Bijna onsterfelijk

‘De mens is zijn eigen vijand, in zijn diepste wezen wil hij geen mens zijn maar een onsterfelijke worden.’ Het verlangen naar onsterfelijkheid, lichamelijk en geestelijk, is in veel culturen een vertrouwd verschijnsel, en ook in de Chinese traditie is het diepgeworteld. De novelle Maanopera van de in China gevierde Bi Feiyu gaat over Xiao Yanqiu, een vrouw die de onsterfelijkheid van de roem najaagt.

Die roem heeft ze ooit kort gekend, toen ze de hoofdrol speelde in een beroemde opera over de mythische Chang’e. Deze werd daadwerkelijk onsterfelijk doordat ze in haar eentje de onsterfelijkheidspil innam die haar man had gekregen en samen met haar moest delen. Daarna steeg ze op naar de maan, vanwaar ze nu nog altijd neerkijkt op de aarde.

Yanqiu hielp haar stijgende sterrenstatus zelf om zeep door een glas heet water in het gezicht te gooien van haar doublure toen die haar rol voor één keer overnam. Twintig jaar later krijgt ze een nieuwe kans, omdat een rijke fabrieksdirecteur haar weer als Chang’e op het toneel wil zien. Maar de geschiedenis herhaalt zich en opnieuw identificeert Yanqiu zich volledig met haar rol: ‘zíj was Chang’e, en zij alleen.’

De traditionele Chinese operawereld vormt het kleurrijke decor van deze novelle. Maar achter de coulissen bevindt zich het moderne, snelle China waar alles draait om het grote geld en waar ambitie en jaloezie de overhand hebben. Met zinnen als ‘het is tegenwoordig geen schande meer om je geldschieter zijn zin te geven’ en ‘de mens slikt altijd de verkeerde pil…Waarom wil hij altijd meer dan hem gegeven is?’ lijkt de schrijver een impliciete kritiek op die maatschappij te willen geven.

Uiteindelijk gaat Yanqiu bijna ten onder aan haar ambitie, maar haar tragiek blijft een beetje in het lege hangen: waarom voelt ze zich Chang’e en is ze zo eerzuchtig? Omdat ze net zo eenzaam en verkild is als Chang’e op de maan? Omdat ze ook niet in staat is te delen? Zou ze zich net zo hebben geïdentificeerd met elke willekeurige andere rol?

Doordat Yanqiu als personage nogal stereotiep is, blijft Maanopera, het eerste boek van Bi in het Nederlands, wat schetsmatig. Daardoor rijst de vraag waarom dit boek wél verschijnt, terwijl iemand als Shi Tiesheng, die in zijn openhartige teksten sympathie toont voor al wat menselijk is, nog altijd onvertaald is.

Recensie in NRC Handelsblad van:
Bi Feiyu, Maanopera. Vertaald uit het Chinees door Mark Leenhouts. De Geus, 107 blz.

Uwe majesteit stinkt

Wanneer de versmade echtgenote van een koning tegen haar concurrente zegt dat de koning haar neus te groot vindt, bedekt de concubine vanaf dan steeds haar neus in zijn gezelschap. De koning vraagt zijn echtgenote naar de reden. Haar antwoord: ‘Ze vindt het lichaam van Uwe Majesteit stinken’. En terstond wordt de neus van de concubine afgehakt.

Deze gruwelijke en tegelijkertijd vermakelijke anekdote is te lezen in Chinese Verhalen uit Dunhuang, vertaald door de sinoloog W.L. Idema, eerder verantwoordelijk voor de Spiegel van de klassieke Chinese poëzie, waarvoor hij in 1992 de Martinus Nijhoffprijs kreeg. Deze bloemlezing verzameling populaire volksverhalen is echter iets heel anders.

