijkje, want heel veel woorden in de categorie ‘spook’ hebben we niet, en het moest ook nog worden gecombineerd met iets anders. Daarentegen hebben wij juist veel woorden die op het onbeklemtoonde -lijk eindigen; wellicht kon ik Mimi’s taalspelletje om een karakter uit elkaar te trekken, vervangen door een woord dat je in eerste instantie anders leest? De Nederlandse titel werd: een letterlijk houden, en de overige elementen werden in dezelfde stijl aangepast: de dronkaards werden letterzetters die de letterlijken ter vermaak amusement meenemen naar een letterzee:

het is tegenwoordig erg populair om een letterlijk te houden
dat zijn lijken die graag van 5 tot 7 tussen letters zwerven
lijken die het niet alleen leuk vinden om naar een let te kijken
maar die ook altijd met een stokje beginnen
lijken die gewoonlijk erg letterlijk praten
maar die letterlijkheid heeft zo z’n stijl
hoe letterlijker het letterlijk hoe geliefder

iedere dag spreken vrouwen om 5 uur af bij postloket 55 op de 5de straat
en openen het pakketje letterlijken dat speciaal wordt gebracht op die tijd
een voor een pakken ze de duizelige letterlijken eruit
trekken hen stevig bij de hand mee
trekken de letterlijken mee naar de letterzee voor wat vertier met letterzetters
een zooitje letterlijken en een zooitje letterzetters die samen spelletjes doen
alsof ze een huisdierenvereniging zijn

Al met al is ook dat een flinke wijziging, maar het cartooneske element, dat zo belangrijk is in veel van Ye Mimi’s gedichten is hiermee naar mijn mening in de vertaling behouden gebleven. De Nederlandse versie is waarschijnlijk wel wat macaberder, al is vanaf het begin duidelijk dat het om geliefde, vriendelijke lijkjes gaat – ook Caspar het spookje joeg menigeen schrik aan, omdat hij nou eenmaal een spookje was. Het is even wennen. En toch is dit precies waar Ye Mimi’s werk vaak om draait: woorden uit hun context halen, (banale) dingen op een onverwachte manier samenbrengen, waardoor je er als lezer (anders) over na gaat denken.

Pas later realiseerde ik me ineens dat je van ‘letterlijk’ maar een paar letters hoeft te schrappen en dat er dan ‘lelijk’ staat. Een grappige bijkomstigheid! Een beetje geluk bij het vertalen moet je soms ook wel hebben.


Dit essay verscheen eerder in Filter. Tijdschrift over Vertalen (Februari 2019)
Ye Mimi, Ik wist niet dat jij niet wist dat ik niet wist, verscheen bij uitgeverij Vleugels (2018)

Ik schrijf omdat ik een toeval ben – Jidi Maja boekvoorstelling

Nicky Aerts (radio Klara) gaat in gesprek met vertaalster/sinologe Silvia Marijnissen over de poëzie van Jidi Majia, over Chinese (hedendaagse) poëzie en poëzie in het algemeen. Silvia Marijnissen vertaalde voor het Poëziecentrum Ik schrijf gedichten omdat ik toeval ben van de Chinese dichter Jidi Majia.

Jidi Majia (1961) behoort tot de Nuosu, een minderheidsvolk in China uit de provincie Sichuan. Hij werd bekend met zijn poëzie die stevig geworteld is in de tradities van zijn volk, dat tot de Tibeto-Birmaanse familie behoort. In stijl doet zijn werk aan orale literatuur denken en inhoudelijk toont het een grote gevoeligheid voor de kosmos, de natuur en het landschap. Jidi snijdt in zijn sterk geëngageerde gedichten thema’s aan die juist in deze tijd (coronacrisis, klimaatproblemen, de politieke ontwikkelingen in de verschillende landen) actueel en relevant zijn: hij uit zijn bezorgdheid over de vernietiging van de natuur, over oorlog en geweld, over de globalisering van de wereld, over het verval van sociale waarden. Met het werk van Jidi, dat in vele talen is vertaald en nu voor het eerst in het Nederlands verschijnt, gaat een andere wereld voor ons open. 

