Gao Xingjian, In het park

– Ik ben al heel lang niet meer in een park geweest. Ik heb er nooit meer tijd voor, en heb er ook niet zoveel zin meer in.
– Zo gaat het bij iedereen, van ons werk gaan we snel naar huis, we zijn altijd maar gehaast.
– Ik herinner me dat ik toen ik klein was heel graag naar dit park kwam om op het gras te spelen.
– Als je ouders je meenamen.
– Vooral als we met een groepje klasgenootjes waren. Ja.
– Vooral als jij er ook was.
– Ik weet het nog.
– Je had toen twee vlechtjes.
– Jij droeg toen altijd een tuinbroek, heel eigenwijs. Jij was altijd zo afstandelijk, je deed zo uit de hoogte.
– O?
– Ja, niemand durfde in je buurt te komen.
– Dat herinner ik me niet meer, maar ik vond het toch heel leuk om met jou te spelen, ik kwam zelfs met je voetballen.
– Ga toch weg! Wat nou voetballen? Je droeg witte schoenen en was altijd bang ze vies te maken.
– O ja! Toen ik klein was droeg ik graag witte gympies.
– Als een prinses.
– Ja hoor, een prinses met gympies.
– Later ben je verhuisd.
– Ja.
– In het begin kwam je op zondag nog vaak bij ons langs, later minder.
– We werden ouder.
– Mijn moeder mocht je erg graag.
– Ik weet het.
– Mijn ouders hadden geen dochter.
– Iedereen zei dat we op elkaar leken, alsof je mijn broertje was.
– Vergeet niet dat we van hetzelfde jaar zijn en dat ik nog twee maanden ouder ben dan jij.
– Maar ik leek de oudste, ik was altijd een vuist groter dan jij, alsof ik je grote zus was.
– Meisjes groeien sneller op die leeftijd. Maar goed, laten we het over iets anders hebben.
– Waarover dan?
Onder de bomen aan weerskanten van de laan stond een heg van gesnoeide coniferen; op de helling daarachter zat een meisje op een stenen bankje. Ze droeg een jurk en had een rode handtas.
– Laten we ook even gaan zitten.
– Dat is goed.
– De zon gaat net onder.
– Ja, mooi, hè?
– Ik hou niet van zoiets moois in zo’n onnatuurlijke omgeving.
– En je zei dat je zo graag naar het park gaat!
– Toen ik klein was. In de bergen ben ik zeven jaar houthakker geweest in een oerbos.
– Je hebt heel wat moeten doorstaan.
– Zo’n oerbos is meedogenloos.
Het meisje in de jurk stond op van het bankje en tuurde naar het eind van de laan, voorbij de netjes gesnoeide coniferen. Daar kwamen wat mensen aanlopen, onder wie een lange jongen met bakkebaarden. Boven de boomtoppen en de ommuring zette de zonsondergang de lucht in een rode gloed; het was adembenemend, haast purperachtig, met rafelige wolken die uitwaaierden boven de hoofden van de mensen.
– Ik heb al lang niet meer zo’n mooie zonsondergang gezien, het lijkt wel of de lucht in brand staat.
– Het lijkt wel een vuurzee.
– Een wat?
– Een vuurzee in een oerbos…
– Hoezo dan?
– Als een oerbos in brand vliegt ziet de lucht er zo uit, het helse vuur verspreidt zich zo razendsnel dat er geen tijd meer is om preventief een deel van het bos om te hakken, verschrikkelijk is dat. De omgehakte bomen worden de lucht in geslingerd; van een afstand gezien lijken er rijsthalmen in het vuur te zweven. Luipaarden slaan als bezetenen op de vlucht, springen de rivier in en komen op ons, mensen, af gezwommen.
– Vallen ze jullie dan niet aan?
– In zo’n geval zijn ze niet in ons geïnteresseerd.
– Schieten jullie ze dan niet?
– Ook wij zijn doodsbenauwd en staan langs de oever wezenloos in de verte te turen.
– Is er dan niks tegen te doen?
