Dichteres in een roerige eeuw: een interview met Zheng Min 郑敏

door Iege Vanwalle

3 januari 2022 overleed de geweldige dichteres Zheng Min, op 102-jarige leeftijd. Bij wijze van hommage, hier het interview dat eerder in het tijdschrift Het trage vuur verscheen (13, 2001).
Vertalingen van haar gedichten uit de jaren veertig staan hier.
De vertaling van een reeks sonnetten uit 1995 staan hier.

Tegen een achtergrond van verval en oorlog werd Zheng Min in 1920 te Peking geboren als dochter van een redelijk welgestelde familie. Haar vader had in Europa gestudeerd, bezat een brede culturele kennis en was belezen in literatuur uit België, Frankrijk en Duitsland. Hij zou haar de liefde voor de literatuur bijbrengen. Ondanks het onveilige klimaat, onder meer door de hevige strijd tussen Nationalisten en Communisten en de oorlog tegen Japan, die was begonnen in 1936, kon Zheng haar middelbareschoolopleiding in 1939 uiteindelijk toch voltooien.

In de Verenigde Universiteit, gelegen in de zuidwestelijke provincie Yunnan, werkten tijdens die oorlogsjaren de drie grootste universiteiten van China samen. Ver van het strijdgewoel studeerde Zheng Min daar filosofie. Bekende schrijvers en dichters als Feng Zhi, Bian Zhilin, Wen Yiduo en Shen Congwen doceerden er. De Chinese literatuur had toen al een belangrijke verandering ondergaan. Het modern Chinees had aan het begin van de twintigste eeuw het klassiek Chinees vervangen als schrijftaal, en in die nieuwe taal ontstond een nieuwe Chinese poëzie. De dichters die bewust voor het eerst in die nieuwe, dichter bij de spreektaal gelegen taal schreven, waren daardoor gedwongen naar een nieuwe poëtische vorm te zoeken, en zetten zich af tegen de rigide dichtvormen van de klassieke Chinese poëzie. Voorbeelden voor nieuwe dichtvormen zag men vooral in het Westen. Veel Chinese schrijvers studeerden een tijdlang in Europa of Amerika. Ze brachten hun kennis mee naar China en vertaalden uit Europese talen naar het Chinees.

Toen Zheng Min eind jaren dertig op de Verenigde Universiteit aankwam, was er al heel wat westerse literatuur vertaald. De Chinese literatuur onderging invloeden van Engelse, Franse en Duitse literaire stromingen. Vooral de Amerikaanse school van het imagisme, met dichters als Pound en Lowell, had grote invloed. Naast die overvloedige buitenlandse invloeden bleven er in de nieuwe poëzie – gewild of ongewild – ook sporen achter van de klassieke Chinese dichtkunst. De dichters streefden ernaar al die verschillende invloeden met elkaar te vermengen om zo een eigen poëzie te creëren – een problematiek die in China vandaag de dag, zestig jaar later, nog altijd het gezicht van de poëzie bepaalt.
[Lees verder onder de foto]

九叶最后一叶飘飞” 102岁著名诗人、北师大教授郑敏3日逝世_诗歌_中国_西南联大
De jonge Zheng Min

Tijdens uw jaren op de Verenigde Universiteit werd u vooral geïnspireerd door de toen al beroemde dichter Feng Zhi1. Kunt u daar iets meer over vertellen?

Tijdens die universiteitsjaren ben ik begonnen poëzie te schrijven. Mijn ontmoeting met Feng Zhi heeft daar ongetwijfeld een rol bij gespeeld, hij en zijn werk hebben mijn kennis van de literatuur, mijn kijk op de wereld bepaald. Feng Zhi liet me kennismaken met de Duitse literatuur (Rilke en Goethe) en de filosofie (Kant en Plato). Aan hem liet ik ook mijn eerste gedichten lezen. Hij bekritiseerde ze en moedigde me aan verder te schrijven. Andere inspiratiebronnen waren voor mij de klassieke Chinese poëzie en, hoewel minder zichtbaar in mijn vroege gedichten, de Chinese Leer van het Mysterie (Xuanxue) uit de tijd van de Zes Dynastieën. Deze filosofische commentaren op de Drie Mysteries – het Boek van Weg en Deugd (Daode jing), het Boek der Veranderingen (Yi jing) en de Zhuangzi – zijn metafysische bespiegelingen over de mens en de kosmos. Het bovenzinnelijke intrigeerde me al vroeg en ik herkende in Feng Zhi’s gedichten eenzelfde interesse voor metafysica.

U voltooide in 1943 uw studie en stopte toen ook een tijd met schrijven. Wanneer hebt u opnieuw de pen opgenomen?

In 1945 liep de oorlog met Japan op zijn eind. In het Algemeen dagblad van Tianjin schreven dichters en critici die ook aan de Verenigde Universiteit had­den gestudeerd. Ik begon onder meer opnieuw te schrijven omdat zij me om gedichten vroegen. Later, in 1948, vroeg Ba Jin2 me om een hele reeks gedichten, die hij gebundeld wilde uitgeven. In datzelfde jaar vertrok ik naar de Verenigde Staten, vanwaar ik met Ba Jin correspondeerde over mijn bundel Gedichten 19421947, die in 1949 verscheen. Vooral door het toenmalige politieke klimaat, de machtsovername door de communisten in 1949, is de bundel in China maar door weinig mensen gelezen. Hij werd voor het eerst positief onthaald in Hongkong, niet in de Volksrepubliek. Daar werd op dat moment kritiek geleverd op elke dichter die iets anders schreef dan de door de Partij gepropageerde sociaal-realistische poëzie.

Wat hebt u in Amerika gedaan?