datum: Vrijdag 2 april 2021 | 20 uur
toegang: Gratis, aanmelden verplicht
inschrijven: Via deze link. Op de dag van het evenement krjg je in je mailbox de link toegestuurd om de voorstellling en het gesprek digitaal bij te wonen

Ochtendgloed eten

Er zijn van die momenten dat je je het liefste in je eigen wereldje zou willen terugtrekken en alles om je heen vergeten, zoals de dichter Han Shan lang geleden beschreef:

Pure and Remote View of Streams and Hills 溪山清遠 is een schildering van Xia Gui (夏珪, 1180-1230) uit de Song dynastie, en hangt in het National Palace Museum in Taipei; Handscroll, inkt op papier, 46.5 x 889.1 cm.

有一餐霞子,其居讳俗游。论时实萧爽,在夏亦如秋。
幽涧常沥沥,高松风飕飕。其中半日坐,忘却百年愁。

Er is een meester die ochtendgloed eet,*
zijn woning is ver van werelds vertier.
De seizoenen zijn er aangenaam koel,
in de zomer is het als in de herfst.
Een verborgen beek kabbelt gestaag voort,
door de hoge pijnbomen ruist de wind.
Wie daar een halve dag kan verblijven,
vergeet het verdriet van honderd jaren.

* De eerste regel is een verwijzing naar de taoïsten, die hun ademhalingsoefeningen in de vroege ochtend doen, omdat er dan veel yang, levensenergie, in de lucht zit.

Over de dichter die wordt aangeduid met de naam Koude Berg, Han Shan in het Chinees, is weinig met zekerheid bekend. De ruim driehonderd gedichten die onder die naam zijn verzameld, zouden bijeen zijn gebracht door ene Luqiu Yin, aldus het voorwoord bij de verzameling. Maar ook de identiteit van deze man is allesbehalve eenduidig, waardoor er twijfels bestaan over het waarheidsgehalte van zijn voorwoord.

Het beeld dat in de loop van de eeuwen van Han Shan is overgeleverd, is dat van een excentrieke, lachende kluizenaar, die samen met zijn zielsverwant Shide rondzwierf op de Koude Berg, een van de toppen in het Tiantai-gebergte in het Zuidoosten van China. Het voorwoord van Luqiu Yin noemt de twee mannen incarnaties van de bodhisattva’s Manjusri en Samantabhadra.[1] Ze woonden in grotwoningen in de buurt van een kloostertempel met de naam Guojing, waar ze van de zenmeester Fenggan soms wat te eten kregen. Door de eeuwen heen werden de twee kluizenaars een geliefd onderwerp voor Chinese en Japanse schilders. Ze worden steevast afgebeeld in vodden, met verwilderde haren en een brede grijns – als mensen die het midden houden tussen gekken en wijzen.

Duidelijk is dat er iemand is geweest die zichzelf naar de bestaande berg heeft vernoemd. Deze Koude Berg zou ergens tijdens de Tangdynastie (618-907) hebben geleefd, sommige specialisten plaatsen hem vroeg in de Tang anderen laat in de achtste eeuw. Ook is er wel geprobeerd te bewijzen dat de gedichten in de overgeleverde verzameling niet allemaal door een en dezelfde persoon zijn geschreven; ze zijn gevonden op bomen, stenen en muren in de buurt, en zouden een combinatie kunnen zijn van Han Shan en andere tijdgenoten, of van Han Shan en latere volgelingen.

Uit de verwijzingen naar oudere literatuur blijkt dat Han Shan een goede opvoeding moet hebben genoten. De gedichten, geschreven in een klassiek Chinees dat wat meer naar de spreektaal neigt dan ander werk uit die tijd, zijn heel divers. Er zijn verwijzingen naar een eenvoudig leven en naar een leven in rijkdom. Er zijn treurzangen over de kortheid van het leven, satires op gierigheid en arrogantie, klachten over armoede en over de moeilijkheden van het ambtelijke leven.