– Zelfs bergstroompjes kunnen het vuur niet tegenhouden, ook bomen die aan de andere kant van een beek staan verschroeien en vatten plotseling knallend vlam. Op enkele mijlen afstand zijn de rook en de warmte nog zo hevig dat je niet kunt ademhalen. Pas als de wind draait, of als het vuur bij een rivier belandt, komt er een einde aan het geweld en dooft het vuur vanzelf uit.
Het meisje in de jurk ging weer op het stenen bankje zitten en legde haar rode handtas naast zich neer.
– Vertel eens verder over wat je de afgelopen jaren hebt meegemaakt.
– Er valt niets te vertellen.
– Hoezo niets te vertellen? Wat je net vertelde was heel boeiend.
– Maar het heeft niet zoveel zin om daar nu nog over te praten. Laten we het over jou hebben.
– Over mij?
– Ja, jou.
– Ik heb een dochter.
– Hoe oud?
– Zes.
– Lijkt ze erg op jou?
– Ja, iedereen zegt van wel.
– Zoals toen je klein was? Met witte gympies?
– Nee, ze houdt van leren schoenen. Haar vader koopt het ene paar na het andere voor haar.
– Je bent gelukkig. Hij is vast een goede man.
– Hij is wel goed voor me. Maar of ik gelukkig ben…
– Je werk bevalt toch ook wel?
– Jawel, ik heb het beter getroffen dan veel van onze leeftijdsgenoten; een kantoorbaan… telefoontjes aannemen, interne post en zo.
– Secretaresse?
– Telefoniste.
– Dat is ook vertrouwelijk werk, ze stellen vertrouwen in je.
– Het is beter dan arbeider. Maar jij hebt je er ook bovenop gewerkt. Je hebt eerst verder geleerd en zit nu in de technische dienst?
– Ja, ik heb er hard voor geknokt.
De zon was ondergegaan en een grijzig schemerrood verscheen, alleen boven de boomtoppen aan de horizon was nog een streep helderoranje, aan de rand van de donkere lucht. In het bos op de helling viel het duister in. Het meisje zat met gebogen hoofd op het stenen bankje, ze leek op haar horloge te kijken, stond op met haar tas, legde hem weer op het bankje en tuurde naar het eind van de laan, voorbij de coniferen; het was duidelijk dat ze de maan tussen de wolken had gezien, ze draaide zich weer om en ijsbeerde wat, met gebogen hoofd en afgemeten passen.
– Ze wacht op iemand.
– Het is maar niks om op iemand te moeten wachten. Tegenwoordig zijn het altijd de jongens die zich niet aan afspraken houden.
– Zijn er veel meisjes hier in de stad?
– Er zijn wel genoeg jongens, het probleem is dat er te weinig geschikte zijn.
– Maar dit meisje ziet er goed uit.
– Het is voor een meisje altijd vervelend als ze als eerste verliefd is…
– Zou hij komen?
– Wie zal het zeggen? Vooral die onzekerheid maakt je gek.
– Gelukkig zijn wij die leeftijd voorbij. Heb jij op iemand gewacht?
– Hij zag mij als eerste. En heb jij iemand laten wachten?
– Ik ben mijn afspraken altijd nagekomen.
– Heb je een vriendin?
– Dat kun je zo zeggen, ja.
– Waarom ben je dan nog niet getrouwd?
– Misschien doe ik dat wel.
– Je lijkt niet zo heel veel om haar te geven.
– Ik heb medelijden met haar.
– Medelijden is geen liefde. Als je geen liefde voor haar voelt, moet je haar niet voor de gek houden!
– Ik hou alleen mezelf voor de gek.
– Maar toch ook iemand anders.
– Laten we het daar niet over hebben.
– Ook goed.
Het meisje ging zitten maar stond onmiddellijk weer op en tuurde naar de laan, die nu erg vaag was; ook het laatste restje rood aan de horizon was nauwelijks meer te zien. Ze ging weer zitten. Alsof ze voelde dat er mensen naar haar keken boog ze haar hoofd, ze leek haar jurk goed over haar knieën te trekken.
– Zou hij nog komen?
– Ik weet het niet.
– Hij zou niet zomaar moeten wegblijven.
– Er zijn zoveel dingen die niet zouden moeten.
– Is je vriendin knap?
– Ze is zielig.