Dunhuang is bekend van de honderden eeuwenoude beschilderde meditatiegrotten in een steile rotswand. De stad, strategisch gelegen op de Zijderoute in het westen van China, groeide vanaf de tweede eeuw voor Christus langzaam uit tot een cultureel kruispunt. Dunhuang ontwikkelde zich tot een centrum voor de studie van het confucianisme en speelde het een belangrijke rol in de verspreiding van het boeddhisme vanuit India naar China.

Een weerslag van die multiculturele samenleving bieden de 50.000 manuscripten uit de 5de tot en met de 10de eeuw (waaronder de oudste gedrukte boeken ter wereld) en honderden schilderijen, die net na het jaar 1000 door een boeddhistisch klooster in een van de grotten werden ingegraven. Pas in 1900 werd de bibliotheek, waarvan de toegang was dichtgemetseld en beschilderd, bij toeval ontdekt.

Het grootste deel van de gevonden manuscripten betreft uiteraard het boeddhisme, en uit die teksten heeft Idema in 2004 een selectie gepubliceerd in Boeddha, hemel en hel. Boeddhistische verhalen uit Dunhuang. Maar er zijn ook teksten over het christendom en andere religies gevonden, en veel teksten die de centrale Chinese traditie weerspiegelen. Kloosters fungeerden destijds ook als scholen en zodoende bevond zich in de bibliotheek een mengeling van filosofische klassieken, verhalen, regeringsdocumenten, contracten, poëzie enzovoorts, die samen een kijkje bieden in het toenmalige dagelijkse leven van hoog tot laag.

Van deze laatste teksten heeft Idema nu een keuze bijeengebracht. Sommige van die verhalen zijn in China algemeen bekend, zij het in andere vormen, zoals over de legendarische keizer Shun die zo piëteitsvol was tegenover zijn ouders dat de heersende keizer hem zijn twee dochters en het bestuur van het rijk schonk; of over de vrouw Meng Jiangnü die door haar tranen om de dood van haar echtgenoot de Grote Muur deed instorten zodat ze zijn overblijfselen vond en mee naar huis kon nemen.

In het laatste deel zijn veel korte verhalen opgenomen met opmerkelijke titels als: ‘De man die zijn moeders zweren uitzoog’, ‘Een dronken roes van duizend dagen’ en ‘De koning die een bloedzuiger opat’. Hierin draait het juist om onbekende koningen en edelen, die overigens wel bijna allemaal een naam hebben. En het feit dat hun wederwaardigheden zijn opgetekend, impliceerde dat ze echt gebeurd waren – hoe onwaarschijnlijk de vele wonderbaarlijkheden ons ook voorkomen.

Wie de verhalen nu leest zal ze vooral intrigerend en onderhoudend vinden, maar toch hebben de meeste vooral een les te leren, aan het volk dat deugd moest worden bijgebracht, maar ook aan de koningen: ‘Het volk is wortel van de staat, bewijs het zorg en weldaad / Want als de wortel stevig is, heerst vrede in het land’. Het marxisme blijkt in de Chinese klassieken een stevige basis te hebben gehad.

Gezien die wijze lessen is het niet verwonderlijk dat de meeste personen goed terechtkomen. Ondanks zware tegenslagen volharden ze in hun deugdelijkheid en rechtschapenheid, om daarvoor uiteindelijk te worden beloond.

Recensie voor NRC Handelsblad van:
Chinese verhalen uit Dunhuang. Vertaald en toegelicht door W.L. Idema. Atlas, 254 blz.

Keizer op een koord

Macht en vrijheid, ze houden de wereld gaande. Zo ook de wereld van Duanbai, die op zijn veertiende onverwachts, in de plaats van zijn oudere halfbroer, op de troon belandt van het ooit zo fiere keizerrijk Xie. De Chinese auteur Su Tong, in Nederland bekend van Rijst, Drie lantaarns en De rode lantaarn (waarop Zhang Yimou zijn film Raise the Red Lantern baseerde), laat de keizer zijn relaas doen in de roman Mijn leven als keizer, die net in vertaling is verschenen.