Ik heb Angelsaksische literatuur aan Brown University gestudeerd. Tijdens mijn studie in China was ik bekend geraakt met het werk van T.S. Eliot en de modernistische Amerikaanse poëzie. In Amerika ben ik me gaan verdiepen in Engelse literatuur en voornamelijk in het werk van de zeventiende-eeuwse metafysische dichter John Donne. Ik werkte en had weinig tijd om vrienden te maken of uit te gaan. Er heerste ook veel haat tegen alles wat communistisch of Chinees was – de beruchte McCarthy-tijd. Ik moest Brown University om die reden vroegtijdig verlaten, einde 1949, voordat mijn proefschrift af was. Ik schreef me in aan de universiteit van Illinois en mijn aanvraag werd goedgekeurd in de herfst van 1950. Mijn promotor daar vond dat ik een heel interessante invalshoek had voor mijn proefschrift over John Donne. Vanuit mijn Chinese achtergrond probeerde ik te wijzen op raakpunten tussen de metafysische poëzie van John Donne en de Chinese metafysica, waar ik me in China al mee had beziggehouden.

Uiteindelijk keerde u terug naar China. Waarom?

Begin 1954 deed premier Zhou Enlai in China een oproep aan alle Chinese intellectuelen en studenten in het buitenland om terug te keren naar China en mee te werken aan de opbouw van het land. Zowel mijn man, Tong Shibai, als ik hadden enorm heimwee. We kregen bezoek van de fbi en de cia, die Shibai probeerden om te praten om te blijven. Er werd hem een belangrijke post als professor aangeboden in Amerika. Maar omdat we ons niet betrokken voelden bij de Amerikaanse samenleving en tamelijk geïsoleerd leefden in een kleine groep van Chinese studenten in het buitenland, verlangden we terug naar ons vaderland.

Hoe was uw thuiskomst?

In juni 1955 keerden we terug naar China. We kwamen aan in Hongkong en stapten er op een trein richting Kanton. Verbaasd luisterden we naar de strijdliederen die we overal uit de luidsprekers hoorden schallen. De veranderingen die schijnbaar overal werden doorgevoerd en de leuzen die overal werden gebezigd, boezemden ons angst in. Maar in Kanton werden we heel goed ontvangen en we verbleven in een van de beste hotels. Niet veel later werden we naar Peking gestuurd om er door het ministerie van Onderwijs opgeleid te worden in de nieuwe politieke taal en in het nieuwe beleid. Ik wilde in eerste instantie muziekgeschiedenis onderwijzen, omdat ik dacht dat over wereldliteratuur praten in het toenmalige China niet echt kon.

Wat voor werk deden u en uw man?

Shibai werd naar de technische universiteit in Peking gestuurd om er les te geven. Ik ging met hem mee en werd er als een vreemde gezien. Vaak kreeg ik kritiek op mijn ‘westerse gedrag’. In die periode ontmoette ik Feng Zhi opnieuw. Hij werkte op dat moment aan de Academie voor Sociale Wetenschappen. Hij zorgde ervoor dat ik een baan kreeg aan de letterenfaculteit, bij het Bureau voor literatuur, waar de partijrichtlijnen voor de Chinese literatuur werden vastgelegd. Ik nam deel aan allerlei conferenties over literatuur en politiek. Vaak moest ik me verantwoorden voor mijn visie op kunst en literatuur, die volgens mijn superieuren te Amerikaans getint was.

U bent zoals vele anderen naar het platteland gestuurd.

Ja, dat gebeurde aan het eind van de jaren vijftig. Ik werd naar Changli in de provincie Hebei gestuurd. Ik gaf en kreeg er zelf les en werkte samen met de boeren op het land. Tijdens de rampzalige Grote Sprong Voorwaarts (1958–1960) brak ik mijn enkel en mocht daarom terugkeren naar de hoofdstad. Na twee maanden ging ik opnieuw voor het Bureau voor literatuur in Peking werken. Ik werd er fel bekritiseerd omdat ik het niet had uitgehouden op het platteland. Nadien moest ik als straf gedurende enkele jaren steeds een maandlang terug naar Changli om er les te geven en te krijgen.

Iedereen zette zich op de een of andere manier in voor de heropbouw van het land. Was u werkelijk zo maatschappelijk geëngageerd?

Vanaf 1961 tot net voor het begin van de Culturele Revolutie was het de tijd van de Socialistische Opvoedingscampagne. In die tijd werden voortdurend po­litieke discussies gehouden en ik specialiseerde me met volle overtuiging in de werken van Marx en Engels. Ondertussen had ik twee kinderen, maar weinig of geen tijd voor een normaal familieleven. Ik zette me zo in voor het politieke leven dat ik naar een hogeschool werd gezonden om te worden opgeleid voor een politieke kaderfunctie. Net als Chroesjtjov geloofde ik in een toenadering tot het Westen, maar in die tijd ontstond er juist een breuk in de relaties tussen China en Rusland, mede doordat Mao niet te spreken was over Chroesjtjovs zogenaamde ‘revisionisme’. Op grond van mijn houding werd me verzocht het politieke instituut te verlaten. Ik werd naar de Lerarenopleiding van Peking gestuurd om er aan de afdeling Engelse letterkunde een bijvak leesvaardigheid te geven. Maar over Engelse literatuur werd nauwelijks gesproken en de andere docenten wisten weinig of niets van het onderwerp af. Er waren voortdurend vergaderingen of andere politieke activiteiten. Ik had het er erg moeilijk mee.

Welke herinneringen hebt u aan de Culturele Revolutie?