– Dat moet je niet zeggen! Als je geen liefde voor haar voelt, moet je haar niet voor de gek houden, zoek een meisje dat je echt leuk vindt. Een jong, knap meisje.
– Knappe meisjes willen mij toch niet.
– Hoezo?
– Omdat mijn vader geen goede positie heeft.
– Zo moet je niet praten. Daar weiger ik naar te luisteren.
– Dan luister je niet. Volgens mij moeten we maar gaan.
– Ga je mee naar mijn huis?
– Ik had een cadeautje voor je dochter mee moeten brengen. Ook als felicitatie aan jou.
– Doe toch niet zo!
– Wat is daar fout aan?
– Je geeft steeds steken onder water.
– Dat is niet mijn bedoeling.
– Ik wil dat jij gelukkig bent.
– Dat woord wil ik niet horen.
– Ben je dan niet gelukkig?
– Zo wil ik niet verder praten. De afgelopen jaren waren dit soort ontmoetingen bijna onmogelijk, dus laten we het plezier nu niet bederven.
– Goed dan, laten we het over iets anders hebben.
Het meisje stond plotseling op. Aan het eind van de laan kwam met snelle stappen een gedaante aanlopen.
– Daar komt hij eindelijk.
Het was een jongen met een linnen boekentas, zonder zijn pas ook maar een beetje te vertragen liep hij haar voorbij. Het meisje draaide zich om.
– Dat is niet degene op wie ze wacht. Tja, zo gaat het vaak.
– Ze huilt.
– Wie?
Het meisje ging zitten, haar gezicht was niet te zien; ze leek het te verbergen in haar handen, het was zo donker in het bos op de helling dat het niet goed meer te zien was. Mussen tsjilpten.
– Zijn er nog vogels?
– Die zitten niet alleen in de oerbossen, hoor.
– Er zijn nog mussen.
– Je bent hooghartig geworden.
– Dat was ik altijd al. Als ik dat beetje hooghartigheid niet had bewaard, zou ik nu niet zo zijn geweest.
– Wees niet zo cynisch, je bent niet de enige die heeft geleden, iedereen is naar het platteland gestuurd. Snap je dan niet dat een meisje dat naar het platteland werd gestuurd, ver van haar familie en vrienden, het veel moeilijker had dan jullie jongens? De reden dat ik met hem ben getrouwd is dat ik geen andere, betere keuze had. Zijn ouders hadden een manier gevonden om mij te laten overplaatsen naar de stad.
– Ik verwijt je toch niets.
– Je hebt ook niet het recht mij iets te verwijten!
– Niemand heeft het recht iemand iets te verwijten.
De lantaarns gingen aan, een gelig licht kwam uit het groene gebladerte. De avondlucht was duister, boven de stad was zelfs het licht van de sterren vaag, waardoor het schijnsel van de lantaarns tussen de bomen extra helder leek.
– Volgens mij moeten we maar gaan.
– Ja, we hadden hier niet moeten komen.
– De mensen zullen denken dat we een verliefd stelletje zijn. Zal je man het niet verkeerd opvatten als hij ervan hoort?
– Zo is hij niet.
– Dan is hij zo slecht nog niet.
– Je kunt bij ons op bezoek komen.
– Als hij mij uitnodigt.
– Komt het niet op hetzelfde neer als ik dat doe?
– Het is jammer dat ik je huisadres niet wist en je dus op je werk moest komen opzoeken. Anders was ik rechtstreeks naar je huis gegaan.
– Je hoeft niet met dat soort argumenten te komen.
– We moeten elkaar niet zo afkatten.
– Jij maakt heel de tijd toespelingen.
– Sorry, ik doe het niet expres.
– Laten we het nog over iets anders hebben.
– Goed.
Het was donker geworden in het bos, het silhouet van het meisje was niet meer te zien, maar in het schijnsel van de lantaarns glinsterden de bladeren van de populieren groenig, alsof ze licht gaven. Er waaide een briesje. De trillende blaadjes waren glanzend glad als satijn.
– Ze is nog niet weg, hè?
– Nee, ze leunt tegen de boom.
Op enkele passen van het lege bankje stond een boom met een grote, dikke stam, waartegen inderdaad een schaduw leunde.