Het boek lijkt een waar gebeurd verhaal te vertellen, inclusief zogenaamde correcties of aanvullingen van Duanbai op de Geheime hofgeschiedenis van Xie, maar dat is schijn: Duanbai en het keizerrijk Xie hebben in werkelijkheid nooit bestaan en Su Tong waarschuwt zelf dan ook in zijn voorwoord dat hij zich heeft willen overgeven ‘aan een zorgeloze zwerftocht door mijn innerlijke wereld. Ik wilde me onder-dompelen in duizend jaren Chinese cultuur.’ Het resultaat is een zinderende roman, die ons een paradoxaal beeld van macht en vrijheid biedt.

Al direct na zijn troonsbestijging laat de bangelijke keizer het landsbestuur, waar hij niks van begrijpt, maar al te graag over aan zijn heerszuchtige grootmoeder. Uit machtswellust zijn zij en de meeste andere personages in het boek tot alles in staat, en Duanbai leert snel bij: het laten uitrukken van de tongen van de verstoten concubines die zijn nachtrust verstoren is maar het begin – de almachtige keizer heeft immers de vrijheid om te doen wat hij wil? Maar pas wanneer hij na acht jaar wordt afgezet, leert Duanbai echte vrijheid kennen. Dan kan hij zijn lang gekoesterde droom om koorddanser te worden vervullen en geleidelijk aan wordt Duanbai ‘menselijker’; als ‘Keizer van het Koord’ krijgt hij het inzicht in de wereld en in zijn leven dat hem als echte keizer ontbrak.

Tegen de achtergrond van een rijk in verval worden de hofintriges met hun wreedheden breed uitgesponnen. Die zijn huiveringwekkend maar worden toch haast achteloos verteld. Duanbai zelf lijkt vaak een toeschouwer, en alleen als iets hem persoonlijk raakt, is hij soms in staat actie te ondernemen. Dat is vaak frustrerend voor de lezer, maar het past wel goed bij het perspectief van de naïeve keizer die te jong op de troon is gezet. Tegelijk is het ook typisch voor het werk van Su Tong, die sadistische trekjes als een essentieel en onomkeerbaar onderdeel van het maatschappelijke leven lijkt te zien. Hij is niet de enige.

Recensie in NRC Handelsblad van:
Su Tong: Mijn leven als keizer. Vertaald door Mark Leenhouts. De Geus, 320 blz.

Zhang Zao, gedichten

De stoelen gaan in de winter zitten…

De stoelen gaan in de winter zitten, drie
in totaal – de kou is de spier –
ze staan in één lijn opgesteld,
panisch voor logica. Onder de engelen
zijn er geen drie die
erop zouden kunnen gaan zitten, wachtend
op de kapper die over de ijsrivier schaatst, hoewel
er vóór nog altijd een grote spiegel is,
een ekster klein muntgeld opruimt.

Het weefgetouw van de wind weeft de omgeving.
De baas is een leegte, ver weg
staat hij in een buitenwijk, warmte uitwasemend,
met zware wenkbrauwen en grote ogen telt hij de stoelen:
zonder het aan te raken kan hij
het midden wegnemen,
als hij de linkerstoel
helemaal naar rechts verplaatst, onophoudelijk –

zo’n moordenaar in het hart
van het al. Plotseling
is de vierde stoel die zich misschien onder
de drie bevindt, de enige echte,
ook in de winter gaan zitten. Zoals die winter…
… dat ik van je hield.

Magnolia

Lief middaguur, de magnolia droomt sereen met gebogen voorhoofd
ze droomt van mij als een spook dat op zijn tenen vóór haar loopt
in mijn handen ziet ze een kan water die voor anderen vergif is
ik bespeur geen greintje angst in haar gezichtsuitdrukking
wanneer ze aanvoelt hoe ik van mijzelf walg
vreselijk walg van dit bloed, deze zenuwen, poriën, de vorm
van mijn oren en mijn bekrompenheid; in een flits beseft ze
dat ik heus maar een mens ben; even later herinnert ze zich weer
dat ik vanuit het raam andere mensen heb bekeken, lichten heb aangedaan
via een deur een diepere plek in en uit ben gegaan
dan doet ze of ze haar bloemen laat vallen, of benut
een zachte windvlaag in de blauwe lucht, een donderslag, om mij
uit haar verdroogde hart, uit haar huid te dansen

Eindeloos

Bovenverdieping, talenlab.
De herfst verschijnt met een knal,
heldere stralen geven de vier muren nieuw kosmosglas,
Iedereen draagt koptelefoons, gezichten eensgezind als jade.