In Peking werden in de universiteiten affiches opgehangen waarop te lezen stond dat je kritiek mocht uiten op de Partij. Ook ik deed dat, blij dat de Partij eindelijk openstond voor andere meningen. Maar algauw werd ik ontnuchterd. Partijleden gingen de universiteiten rond en bekritiseerden iedereen die kritiek had durven uiten. Ook ik werd aan de schandpaal genageld en openlijk beschimpt als contrarevolutionair en reactionair. Ik moest mijn werk neerleggen. Een paar maanden later werden vele zogenaamde contrarevolutionairen weer voor revolutionairen aangezien, zo ook ik. Ik mocht weer lesgeven en mijn mening werd in zekere mate gerespecteerd. Maar kort daarna werd ik alweer aangehouden, ik moest een zelfkritiek schrijven en met een bord om mijn hals rondlopen, waarop stond geschreven dat ik een reactionair was. Mijn hele huis werd ondersteboven gehaald, er werden leuzen op mijn deur geschilderd en ik werd publiekelijk bekritiseerd. Ik vertel nu over die periode alsof het een toneelstuk betrof, het was te absurd om als realiteit te worden ervaren. Ik was diep teleurgesteld en gekwetst. Veel mensen, ook schrijvers en kunstenaars, pleegden zelfmoord, werden gedood of verdwenen. Later, begin jaren negentig, schreef ik een cyclus van negentien sonnetten, De dichter en de dood, die daar indirect over gaat.

Maar hoe bent u die periode te boven gekomen?

In 1986 was ik op een poëziefestival in Amerika en ontmoette er Robert Bly. Hij zei dat het belangrijk is om je altijd het kind in jezelf te blijven herinneren, omdat daarin je ware aard schuilt. Hij verwoordde exact mijn gevoelens van tijdens de Culturele Revolutie. Door in dat ‘kleine meisje’ binnen in me te blijven geloven, ben ik nooit mijn waardigheid kwijtgeraakt. Ik ben altijd blijven geloven in een spirituele wereld die de alledaagse realiteit overstijgt, in een humanistische levensbeschouwing, en vooral in schoonheid. Ik heb nooit spijt gehad van mijn terugkeer naar China.

De poëzie van de jaren veertig kenmerkt zich inhoudelijk vooral door themaʼs met een sociaal-realistische inslag. Er was ook een tendens om zowel de inhoudelijke als de formele invloeden van de westerse poëzie op de Chinese poëzie af te wijzen. Toch vertonen de gedichten uit uw eerste dichtbundel, Gedichten 1942–1947 juist wel die invloeden.

Ik raakte voornamelijk in de ban van westerse, en in het bijzonder de Duitse poëzie, door de vertalingen van Rilke door Feng Zhi en Bian Zhilin. Rilke’s werk was in de jaren dertig en veertig bijna geheel door hen in het Chinees vertaald. Onder meer omdat ik tijdens de oorlog met Japan in relatieve afzondering leefde en studeerde, voelde ik me weinig betrokken bij de toen opkomende sociaal-realistische tendens in de literatuur, die eiste dat literatuur de werkelijkheid moest weerspiegelen zoals die door de Partij werd gezien. Voor mij was poëzie geen directe uitdrukking van die door het socialisme gekleurde werkelijkheid, maar juist een instrument om aan de realiteit te ontsnappen, om de werkelijkheid van buitenaf te beschouwen en zo exact mogelijk te beschrijven. Een duidelijk voorbeeld daarvan is terug te vinden in mijn dierengedichten: de afstandelijke precisie waarmee ik dieren beschrijf, doet denken aan onder meer Rilke’s ‘Der Panther’. In mijn gedicht ‘Het paard’ staan deze regels: ‘Deze grootse vorm, die stilstaat / in het ontembare weidse veld, waar enkel wind en gras zijn / convergeert in werkelijkheid de kracht van volle vaart / die de hoogte en de verte van het uitspansel verachtte.’3 Vergelijk die met deze verzen uit ‘De panter’: ‘De zachtheid van zijn lenig sterke pas / die steeds de allerkleinste kring beschrijft, / is als een dans van kracht rondom een as / waarin een machtig willen is verstijfd.’4

Ik zocht de spirituele werking in de dingen en de gebeurtenissen om me heen. Niet de tastbare, materiële aanwezigheid van de dingen interesseerde me, maar de ontastbare en on­zicht­bare kern ervan. Natuurlijk kon ik de wereldse gebeurtenissen om me heen niet uitwissen, de wreedheden van de oorlog drongen wel degelijk mijn eigen realiteit en zodoende ook mijn poëzie binnen. Ik ervoer het leven als een droeve, moeilijke reis, maar niet zonder hoop of idealen, niet zonder ethische en esthetische waarden.

Hoe verhouden uw vroege gedichten zich tot uw latere werk?

Na de publicatie van mijn eerste bundel in 1949 heb ik dertig jaar lang geen poëzie meer geschreven. Ik was te zeer geëngageerd in het politieke leven en had geen tijd, en ook geen mogelijkheid, om te schrijven wat ik wilde schrijven. Sinds het begin van de jaren tachtig ben ik opnieuw begonnen te dichten en te publiceren. De basisideeën van mijn vroege poëzie, die dertig jaar lang hebben kunnen gisten, zitten samen met mijn ervaringen van die jaren versmolten in mijn poëzie van de jaren tachtig. De poëzie heeft dertig jaar lang stilletjes diep in mij geleefd.