– Wat doet ze toch?
– Huilen.
– Dat is het niet waard!
– Hoezo?
– Hij is haar tranen niet waard. Ze kan zo een jongen vinden die van haar houdt, iemand die haar liefde wel waard is. Ze zou moeten gaan.
– Ze koestert nog hoop.
Ach, uiteindelijk heeft ze haar hele leven nog voor zich, ze vindt haar weg wel.
– Denk nou niet dat je alles begrijpt, want je begrijpt helemaal niets van vrouwen. Het is zo gemakkelijk voor een man om een vrouw te kwetsen; vrouwen zijn altijd zwak.
– Als ze zo goed weten dat ze zwak zijn, waarom leren ze dan niet wat sterker te zijn?
– Dat is makkelijker gezegd dan gedaan.
– Je hoeft geen problemen te verzinnen waar ze niet zijn. Er zijn al genoeg problemen in het leven. Je zou het allemaal wat zonniger moeten bekijken.
– Ik zou zoveel moeten.
– Ik bedoel dat mensen alleen zouden moeten doen wat ze moeten doen.
– Je zit onzin te verkopen.
– Je hebt gelijk. Ik had je niet moeten komen opzoeken.
– Ook dat is onzin.
– Ja. We moeten gaan. Ik neem je mee uit eten.
– Ik heb geen zin om te eten. Kunnen we het dan niet over iets anders hebben?
– Waarover?
– Over jou.
– Over de volgende generatie dan, hoe heet je dochter?
– Ik had eigenlijk op een jongen gehoopt.
– Een jongen of een meisje, dat blijft toch gelijk.
– Nee, jongens hoeven niet zo te lijden als ze ouder zijn.
– De mensen zullen in de toekomst niet meer zo hoeven te lijden, omdat wij dat al voor hen hebben gedaan.
– Ze huilt.
Boven hun hoofd was enkel het geritsel van de bladeren in de zachte wind te horen, maar daartussendoor klonk wat gesnift, het kwam van daarachter bij het stenen bankje en de boom.
– We zouden haar wat moeten troosten.
– Hier helpt geen troost.
– Toch zou het goed zijn.
– Ga er dan heen.
– Dat zou toch alleen een meisje kunnen, in zo’n geval.
– Zij heeft een ander soort troost nodig.
– Dat begrijp ik niet.
– Je begrijpt helemaal niets.
– Dat is maar beter ook. Begrijpen maakt alles alleen maar lastiger.
– En jij wilt anderen gaan troosten? Troost jezelf maar.
– Wat bedoel je?
– Je begrijpt de gevoelens van de mensen niet. Als die ook al lastig zijn is het inderdaad maar beter om ze niet te begrijpen.
– Kom, we gaan.
– Naar mijn huis?
– Dat hoeft voor mij niet zo nodig. Zullen we dan nu maar afscheid nemen?
– Ik heb je toch gevraagd morgen bij ons te komen eten? Hij zal er ook zijn.
– Ik denk dat ik toch maar beter niet kan komen, vind je niet?
– Wat je wilt.
Het gesnift in het donker werd duidelijker. Bij vlagen kwam het ingehouden gehuil aangewaaid tussen het geritsel van de bladeren in de avondwind.
– Ik zal je schrijven als ik ga trouwen.
– Je kunt maar beter helemaal niet schrijven.
– Misschien kom ik je later nog eens opzoeken, als ik hier voor mijn werk langskom.
– Je kunt ook maar beter niet meer komen.
– Ja, dat was fout van me.
– Hoezo fout?
– Ik had je gewoon niet nog eens moeten komen opzoeken.
– Nee, dat was niet fout!
– Het is niet onze fout, maar die van de tijd. Nu het allemaal voorbij is moeten we het leren vergeten.
– Maar ik kan het allemaal slecht vergeten.
– Misschien later…
– Ga nu maar.
– Moet ik je niet naar de bus brengen?
Ze stonden op. Van ergens bij het nauwelijks te onderscheiden lege stenen bankje kwam nu een luid gesnik, maar achter de donkergrijze boom was de gedaante praktisch niet meer te zien.
– Moeten we haar toch niet zeggen dat ze naar huis moet gaan?
In het licht van de lantaarns twinkelden zacht de jonge, satijnachtige blaadjes van de populieren.