De zwangere lerares luistert mee. Een kostbare reliek van
gonzende stemmen:
‘Avondkrant, avondkrant’, het bandje piept fast forward om de aarde
nerveuze woorden sterven met tegenzin uit, zoals straatscènes en
bronnen, zoals buitenaardse bezoekers stilstaand aan een grens
over de avondgloed strijken, abrupt laten ze een rol brokaat neer:
leegte is minder dan een bloem!

Ze kijkt eens naar de nieuwe situatie
om zich heen, iedereen zit met een weefgetouw in de mond,
is bezig mompelend hetzelfde
goede verhaal te vertellen.
Iedereen is in luisteren verzonken,
Iedereen ontbloot zijn organen, werkt,

volledig onbewust.

Metroharp

Of laten we dan onderweg stoppen, aan geen van beide kanten
licht te zien, het bestek van de restauratiewagen rinkelt sinister
Of laten we dan naar buiten de begane grond op lopen
wandelende lijken op liften

Ik ben nog altijd je bruidegom. Tegen de dertig
doen mijn wijsvingers hun best om dikker te worden. In mijn zak
zit een dronken kiwi weggestopt
Ik, deeltje mensheid, mysterieuzer dan een vlam

kom tien jaar later van ver naar buiten de begane grond op lopen
schuifel naar een trillende tafel om jou
een liefdesbrief te schrijven. Een Californisch acht-uur-mantelpakje
met wat gesuikerd zonlicht likt aan de blauwe kringen om je ogen

Je loopt de begane grond op, wanneer ik de bloemenvaas uit de weg zet
plakt de schaduw van de evolutie aan de hielen van de vrolijk gekleurde
maskers. De avondklok weergalmt, legt zich neer
in een omgestoten beker melk: o, harp

De melkharp spant haar snaren stevig naar de aarde
Wanneer ik vergeefs aan het hoofd van het bed ga zitten lijk ik
de locomotief te raken die op jou af raast
hij speelt als een vreemd beest een geïsoleerde werkelijkheid

Brief uit de tijd

1
Aan de achterkant van deze tijdruimte, daar is mijn huis,
het heeft een witte vlag gehesen in een andere stad.
Het is nog geen dag, de slapende sluizen laten een paar
beladen vrachtwagens door, als een dinosaurus in de bocht
verscheuren ze iets, iets wat er eerst helemaal niet was.
Ik ontwaak.
Een groene knoop rolt van mijn lichaam.

2
Onze groene knoop, eeuwige overtolligheid.

Wolken bouwen Shanghai op.
Een blauwdruk in mij wacht
om een steentje bij te dragen. Ik schuif naar een lichte plek,
daar komt even een kraanvogel in beeld. Jouw brief
staat midden in de kamer in een bundel zonlicht, de veren gladgestreken –
zeker, een generaal pardon is onnodig. Uit kleine witte kool,
erwtenscheuten en waskalebas dat ene inzicht halen,

om corpulentie en machines af te sluiten –
sterk aangetrokken
door de tegenstrijdigheden in jou ga ik voor het raam staan.
April is glashelder, als de reflectie van sterkedrank,
de straatscènes zijn bevend gecombineerd tot diepzinnige proporties.
Zeker, ik kan de realiteit niet wakker schreeuwen. En jouw stem
reikt zo ver als mijn zicht strekt: ‘Ik,

dat ben jij! Ook ik drijf in deze tijdruimte.
De bouwplaats wordt dan opgeblazen, hier bij mij
waarschuw ik met deze gongslagen. Trek voorbij,
neem deze gong, hij is alles wat je hebt verzuimd.’