Het zenboeddhisme, dat tijdens de Tang onder leken een grote aanhang verwierf, en het taoïsme vormen een belangrijke voedingsbron van deze gedichten; tegelijkertijd worden de aanhangers daarvan ook bij tijd en wijle belachelijk gemaakt, zoals bijvoorbeeld de taoïsten die het eeuwige leven wilden bereiken door allerlei alchemistische procedés. Hoewel Han Shan vooral wordt gezien als een zenboeddhistische dichter, geven lang niet alle gedichten blijk van die religieuze overtuiging, eerder van een geestelijke zoektocht, die soms tot frustraties en soms tot verlichting leidt.

Die zoektocht naar verlichting wordt gesymboliseerd door beschrijvingen van het landschap op de Koude Berg en het leven daar. Een dal wekt associaties met gevoelens van verlorenheid, verdwalen, vallen, obstakels overwinnen. Boven op een berg zijn wijst op een transcendente ervaring; er heerst meestal licht, zuiverheid, rust en kalmte: wie daar is heeft de waarheid bereikt. Een gedicht over de moeilijkheden en obstakels bij een bergbeklimming, met bijvoorbeeld talrijke, onduidelijke paden waaraan geen einde komt, wijst erop dat er niet één Weg is, maar dat die voor iedereen anders kan zijn.

In 1977 verscheen er van de hand van W.L. Idema een uitgebreide vertaling van het werk van Han Shan, Gedichten van de Koude Berg. Zen-poëzie (Arbeiderspers).


[1]  Een bodhisattva is voorbestemd voor het Boeddhaschap maar blijft op aarde om anderen te helpen de verlichting te bereiken. Manjushri is de bodhisattva van Grote Wijsheid, Samantabhadra van Perfecte Activiteit, samen flankeren ze vaak het beeld van Sakyamuni Boeddha.

Sars in China in 2002-2003

Terwijl we nog volop in de covid-19 epidemie zitten, een gedicht over de Sars-uitbraak in China in 2002-2003. Geheel In lijn met de traditie van het land, waarin literatuur en maatschappij nauw met elkaar verbonden zijn, getuigen Chinese dichters vaak van de wereld om hen heen. De poëzie, die traditioneel als het hoogste literaire genre werd beschouwd, vormde altijd de neerslag van een concrete ervaring.
Ter vergelijking: wereldwijd kregen ongeveer 8000 mensen sars, waarvan er 774 overleden. Dat lijkt weinig vergeleken met de huidige getallen voor Covid-19, maar sars was veel dodelijker dan covid-19. De zorgen waren veelal dezelfde als nu, zoals dit gedicht van Jidi Majia laat zien.

VERGEET NIET

In China is dit
een tijd van rennen
een tijd van keuzes maken
een tijd waarin onze diepste deugden oplichten
een tijd waarin angst en onthaasten elkaar ineens treffen
een tijd waarin verstilde woorden worden hervonden
een tijd waarin liefde door wachten wordt bewezen
een tijd waarin gewone mensen de wereld in beweging brengen
een tijd waarin leiders en burgers delen in rampspoed
een tijd waarin een glimlach wanhoop kan oproepen
een tijd waarin helden om wonderen roepen
een tijd waarin waarheid en leugen wedijveren
een tijd waarin de laaghartigen zich nergens kunnen verbergen
een tijd waarin de mensheid in een monoloog zichzelf in de ziel kijkt
een tijd waarin dromen in actie worden omgezet
een tijd waarin ogen de bron van de tranen raken
een tijd waarin het donker licht voorspelt
een tijd van beslissende gevechten op leven en dood

dus vergeet niet:
in China
staat deze tijd in hart en ziel gegrift

Nederlandse vertalingen in 2020

De oogst met Nederlandse vertalingen van Chinese literatuur is dit jaar schraal: één bundel verhalen van Zhang Yueran, één dichtbundel van de Taiwanese Yang Mu, en een uitgebreide selectie “Dertig eeuwen Chinese poëzie“. En dat terwijl het toch zo langzamerhand misschien wel tijd wordt dat we eens wat meer van dat grote land gaan begrijpen.