Peking, 24 april 1983
Oorspronkelijk gepubliceerd in Gao Xingjian, Kramp. Meulenhoff, 2001, p. 44–55.

Zeg eens, hoe kunnen we jou gelukkig maken?

‘Ik heb niets over deze wereld te melden,’ zegt de moeder van leraar Fei in ‘Een man zoals hij’, een verhaal uit de nieuwe bundel van de Chinees-Amerikaanse Yiyun Li. Het was de laatste uitspraak van zijn vader voor hij zelfmoord pleegde. Zijn moeder herhaalt hem sindsdien met enige regelmaat, overigens zonder dezelfde bedoelingen te hebben.

De uitspraak is in feite typerend voor veel hoofdpersonages in deze bundel, die allemaal een beetje buiten de ‘normale’ maatschappij staan; hij verwoordt hun afstand ten aanzien van de wereld en van de mensen om hen heen, met wie ze een moeizame, onevenwichtige relatie onderhouden – geen onbekend onderwerp voor deze schrijfster, die met Gouden jongen, meisje van smaragd haar derde boek publiceert. De jonge schrijfster Yiyun Li, een rijzende ster in de Amerikaanse letteren, heeft een inmiddels zeer herkenbare stijl: op elegante maar ongekunstelde wijze vertelt ze de belangrijkste factoren uit het leven van haar personages, die hen hebben gemaakt tot wat ze zijn. Ze vertelt veel in zomaar een paar pagina’s, en doet dat, zoals in haar vorige werk, heel rustig en ingetogen, alsof alles precies wordt verteld op de tijd en de plaats waarop het verteld moest worden.

Deze verhalen spelen opnieuw in China en beschrijven ook details uit het gewone Chinese leven. Daarmee gaan ze niet óver China of over mensen wier levens getekend zijn door een totalitair regime. Ook veel andere, gevoelige onderwerpen komen erin aan bod – homoseksualiteit, draagmoederschap, ontvoering, pedofilie – maar de werkelijke inzet van de bundel is de eenzaamheid van de hoofdpersonages.

Opmerkelijk is dat deze mensen zich niet tegen hun eenzaamheid verzetten, maar die aanvaarden als deel van zichzelf. Ze treuren er niet of nauwelijks om, ze vertonen ook weinig verlangen om een brug te slaan naar anderen en de eenzaamheid te overwinnen, zelfs niet als anderen daartoe een helpende hand reiken. Li is goed in het beschrijven van de stilzwijgende conflicten die daardoor ontstaan tussen haar hoofdpersonen en de mensen om hen heen, die andere verwachtingen hebben. ‘Waarom ben je ongelukkig?’ en ‘Zeg eens, hoe kunnen we jou gelukkig maken?’ vraagt luitenant Wei aan het stadsmeisje Moyan in het eerste verhaal, maar een antwoord blijft uit – het is geen vraag die het meisje bezighoudt.

Net zoals deze Moyan komen de meeste personages niet direct sympathiek over. De vrouw van middelbare leeftijd uit ‘Tuinstraat 3’ bijvoorbeeld, die de oudere man wil strikken op wie ze vroeger stiekem verliefd was, toont een vreemde mengeling van gevoeligheid en rationaliteit. En wat drijft de vrouw in ‘De eigenares’ die onbekende, thuisloze vrouwen in haar huis opneemt? Ze doet dat niet uit empathie of sympathie, en de vrouwen zelf worden er evenmin vrolijker van. En het koppel waarvan de dochter bij een ongeluk om het leven is gekomen en dat besluit via draagmoederschap een tweede kind te nemen heeft iets stoïcijns.

Ze lijken allemaal verstoken van hartelijkheid en weinig genoegens te kennen. Anderzijds gaan ze ook niet gebukt onder een enorme last, zelfmedelijden, of haat, waarvoor alleen ‘de zwakken van geest kiezen,’ aldus, nogmaals, de moeder van leraar Fei. Zwak zijn deze mensen bepaald niet, alleen diep doordrongen van het feit dat ze zichzelf en hun eigen eenzaamheid nooit zullen kunnen veranderen.

Wat resteert hen dan nog? De laatste regels van het boek, van het titelverhaal, beschrijven het pakkend: ‘Het waren eenzame en verdrietige mensen, alle drie, ze konden elkaar niet minder verdrietig maken, maar ze konden met grote zorgvuldigheid een wereld scheppen waarin plaats was voor hun eenzaamheid.’ Het is knap hoe Yiyun Li eenzaamheid zo subtiel in vele facetten weet te beschrijven, en van deze wat ongenaakbare mensen zulke sprekende, liefdevolle portretten maakt.