3
Ik raap de groene knoop van de grond op, blaas erover.
En ga me met mijn eigen zaken bezighouden.
Op rustige tijden
denkt de postbode die onder het raam passeert dat ik mijn portret ben;
soms leun ik doezelend op de tafel,
mijn handen uitgestrekt in de ruimte, als in een paar handboeien,

waar, waar is toch onze precisie?
… groene knoop.

Een sleutel voor C.R.

Tienduizend ton donker. Terug naar huis bollen onze kleren op door de westenwind.
Een glas water staat apart op het boekenrek.
Onzichtbaar in de uitgestrektheid richt een zwaluw
zich op een muntstukje ver weg en trekt verder,
maar wij zijn opgesloten in de herinnering aan de schaduw van de berg buiten het huis.
Jouw naaktheid overstroomt de veranda,
rondom trekt de nacht van de zwarte magneet als een denker aan

de uitgestrektheid. De sleutel zuigt aan de wereld.
Een fout bezorgde luchtpostbrief gaat tussen jou en mij heen en weer.
‘Groot,’ mompelt de brief, ‘groot’,

de vlammen springen op: ah, de brief groeit onmetelijk,
hij maant ons in hem te gaan wonen.
Je braakt van dronkenschap, ik schrijf een gepolijst antwoord,
mijn schaduw draagt twee velletjes papier, alsof
ik mijn dankbare en misvormde vleugels uitsla.

Gezelschap

Feestdag, ik hoor hem mij uitschelden.
Zijn rechter oogwit trekt rechts aan zijn kin,
terwijl hij naar rechtsboven kijkt, en hij blijft mij uitschelden.
Hij eet aldoor noedels en scheldt mij uit.
Hij trekt een wit shirt aan, steekt zo ver hij kan zijn hoofd uit het raam,
stopt een vulpen die bij het zonnige weer past in zijn jaszak,

hij wil bij mij op bezoek komen. Via de bazaar en de veldpaden,
het zwembad en de walnootbomen. Hij is bang te verdwalen,
terwijl hij loopt maakt hij een grote bos sleutels los,
steekt ze onderweg één voor één in voor hem veelbetekende punten.

De wind zegt dat hij dichterbij komt. We gaan zitten kletsen.
Uit zijn linkeroog valt langzaam een heel klein beetje zwart.
Maar het is al te laat, want
een vreemdeling glipt het huis binnen, wist het
als een gummetje uit voor hij naar buiten glipt

en onderweg ruimt hij die paar tekens op –

zodat de schemering kan arriveren. We zitten nog steeds hier.
Zou er nog een ander paar ogen zijn?
Van achteren gezien heb ik een vredige rug, licht gebocheld;
van voren gezien ben ik een zittende zwaluw,
een zwaluw in kleermakerszit.

De terdoodveroordeelde en de weg

Van de hoofdstad naar de wilde grasvlakte,
oneindigheid, maar mijn hoofd
zit vastgeklemd in een groot schandbord, mijn stem
is met touwen op de rug gebonden, op de veldpaden
tonen klokjesbloemen de dood,
bekronen een ascetische reiziger
met een soort betekenis;

ik loop,
onvermijdelijk moet ik ooit sterven, dit is nu eenmaal
geen politiek. Als ik dorst heb,
schets ik een kleine bosfee:
huppelende borsten, een friszachte vreemdheid,
een reekalf als een lemmet,
rennend langs een naamloos watertje,
houdt de sonore schaduw in bedwang;

als ik slapeloos ben
verbeeld ik me smaakvol
dat ik aan het slapen ben,
heel zwaar;

als ik bang ben, als ik bang ben,
veronderstel ik als vanzelfsprekend
dat ik al gestorven ben, dat ik
een dood ben gestorven, en bovendien