Na die lange stilte heb ik nog drie andere bundels gepubliceerd: Zoektocht (1986), ʼs Ochtends pluk ik bloemen in de regen (1991) en Beelden van de geest – Een anthologie (1991).5 Ik maak me wel al een hele tijd zorgen over de toekomst van de hedendaagse Chinese poëzie. Als ze wil overleven in het nieuwe millennium, dan zal ze haar eigen literaire traditie moeten herontdekken, die – volgens mij – nu al een halve eeuw is begraven. Op dit moment heeft de Chinese poëzie geen eigen identiteit. Je zou kunnen stellen dat ze min of meer verwesterd is en haar geheugen heeft verloren. Door het veelvuldig lezen van klassieke Chinese literatuur merkte ik op dat die een oude filosofische wijsheid overlevert in een trefzekere, veelzijdige en beeldrijke poëtische taal. Het is denk ik noodzakelijk om de semantische gelaagdheid van het klassieke Chinees terug te vinden in het moderne Chinees, en zodoende ook in de moderne Chinese poëzie.

Peking, juni 1999

Noten
1. Feng Zhi (1905–1993) wordt gezien als de bekendste sonnettendichter uit de moderne Chinese literatuur. Van 1930 tot 1935 studeerde hij Duitse literatuur in Berlijn en Heidelberg. Zijn sonnetten (27 stuks) dateren uit 1941, toen hij verbonden was aan de Verenigde Universiteit in Kunming.
2. Ba Jin (1907) is de oudste nog levende Chinese auteur. Hij is voornamelijk beroemd om zijn roman Familie uit 1931. Hij studeerde in de jaren twintig in Parijs en was een fervent anarchist, die vanaf de jaren vijftig vaak werd bekritiseerd van communistische zijde.
3. Zie Het trage vuur 6, p. 66.
4. Rainer Maria Rilke, Nieuwe gedichten, Het eerste deel. Vertaling Peter Verstegen. Amster­dam: Van Oorschot 1997, p. 73.
5. Zheng Min publiceerde eind 2000 haar vijfde dichtbundel.

Zheng Min op haar 100e verjaardag

Zheng Min 郑敏, De adelaar en andere gedichten

Vertaling Iege Vanwalle

De hier vertaalde gedichten komen uit Zheng Mins bundel Gedichten 1942–1947. Meer daarover in dit interview dat Iege Vanwalle met de dichteres hield in 2001. “Door in dat ‘kleine meisje’ binnen in me te blijven geloven, ben ik nooit mijn waardigheid kwijtgeraakt. Ik ben altijd blijven geloven in een spirituele wereld die de alledaagse realiteit overstijgt, in een humanistische levensbeschouwing, en vooral in schoonheid.”

DE ADELAAR

De mens die aarzelt in het leven,
hij zou moeten leren van de onbewogen adelaar.
Hij vliegt weg, maar hij geeft het zeker niet op
omdat deze wereld lelijk en onwaar zou zijn.

Enkel diep en nog dieper
cirkelt hij rond in overpeinzingen.
Enkel kalm en nog kalmer
Zoekt hij rond met vlijmscherpe blik.

Afstand laat hem de wereld duidelijk zien,
bergen veraf, water heel nabij,
onder zijn vleugels verdwijnt het verschil.

Wanneer hij zijn richting heeft gekozen,
merk je een verlangen op dat hij beslist met zich meedraagt
en bedreven duikt hij vanuit het hoge uitspansel naar beneden.

WOLKEN

Waarom over wolken en water praten,
als ik toch wijs en zeg dat
het de bergen en de stenen van gisteren zijn,
dat het de zon en de maan van gisteren zijn, en
dat ik die voor je sta
degene ben naar wie je gisteren zo hebt verlangd?
Ooit keek ik naar de wolken in het avondduister en dacht
aan zijn slaaphouding in het maanlicht van de vorige nacht.
Laat deze wereld onophoudelijk veranderen als
muziek. Verander!
Maar vanuit een stilte kan ik vele
voorbije nachten zien.
Mijn hart is een cisterne in de diepte van de bergen,
de hemel ligt voor eeuwig aan haar boezem.
Zou er plots een grijze adelaar opvliegen
uit het donkere, dichte woud en
rondcirkelen in de blauwe hemel, rondcirkelen,
dan zou hij zeker net als ik aan die wolken denken!

AVONDONTMOETING

Ik wil niet op de deur kloppen,
ʼk ben bang dat dat al te hard klinkt.
Een kleine boot die terugkeert,
de roeiriemen roerloos,
wacht op de avondwind van zee.
Als jij onder de lamp zit,
en je hoort buiten zacht ademhalen,
je voelt iemand langzaam naderen…

gooi dan je sigaret weg,
doe geruisloos de deur open
en vind mij. Wachtend aan je deur.

MUZIEK

Staand in de schaduw van het maanlicht
is mijn ziel stromend water in de vroege ochtend.
Muziek stroomt uit je raam,
toch weet ik niet of jouw jeugdige leven
zich ook zo naar mij toe haast.
Maar als wij onze ogen sluiten,
zijn wij allang vissen in hetzelfde rijk,
in dezelfde rivier.

EEN WINTERNAMIDDAG

De schilder is in slaap gevallen,
de weg kleurloos achterlatend.
Of is die diep in gedachten verzonken?
Denkend aan een paar blote zachte voeten,
aan een gebloemde parasol,
met een bleek gelaat…

De populieren klagen huilend:
ʻWanneer zal er weer schoonheid zijn?
De wind zingt mijn lof niet meer.ʼ
Een kraai rust op de stenen vesting,
de hemel is te laag.

Eenzaamheid druppelt van twijgen,
ik wandel langs een slapende schone
die wacht op een warme bries.
Iemand raakt zacht mijn elleboog aan,
trekt zacht aan mijn mouw,
het zijn een paar verlegen handjes,
die lijken te fluisteren:
ʻKan ik haar niet zien?ʼ
Dan stop ik en kijk om:
geen enkele wandelaar op de weg.