Yiyun Li: Gouden jongen, meisje van smaragd. Vert. Lidwien Biekmann. Atlas, 237 blz.
Recensie in NRC Handelsblad van 28 april 2011.

Een heer van stand in volks China

Oud Afval – hoe verzint iemand ooit zo’n bijnaam voor zichzelf? Het klinkt niet erg positief, maar dat blijkt het toch wel te zijn, zo licht vertaler Jan De Meyer toe in zijn uitgebreide voorwoord bij De reizen van Oud Afval door de Liu E. Deze roman, oorspronkelijk gepubliceerd als feuilleton in een tijdschrift, werd geschreven in de beginjaren van de twintigste eeuw en wordt wel de laatste grote Chinese klassieker genoemd.

We lezen hierin over de meest uiteenlopende onderwerpen: traditionele geneeskunde, dijk- en waterbeheersing, landschapsschoon, goddelijke zangvoorstellingen, theedrinken, het belang van de poëzie in het klassieke China, de hiërarchie tussen de verschillende klassen, de gevechtsstijlen uit het beroemde Shaolinklooster, filosofische denkbeelden, en nog veel meer. De keerzijde daarvan is dat er ook behoorlijk wat uitgelegd moet worden aan de Nederlandse lezer. De vertaling is dan ook flink geannoteerd, en lijkt soms haast een wetenschappelijke studie.

De verhaallijn van het boek is eenvoudig: we volgen de hoofdpersoon op zijn tocht langs verschillende plaatsen en lezen over wat hij zoal ziet en meemaakt. Maar Oud Afval zelf (wiens naam overigens alleen in de titel vertaald is: in de lopende tekst heet hij steevast Lao Can) is een complexe persoon. Hij verenigt de drie belangrijkste Chinese levensbeschouwingen in zich, confucianisme, boeddhisme en taoïsme. In eerste instantie valt vooral zijn volkomen onconventionele gedrag op. Waar deze rondtrekkende geneesheer ook heen gaat of voor wat voor situaties hij ook komt te staan, als een ware taoïst lijkt hij zich volledig te hebben bevrijd van persoonlijke angsten, publieke opinies of maatschappelijke conventies, die geen enkele invloed hebben op zijn opvattingen, keuzes en beslissingen.

Zijn onorthodoxe gedrag maakt Lao Can tot een sympathiek personage. Bovendien blijkt hij ook nog eens zeer barmhartig te zijn, een eigenschap die de boeddhistische leer vertegenwoordigt, zoals De Meyer meldt. Lao Can zet zich in voor de zwakkeren in de maatschappij. Hij bestrijdt hardvochtige ambtenaren, die onder het mom van rechtschapenheid en onomkoopbaarheid onschuldige burgers de dood in jagen. In de laatste hoofdstukken leidt dat zelfs tot een detectiveachtig verhaal als Lao Can door een bekwame hoge ambtenaar wordt gevraagd een slepende moordzaak tot op de bodem uit te zoeken.

Dat blijkt een peulenschilletje voor Lao Can, die werkelijk overal raad op weet en alle problemen kan oplossen – terwijl hij toch altijd de nederigheid zelve blijft. Die confucianistische deugd en zijn overdreven morele superioriteit, ook een confucianistisch trekje, doen hem als personage wel een beetje de das om: de rol van onkreukbare, bescheiden wijze begint op den duur toch wat irritatie op te wekken.

Volgens De Meyer geeft het boek een beeld van het ‘volkse leven van het toenmalige China, met name het leven in en rond de herberg’, maar dat lijkt wat te veel gezegd. Lao Can mag dan met zo weinig mogelijk bezittingen rondtrekken en heel wat ontberingen voor lief nemen, hij blijft toch duidelijk iemand van betere afkomst, die zelf hoe dan ook een bevoorrechte positie heeft. Hardwerkende boeren in de modder komen in het boek niet voor; en al vindt Lao Can het zeker niet beneden zijn stand om met bedienden, prostituees, handelaren of herbergiers te kletsen, hij beweegt zich vooral tussen ambtenaren, die hem voor zijn verdiensten voorzien van overvloedige maaltijden of een warme witte vossenpels, die hij vervolgens wel weer altijd beleefd afslaat, omdat ze nu eenmaal niet passen bij een rondtrekkend geneesheer.