alles heb meegenomen dat ik aan het bekijken was:
de proletarische gevoelens van een vervaald landschap,
een restaurant, een veerboot, een ijsvogel,
enkele overvloedige landen van buiten hier,
enkele slonzige, mahjong spelende hoeren,
enkele wilde tijgers die als versleten sokken
buiten de mens zijn gegooid
en de schaduw van een pagode buiten de verte,

nog wat verder is die kleine bosfee,
het verfijnde, melodieuze moedertje, wier kindernaam
geroepen kan worden, haar wereld geurt dwarrelend

net zoals iedereen,
een droom van iemand op weg naar de dood,
een droom van een mens buiten mensen,
is niet puur, net zoals pure poëzie.

Rand

Zoals een tomaat zich aan de rand van een weeghaak verbergt, ligt hij
altijd. Iets flitst voorbij, een waarschuwing of een zwaluw, maar hij
beweegt totaal niet, blijft naast de kleine dingen. Wanneer de uurwijzer
precies tien uur aanwijst, verdwijnt de wekker in de verte; zo ook
een sigaret, enkele vervormde blauwe handboeien met zich meenemend.
Zijn bril, wolken, een Duits slot. Kortom, wat niet was vertrokken
is nu weg.
Leegte, vergroot. Hij is verder verwijderd, maar nog altijd
op een rand: een tandwielrand, een waterrand, zijn eigen
rand. Van tijd tot tijd kijkt hij naar de lucht, zijn wijsvinger omhoog,
oefent een iele, wilde kalligrafie: ‘Kom terug!’
En inderdaad, wat uit zijn vorm was geraakt keert er weer naar terug:
de ramen in de nieuwe wijk zijn vol met avondwind,
de maan brouwt een grote emmer gouden bier;
de weeghaak slaat heftig door, daar: eindeloos
als een gekalmeerde leeuw
ligt hij naast die tomaat.

Dobbelsteen

In den beginne was enkel de dobbelsteen –

Zes kanten, zes spiegels,
zes bruiden, één verschijning.
Zes gevallen bloemen worden tegelijk opgeruimd,
meer dan tien op buiken hangende melkkamers.
De bruiden zitten, holle frustraties.

Waar je voelt dat donder en regen een gordijn zijn,
daar is zo’n kamer,

daar,
daar valt de dobbelsteen altijd in zulke herhalingen:

Zeg: ‘Er is geen ik.’
– Goed, er is geen jij.
Nee, zeg: ‘er is geen jij.’
– Goed, er is geen ik.

Dai Wangshu, gedichten

Dai Wangshu (1905-1950) wordt beschouwd als de belangrijkste vertegenwoordiger van het Chinese symbolisme. Hij studeerde klassieke Chinese letteren in Shanghai en raakte al snel geïnteresseerd in de ‘nieuwe literatuur’ die in die tijd opkwam onder invloed van westerse opvattingen. Hij kreeg met name belangstelling voor de Franse letteren, besloot Frans te leren en vertrok in 1932 naar Frankrijk, waar hij zo’n twee jaar verbleef. Zijn oeuvre omvat ruim honderd gedichten en een groot aantal vertalingen van de meest uiteenlopende westerse auteurs (via het Frans). In alle eenvoud brengt hij oost en west samen.

Ik denk

Ik denk, dus ik ben een vlinder…
na jaren laat de zachte roep van een bloem
door het wolkendek dat droomt noch waakt
mijn fonkelend bonte vleugels beven.

14-3-1937

Gedachten van een reiziger

De rietpluimen bloeien in zijn geboortedorp:
de hakken van de reiziger zijn met modder besmeurd.
Modder op zijn hakken, modder op zijn hart,
wanneer zal een beminde hand ze schoonvegen?

Hij slaapt op rotsen, eet van sterren,
jarenlang reist hij rond over bergen en rivieren.
Alleen in het geluid van krekels in de stilte
proeft de reiziger zijn vaderland.