Een frêle witte roos
steekt boven het lage hek uit
onophoudelijk bevend…

DE TIJD EN DE DOOD

Een houten boot
in grenzeloze golven werpen,
een vlag
in een stormhemel hijsen,
met een onbehouwen houding
waadt de mensheid door de stroomversnellingen van het leven.

In hun eindeloze opeenvolging
zijn leven en dood niet van elkaar te scheiden.
Ieder die vooruitkijkt op de ontberingen van de nakomelingen,
spreidt zijn armen en benen,
ontvouwt een brug van overlevering;
ieder die een nakomeling wat licht wil geven,
laat zijn eigen ogen eeuwig gesloten.

Toon niet opnieuw de vernietigingen, de verschrikkingen
en het verdriet overgeleverd door de tijd.
Het is niets meer dan een nobel hart
dat verandert in een nachtelijke glans
die de stappen van een nachtelijke reiziger verlicht.
Wanneer de troepen opnieuw oprukken
is elke lichtstraal die dan verdwijnt
al helemaal opgelost in het bloed van de levenden
en beladen met die ene hoopvolle dag voor de mensheid.

Als haat er enkel is omwille van liefde
en vernedering de aanleiding is tot roem,
dan is dood het hoogtepunt van leven,
nog schoon sprankelend als een
vreemde, plots ontluikende bloem, ook al is het maar voor even,
om dan weer te verwelken. Maar
de knoppen van het leven zijn al achtergelaten.

SPIJT

Wij zijn samen in één schaduw,
praten leunend op de reling van de boot,
hoe kil is toch die ochtendlijke herfstwind!
Wanneer ik mijn hoofd even buig
is het alsof ik de zon mijn gelaat voel strelen,
ah, mijn wangen lijken op smeltende sneeuw,
mijn hart op warme wijn.
Ik kijk op en roep naar jou:
nee, zijn wij samen in het beetje zonlicht?
We praten leunend op de reling van de boot,
hoe warm is toch die herfstzon!
Waarom wuif je en glimlach je alleen maar?
Blijkt: de een op de oever, de ander in de boot,
die zich traag keert
naar waar zonlicht is op ʼt water.

MENSEN

Vermengd met aswitte stenen,
onder verschilferde schelpen op het strand,
liggen mooi geaderde stenen en regenboogkleurige mosselschelpen
stil te slapen:
mensen komen van overal ter wereld,
als bladeren bijeengewaaid door de herfstwind
door elkaar, zich verbergend en elkaar zoekend, stil

stilstaand bij elk lichaam dat een eigen leven,
een eigen universum in zich sluit.
De harde schelp van een zeemossel
sluit het diepste geheim van het universum in zich:
in de diepten van verwarring en armoede
slaapt stil de Schoonheid in haar volledigheid,
die dag en nacht vlijtig haar parel polijst.

NA HET LEZEN VAN ‘SELIGE SEHNSUCHT’

Aan dezelfde boom verschijnen nieuwe scheuten,
in dezelfde ziel wellen nieuwe wijsheden op,
voor hetzelfde raam dagen nieuwe gevoelens op,
als dood en verandering het kostbaarst zijn, dan is dat omdat
zij verbonden zijn met dat onophoudelijke zelfde.

Tijdens seizoensveranderingen blijft de aarde gelijk,
in de stroom van de geschiedenis blijft de mensheid gelijk,
wanneer twee levens zich voor altijd verenigen
zijn zij de aarde, zijn zij de mensheid;
in de ontelbare veranderingen van tijd en ruimte
zijn zij god, zijn zij gedachten, zijn zij dat eeuwige gelijke.
Sneeuw en wind, jaren, zonlicht en duisternis omsingelen hen,
dansen als vallende bladeren om hen heen. Maar zij staan rechtop in het midden,
twee niet verdorde bodhiʼs, die vanuit hun binnenste
onophoudelijk levenslicht uitstralen.

Het geheel van het verleden dragend, lijkt het leven op
een stroom die eindeloos voorwaarts gaat,
stopt op dezelfde plaatsen, met dezelfde verwantschappen,
en de ziel opwaarts doet groeien als een oude boom.
Vanaf hetzelfde punt vertrekt een reeks evoluties, het leven
is een onophoudelijke voortzetting van een kracht
die in het zichtbare heden
elk onzichtbaar verleden bewaart.
Uit alle verledens
verrijst de allerhoogste transcendentie.
Hoog op de rotsen kijken we naar de getijdenwisseling van de zee:
achter die bewegende witte lijn
ligt de kracht van de hele zee.

Is er een vlam die ons doet zoeken en
die niet brandt in de boezem van de mensheid zelf?
Is er een liefdesnacht, geheel zonder licht en
betekenis, die te verdrijven valt
en die toch het menselijk bestaan overstijgt?
Ah, zo zoekt de mens naar wijsheid en vrijheid,
hij smeekt zelfs om van de hoogste bergpieken
neer te kijken op alle levende wezens.
Alleen voor meelijwekkende mensen is licht
extern, is het leven
georkestreerd, betekent voortgang verleid worden.
Wie de mot prijst, kan gedacht hebben:
in het heden het verleden kiezen.
Het leven en zijn moedige voortgang zullen
samenkomen in de schemering van de zonsondergang, geluidloos
terugkeren naar de eenzaamste diepten van de zee.

HET GOEDE VAN HET LEVEN: LIJDEN, STRIJDEN EN VERDRAGEN

Tok, tok, tok,
jij bent die specht in de oude boom,
die in mijn stil hart kronkelt zonder ophouden.
Je weet dat zich hier al te voorzichtige wormen verbergen,
kijk dan hoe meegaand ik mijn ledematen uitsla.

Beuk, beuk, beuk,
een vloedgolf welft over hoge zeegolven, bedwingt ze
en haast zich naar de voet van de steile rotswand.
Elke koude, ongevoelige afwijzing
beroert het bloed van de zee nog meer.