Voor het NRC schreef ik in het voorjaar een recensie van Zhang Yuerans “Tien liefdes”:

Er verschijnt maar bar weinig Chinese literatuur in Nederland, wat best opmerkelijk is, gezien de enorme opmars die China maakt en de massale belangstelling voor Ruben Terlouws reizen door China. Maar gelukkig bracht De Geus onlangs een verhalenbundel uit van de schrijfster Zhang Yueran, en wat voor een!

Tien liefdes heet die bundel en daarin draait het om, dat zal niemand verbazen, de liefde. Geen romantische liefdes met een goed eind, maar eerder moeizame, traumatische relaties van jonge vrouwen die zichzelf volledig wegcijferen voor hun echtgenoot, hun ridder op het witte paard – of voor het beeld dat ze hebben van een gelukkige liefde, want zo ridderlijk zijn die mannen niet. Exemplarisch is ‘Harp en witte bottengeest’, het kortste, sterkste én mooiste verhaal, waarin een muzikant een harp maakt van de prachtige, witte botten van zijn vrouw, die zij liefdevol aan hem afstaat; hij is immers een kunstenaar, haar liefde!

Zhang Yueran lijkt haar lezers aldus een spiegel voor te willen houden van de sterk patriarchale maatschappij waarin ze leeft, en waar ook wij in Europa nog altijd mee te maken hebben, zij het minder extreem. De boodschap is duidelijk: kijk wat je jezelf aandoet als je je grenzen niet stelt en jezelf blijft opofferen. Een heel herkenbaar fenomeen dat Zhang hier dan wel toespitst op man-vrouw verhoudingen, maar dat je natuurlijk overal aantreft waar machtsverhoudingen zijn, ook tussen een baas en een werknemer bijvoorbeeld.

Dat Zhang er ondanks die tragische inslag in slaagt de verhalen niet zwaarmoedig te laten worden heeft alles te maken met haar montere en absurdistische, soms zelfs wat surreële of sprookjesachtige stijl. In sommige gevallen heeft haar benadering wel wat weg van de traditionele wonderverhalen zoals die van Pu Songling (17e eeuw), waarin bijvoorbeeld vrouwelijke vossengeesten opduiken om arme, ijverige mannen te verleiden en uit te zuigen, maar over het algemeen spelen Zhangs verhalen zich af tegen een weinig cultureel bepaald decor en maken een erg internationale indruk, mede door personages als Vincent van Gogh en Pinokkio.

In de verhalen over de laatste twee laat Zhang zich ook van een originele, humoristische kant zien, want wie laat er nou een zonnebloem verliefd worden op Vincent van Gogh? En in ‘De bloem op de neus’ is de neus van een gemene, berekende Pinokkio zo lang gegroeid dat hij alleen nog kan liggen. Zhang gaat inventief en origineel met haar materie om; nooit is ze voorspelbaar en het einde is altijd een verrassing.

In zekere zin kun je het werk van Zhang Yueran, die nog geen veertig is, een verademing noemen ten opzichte van de generatie schrijvers voor haar, zoals Su Tong, Yu Hua, Mo Yan, waar we de laatste jaren in het Nederlands kennis van konden nemen. Ook dat waren stuk voor stuk mooie boeken en originele geluiden, maar hun werk is gekenmerkt door een harde, onverschillige maatschappij vol geweld, waar de mensen vaak grof zijn – wellicht een reactie op de persoonlijke ervaringen van de auteurs tijdens de culturele revolutie. Zhang Yueran is veel zachter en speelser van toon. Al met al een prachtige bundel die nieuwsgierig maakt naar een roman van deze schrijfster. Hopelijk komt die er ook!

Zhang Yueran: Tien liefdes. Vertaald uit het Chinees door diverse vertalers onder redactie van Annelous Stiggelbout. De Geus, 301 blz. € 21,50