Lied van een reiziger

Wanneer er op zee een briesje opsteekt,
ontluiken turqoise rozen op het donkere water
– het thuis van de reiziger?

De bamboe poort is het huis van de spin,
de aarde muur is het huis van de lychee,
en de fruitboom met zijn vele takken en bladeren van de spreeuw.

Maar de reiziger heeft zelfs geen heimwee,
hij deint tussen de walvissen en zeeslangen:
laat de eenzame bloemen van thuis zelf bloeien, zelf vallen.

Maakt de reiziger zich zorgen over zijn eenzame thuis
omdat er turquoise rozen op zee zijn?
Hij heeft veel eleganter gezelschap dan rozen.

Het elegante gezelschap is een veel zoeter thuis,
de heimwee van de reiziger doolt daarin rond.
Ah, laat mij eeuwig deinen tussen walvissen en zeeslangen.

Gesloten tuin

In de tuin van me
izijn de bloemen al talrijk, de bladeren overvloedig,
maar in de dichte schaduw is het stil, geen vogel roept.

Het paadje is al flink bemost
en het slot is verroest –
de eigenaar bevindt zich onder verre zonnen.

Onder verre zonnen,zijn daar ook weelderige tuinen?
Een vreemdeling gluurt langs het hek naar binnen,
dagdromend van de eigenaar ver weg.

.

Improvisatie bij de grafsteen van Xiao Hong

Een eenzame wandeling van zes uur
om rode camelia’s bij je hoofd te leggen.
Ik wacht, de nacht duurt eindeloos lang,
en jij ligt te luisteren naar het gebabbel van de golven

.

Regenlaan

Met een oliepapieren paraplu, eenzaam
dwalend door een lange, lange
en verlaten regenlaan,
hoop ik op een ontmoeting
met een meisje als een sering,
een meisje vol melancholie.

Ze heeft
de kleur van een sering,
de geur van een sering,
de weemoed van een sering,
treurig in de regen,treurig dwalend.

Ze dwaalt door de verlaten regenlaan,
met een oliepapieren paraplu,
net als ik,
net zoals ik
zwijgzaam slenterend,
lusteloos, somber en bedroefd.

Stil komt ze nader
en nader, werpt
een blik als een zucht;
als een droom
gaat ze voorbij,
als een droom zo triest, zo vaag.

Als in een droom gaat
dit meisje langs mij voorbij,
een meisje als een sering;
stil gaat ze verder en verder
tot aan het vervallen hek,
tot aan het eind van de regenlaan.

In het treurige lied van de regen
vervaagt haar kleur,
vervliegt haar geur,
vervluchtigd is zelfs
haar blik als een zuchthaar droefheid als van een sering.

Met een oliepapieren paraplu, eenzaam
dwalend door de lange, lange
en verlaten regenlaan,
hoop ik op een glimp
van een meisje als een sering,
een meisje vol melancholie.

.

Witte vlinder

Wat voor wijsheid geef je mij,
kleine witte vlinder,
als je je bladzijden opent,
als je je bladzijden sluit?

Geopende bladzijden:
eenzaamheid.
Gesloten bladzijden:
eenzaamheid.

.

Nachtvlinders

Rondom de lichtkrans van een kaars
dansen nachtvlinders meelijwekkend in cirkels.
Deze wezens, neergedaald uit het land der geuren, doen niet denken
aan reeds gestorven insecten, nog niet gestorven bladeren.

Men zegt dat het dierbaren in slaap zijn,
die over bergen en passen, wolken en bomen zijn gevlogen
om ons leed te komen verlichten;
of gestorvenen die ons koesteren
en gedwongen door het geheugen de eenzame nacht hebben verlaten/

Maar ik realiseer me dat zij mijzelf zijn,
want met hun gekleurde fluwelen vleugels
bedekken ze mijn schaduw,
laten hem in de duisternis blijven
– een vluchtige gedachte, geen droom,
zoals die dag dat ik in een feniks veranderde.