Stil, stil, stil,
zoals bomen die zwijgzaam hun weelde opgeven,
onder de aardkorst duisternis en uitstoting verdragen.
Pas wanneer de pijn heel diep in het lichaam dringt,
kan de ziel branden, licht en kracht de vrije loop laten.

GOUDEN RIJSTSCHOVEN

Gouden rijstschoven staan
op het geoogste veld in de herfst.
Ik denk aan de ontelbare afgematte moeders,
op de weg in het avondduister zie ik die mooie, gerimpelde gezichten.

De vollemaan van een oogstdag hangt
boven de hoog oprijzende boomtoppen;
in de duisternis omringen verre bergen
de grenzen van onze harten;
geen enkel standbeeld kan nog stiller zijn dan dit.
Die overweldigende uitputting dragend zijn jullie
in dit weids uitgestrekte herfstveld
met gebogen hoofd in gedachten verzonken.

Stil. Stil. Geschiedenis is ook maar
een riviertje, dat wegstroomt onder onze voeten;
maar jullie, waar jullie ook staan,
zullen een gedachte van de mensheid worden.


HET PAARD

Deze grootse vorm, die stilstaat
in het ontembare weidse veld, waar enkel wind en gras zijn,
convergeert in werkelijkheid de kracht van volle vaart
die de hoogte en de verte van het uitspansel verachtte.

Ooit leek hij onveranderlijk en vastberaden als een pijl,
langs de hals slierten manen, de voorste voeten uitslaand,
een galoppade voorwaarts, als water door de bressen in een dijk.
Maar in deze ruwe, ruige wereld

zijn helden nog altijd veel te schitterende idealen.
Eindeloos strekt het pad zich onder zijn voeten uit,
overdag gaat hij over houten, langs de berg slingerende wegen, etend in de wildernis,
bij avondduister wordt hij weer in volle snelheid de nauwe stadsstraten in geleid.

Misschien weet hij dat degene die achter hem de zweep omklemt
in het leven nog grimmiger striemen van de zweep verdraagt.
Dus heft hij plots de hals omhoog, zonder zuchten zonder snuiven
en beladen met een veel te zware last stapt hij zwijgend voort.

De vorm verliest langzaam de schoonheid van weleer,
dag na dag vervaagt ook de natuurlijke, soepele houding.
Misschien zijgt hij op een dag onverwachts langs de straatkant neer,
gooit ze neer, de last en die droeve gezel.

In wat nog rest van dit gestel,
zullen nimmer nog sporen van een overwinnaar terug te vinden zijn.
De held van weleer veranderde al vroeg in een heilige,
toen hij zijn reis over de ruwe wegen in de wereld had beëindigd.

Deze vertalingen van Zheng Min verschenen eerder in het tijdschrift Het trage vuur, in de nummers 6 en 9.

Luister hier naar opnames van Zheng Min op Poetry International in 1994: (andere gedichten met Engelse vertaling)

Zheng Min 郑敏, Geschenk van het leven

Vertaling Iege Vanwalle

Deze reeks van 13 sonnetten met een voorwoord verscheen in het Chinees in 1995. Lees ook het interview dat Iege Vanwalle met de dichteres hield in 2001. “Door in dat ‘kleine meisje’ binnen in me te blijven geloven, ben ik nooit mijn waardigheid kwijtgeraakt. Ik ben altijd blijven geloven in een spirituele wereld die de alledaagse realiteit overstijgt, in een humanistische levensbeschouwing, en vooral in schoonheid.” Of gedichten uit de jaren veertig.

VOORWOORD: IK ZEG

Ik zeg:
Poëzie, dat is mijn streven
Filosofie, daar ben ik naar op zoek
Maar poëzie en filosofie
Zijn niet de vis en de berenpoot
Misschien is het de vis die de berenpoot bakt
Misschien is het de berenpoot die de vis smoort
In de een bevindt zich de rijke smaak van de ander

Zij die ervan eten stellen zich geen vragen meer
Naar wat nu de vis en wat de berenpoot is
Ze vertrouwen enkel op die ene tong die de vele smaken
Vangt en in zich opneemt
Vergeten de te kieskeurige, de kortzichtige,
Zelfingenomen hersenen

De vis en de berenpoot zijn zichzelf allang vergeten
Ze sudderen boven de vuurpoel van rode houtskool
In die onderscheidloze, die zwarte, geblakerde,
Peilloze diepte.

1.
Moeilijk te aanvaarden, de eeuwige vervorming van de liefde
De koppigheid van de haat en de onwil van de bitterheid om te vervagen
Verre vale wolken hebben ooit onverschilligheid ervaren
En ook verzengende dagen ontkomen niet aan een vochtige regennacht

De heftige wind van gisteren brak enkel de wilgentakken af
Met opgeheven hoofd kijkt de onverschillige oude pijnboom toe
Duizenden ziedende jaren hebben slechts zijn donkergroen verdicht
Zijn schitterende lichaam gebeeldhouwd tot een liggende oude draak

Laat je gaan wanneer de jeugd je de elegantie van springen verleent
Een flitsende draai brengt zelfs het universum aan het duizelen
De aarde is slechts het podium waarop jij je kracht tentoonspreidt

Het is zeker niet de beneveling van de ouderdom die op je wacht
De avondschemering, opnieuw veranderd in verre vale wolken
Wordt langzaam oranje, lichtgroen, maakt het heelal overdrachtelijk

23 november 1994

2.
Een felle vlam brandt niet meer
De kilte van de sterren is een niet te doven licht
Enkel wanneer de mist alle kanten op drijft
Zie jij mijn bevroren glorie

Een wegstervende hartelijke lach kan altijd terugkeren
Populieren in een droom heen en weer wiegen
Onzichtbare stappen achtervolgen elkaar
De wind speelt verstoppertje in de boomtoppen

Hoe betoverend is de dood van de herfst toch
Als zwermen vogels alle kanten uit fladderend
Vallend op het gras dat een vaalgele kleur uitstoot

De dood van de herfst is zo ongrijpbaar
Overal verspreide bladeren laten ritselend
Een grenzeloos diep verlangen bij je achter

22 november 1994

3.
Vergetelheid, een volhardend zaad
Ontkiemt niet in een lente wild van vreugde
Zij ontwijkt de elegantie van wiegende tulpen
En de midzomer die mensen laat dansen van plezier

Wanneer de noordenwind wild aan de kale boomtakken rukt
En op verzegelde ramen en deuren slaat
Gaat vergetelheid vanuit de stijfbevroren diepte van een bloementuin
Over het ijsbed waarin lotussen slapen

Komt voor mij, de
Schaduw van de jeugd, woordeloos
Glimlachende adonis

Ze legt een prentenboek open
Wij allen zijn vissen in het water:
Laat de tijd alles langzaam overspoelen

4.
Alles wat verloren is, is nooit verloren geweest
Altijd zal het jou aanroepen
In de diepte van de vallei, in de fluistering van een smalle beek
Zocht het je gisteren stilletjes

In ledematen als bergen
In ogen als zeeën
In een hartmeer als de hemel
Roept het jouw ziel

Wat reeds verloren is maakt je rijk
Wat je nu bezit maakt je arm
Ach, ga weg uit de vermoeidheid van vandaag

Verzink in het grenzeloze verborgene van de golven
Vlucht voor het lawaai op het strand
Dit reine is de ware parel van het leven

5
De vreugde van de late herfst is in de dood
Kleurrijke vleugels van de dood
Van lichtgeel naar donkerbruin naar bloedrood
Maar de herfst zucht niet, weent niet

Toen een bries de toppen van hoge statige populieren streelde
Liet hij een bruine waterval neer
Wachten op aarde is een feest van herontmoetingen
Dat zich na lange, verre omzwervingen geheel laat gaan

De wijn van de herfstregen laat hen dronken worden
Heel dicht op elkaar, de wangen donkerrood
Blad na blad, hoop na hoop

Het ene blad na het andere dwarrelt rustig neer
Tot het allerlaatste, zacht klokgelui
Sluit de opzichtige wind en wolken van de zomerdagen af

22 november 1994

6.
Erts in stilte. Wij moeten wachten
Zoals de vruchten van perzikbomen, geteisterd door stormen en
Wormen, de zweepslagen van het lot verdragen
Een boom met vruchten, een geul met erts

Maar hoeveel kunnen er donkerrood worden geverfd? Op de eettafel
De bewondering van de mensen genieten? Geluk
Kent een selectieve keuze, strekt de handpalmen uit
Mysterieus als voorbijdrijvende wolken

Wiens voetstappen zijn zo traag?
Wiens armen zijn zo slaperig en sloom
De blik twijfelend, en lang ondoordringbaar?

Maar erts bestaat niet uit bederfelijk vlees
Het kan de vergetelheid en de kilte van vele miljoenen jaren verdragen
En slaapt vast in de diepten, het hoofd rustend op een steen

7.
Na de stilte spuwt de vulkaan uiteindelijk opnieuw
Er is geen lied dat niet stagneert
– Een rijke leegte die erop wacht overgestoken te worden
De trekvogels van de melodie brengen de winter door in dat warme meer

Na de stilte breekt de roos uit in een schokkende schoonheid
Enkel de tweede generatie tulpen verwelkt, vermagert in bevroren aarde
Ook kamperfoelie kan niet lang verdwaasd in de slaap blijven
Wanneer de lente van de takken naar de rijpheid van de zomer drupt –

Ach, de pijlen van het leven, de snaren van het leven
Herleven nog eenmaal, vliegen, zingen en reciteren
Ze leiden de dinosaurus uit de chaotische Oudheid

En de kleurige algen in de diepe zee, de donkere bossen op de hoge bergen
Schetsen in de ruime hemel van de ziel van de nietige mens
Wijsheid, weg na weg: onzichtbaar, beeldloos, spoorloos.

27 november 1994

8.
Een zwaar dik gordijn, het duister
In de nacht achter het raam
Kan ik het duidelijkst horen
Beter dan de schreeuw van de tijd vóór de tafel

De dagen die het verst van mij verwijderd zijn, zijn in de duisternis
Als gedaantes van verre wouden in winterse mist
Ik hoef ze niet aan te raken, ik kan het paadje dat geleidelijk
In het ondoordringbare verdwijnt toch wel volgen

Enkele gezichten flitsen als onrustige sterren
Enkele armen strekken zich naar me uit vanuit de diepe afgrond
Zwart haar, een lichtblauwe mouw

En er zijn ogen, de diepte van een blik
En een stem, als de wind die een riviertje beroert
En ten laatste de lippen, zij verzegelen het mysterie van het leven.

28 november 1994

9.
Alles uit de hemel is al op aarde gevallen
Omhoog kijkend zie je de niet meer afgedekte winter van het noorden
Een vlek azuurblauw, de bladeren ritselen als onrustig gefluister
Het begin van de winter bezit achter de mist ook zijn eigen sereniteit

De warmte van het woudpad bedekt ontelbare herinneringen
Eenzaamheid slingert zich door een verlaten vallei
Talloze karrenwielsporen met zich meevoerend
Een weg die er lijkt te zijn en niet

In zijn jeugd trekt hij een zoektocht van het leven achter zich aan
Tijdens zijn ouderdom houdt hij zich staande met zware passen
Gaat door wildernis, over graven, door woestijn

En dan is er ook nog het hart dat door naamloze wind en regen wordt bedrogen
De geschiedenis maakt het de mensen moeilijk om een rechtsgeding te winnen
Hoe grootser het hart, hoe beter het weet wat eenzaamheid is

9 december 1994

10.
Een halve eeuw lang knipperen wij enkel met de ogen
De aarde draait zonder te stoppen vanzelf rond de zon
Bij het ontwaken is de sierlijkheid van de lente op het noordelijk halfrond
Reeds veranderd in het winterse gehijg van het zuidelijk halfrond

De ganzen die gehaast de seizoenen achtervolgen
Verliezen in de maalstroom van de lucht hun richting niet
Maar jouw en mijn ogen zijn niet de sterren aan de hemel
In de nacht is het moeilijk kinderdromen terug te vinden

De dageraad komt vanuit het oosten
De avondval gaat langs het westen terug
Vermoeide reizigers staren voorbij de grenzeloze hemel

Jammer, enkel in een supersonische vliegtuigcabine
Kan men alvast afscheid nemen van de verlegenheid van de ondergaande zon
Om dan onmiddellijk de vale vissenbuik van de dageraad te verwelkomen

11.
Als Chopin lijnen in het water wil kerven
– Hoe hij zich ook draait of keert
Beelden van onrust, talrijke
Vallende bladeren schrikken watervogels op uit hun slaap

De vingers van het leven zullen niet stoppen
Een genadeloze vioolboog speelt op de snaren van het hart
Een ondraaglijke geschiedenis te voorschijn
Maar er is geen ontkomen aan, gezang

Als geroep van wilde zwanen
Rijt de koude hemel van de dageraad open
Onduidelijk is de betekenis

Wij zijn groene heuvels en kliffen
Gelijk, in de zwijgende stilte
Vergeten we nimmer de rotatie van de planeten tijdens het ontstaan.

12.

De nimmer uitgesproken woorden
Verbergen zich in een onbekend bos
We zijn altijd diep aan het graven
En hopen zo hun schuilplaats te ontdekken

We kijken elkaar aan en voelen woede vanwege de misleiding
Nooit ben jij echt mijn oogkassen binnen gegaan
En ook ik ben ver van jou verwijderd, heel ver
Maar naarstig, heel naarstig komen we dichterbij

De afstand is al niet meer uit te wissen
Tenzij we transparante lichamen hadden
Een wolkeloze blauwe hemel, zonder eind

Jij zult in mijn haar en huid veranderen
Ik zal de aarde onder je voeten zijn
Onze twee levens zullen niet meer uiteenlopen

13.
Elke minuut ben ik naar jou op zoek
Een halfblinde mens, op zoek naar
Zijn stok, op de tippen van zijn tenen:
Het is de bal in de hand waar het kind naar zoekt

Eeuwig zoeken naar de jij die ik reeds bezit
Maar ik vergat dat het stroomt in de bloedbanen
De wijnranken van de winterslaap zoeken in de aarde
Verbleekt naar het paarsrood van de vrucht

Wachten tot het verschijnt, wachten is alles
Zelfs wanneer de hemel niet de beste genen heeft gegeven
Doet de verschijning van het leven de mensen nog altijd beven

De lente breekt het zegel van de bron van de hartelijke lach
Duizenden, tienduizenden vogels reciteren tussen kleurige bloemen
Dankbaar proef ik mijn bittere vruchten

22 november 1994
Vertaling Iege Vanwalle

Deze vertalingen verschenen eerder in het tijdschrift Het trage vuur nr. 9, 1999.
Lees ook het interview dat Iege Vanwalle met haar hield in 2001: “Door in dat ‘kleine meisje’ binnen in me te blijven geloven, ben ik nooit mijn waardigheid kwijtgeraakt. Ik ben altijd blijven geloven in een spirituele wereld die de alledaagse realiteit overstijgt, in een humanistische levensbeschouwing, en vooral in schoonheid.”
Luister hier naar opnames van Zheng Min op Poetry International in 1994: (andere gedichten met Engelse vertaling)

Vandaag begint in China en Taiwan het jaar van de tijger. Hier bij ons is het nog poëzieweek, met als thema NATUUR. Een betere reden om het gedicht WINGERD van de Chinese dichter Zhu Zhu te lezen is er niet; een wingerd is in het Chinees namelijk letterlijk een OVER MUREN KRUIPENDE TIJGER. Of gaat dit gedicht toch ergens anders over?

WINGERD

Wild is ze, met haar zachte handpalmen
getransformeerd tot tijgerklauwen en zuignappen.
Vanaf de allereerste sprong bedekt ze,
overlapt, verzwelgt de hele muur, hecht
het hele huis, tempert al het licht;
nooit deinst ze terug, zelfs als ze in de leegte stapt
verandert ze in een spiraalvormig schild; zelfs als
de winter is ingevallen, haar bladeren verwelkt zijn, blijft
nog altijd de rits gaatjes achter van de weggetrokken draad
waarmee zij zichzelf had ingelegd; ze wijkt geen duimbreed,
heeft een verpletterend geluksgevoel, en wordt in de lente
getrakteerd op een aanzwellend ego, plaatst als
in een maquette haar vlaggetjes dicht op elkaar,
wil als opdringende golftoppen het steen doorboren;
ze is wanhopig, niet in staat het huis binnen te dringen,
maar tenminste camoufleert ze alles van buitenaf.
Jaar na jaar. Zij heeft echt lief.

Wie zegt dat natuurgedichten saai zijn?

Gelukkig Nieuwjaar!

Meer gedichten van Zhu Zhu lees je hier.