Het zal Liu E er minder om te doen zijn geweest om met Lao Can een man van vlees en bloed neer te zetten dan om een beeld te scheppen van een maatschappij die in zijn ogen tot ondergang gedoemd was. Hij heeft willen laten zien wat voor maatregelen en menselijke eigenschappen er nodig waren om zijn land, dat er op dat moment niet goed voor stond, weer bovenop te helpen. Niet voor niets opent het boek met een allegorisch hoofdstuk waarin Liu E China voorstelt als zinkend schip. Als Lao Can en twee vrienden de mensen op de boot te hulp willen schieten, worden ze uitgemaakt voor verraders omdat ze de kapitein een westers kompas overhandigen.

Dat alles vergt behoorlijk veel van de nietsvermoedende Nederlandse lezer die het boek als ‘roman’ ter hand heeft genomen. Maar de doorzetter zal er geen spijt van hebben, als hij zich werkelijk interesseert voor het China van honderd jaar geleden.

Liu E, De reizen van Oud Afval. Vertaald door Jan De Meyer, Augustus, 400 blz.
Recensie in NRC Handelsblad van 26 november 2010

Wu Chenjun, ‘Droomwereld’

Het eindpunt van lijn 34 is de Sun Yatsenkaai. Van deze kade vond vroeger, toen er nog geen brug over de Yangzi was, al het verkeer naar de overkant plaats, en hij werd dus goed onderhouden; nu worden er natuurlijk alleen nog mensen overgezet. Bus 34 vertrekt vanaf de Sun Yatsenkaai en rijdt rechtstreeks naar het drukke begin van de Nieuwstraat in het centrum van de stad. Het duurt een halfuur om vandaar naar de Sun Yatsenkaai te gaan, met negen tussenhaltes, respectievelijk Zhujiangweg, Tromtoren, Dafangstraat, Shanxiweg, Hongbrug, Sanpaigebouw, Sajiabocht, Zuidbrugstraat, Reheweg. Na de Zuidbrugstraat rijdt de bus de Xiaguanwijk in, waar de flats er armoedig uitzien en er weinig voetgangers op straat zijn, zelfs op de bus is nog maar een handjevol passagiers over. Als de bus over de Rehebrug dendert, doemt de enorme voorgevel van de Sun Yatsen-loketten aan het eind van de weg op, waar bus 34 gierend recht op afvliegt. Wanneer hij bijna tegen de trappen van de loketten aanbotst, zwenkt het tweeledige draakachtige gevaarte plotseling naar links, en met zijn romp in een lelijke draai remt hij uiteindelijk voor de rij platte laagbouw aan het eindpunt van lijn 34.

Ik ben weleens met de veerpont van de Sun Yatsenkaai naar de overkant gegaan, overdag en ’s avonds. Met de pont op de Yangzi varen geeft je het gevoel op reis naar verre oorden te zijn. Deinend op de golfslag van de stromende rivier, met zijn geheven voorsteven en schallend met zijn sonore hoorn, doorploegde de pont het wateroppervlak. Van de mannen en vrouwen aan boord liepen sommigen wat rond, anderen zaten op de lange banken in het midden, weer anderen (over het algemeen de wat jongeren) deden zich bevallig voor en stonden aan de rand van de boot tegen de reling geleund naar het water onder hen te staren. Een aantal meisjes dat van de noordkant van de Yangzi afkomstig leek, hing over de reling, hun billen in de lucht, hun jeans extreem strak. Wanneer ik mijn blik van het mistige wateroppervlak afwendde, vergat ik nooit hem over deze jeans te laten glijden. Ik was anders dan de anderen aan boord, mijn status was moeilijk te bepalen: ik leek niet op de forenzen en evenmin op hen die aan de noordkant van de Yangzi familie of vrienden gingen bezoeken. Ik was ook geen typische reiziger, want ik had mijn wenkbrauwen voortdurend gefronst en zag er zwaarmoedig uit, als een eenzame vogel die ineengedoken in een hoekje van de boot zat. Tegelijkertijd deed ik ook mijn best om het gedrag en de manieren van de anderen over te nemen (oftewel te imiteren) en zwalkte ik soms voorbij de winkeltjes die worst of broodjes verkochten.

Langs het voorgevel van de Sun Yatsen-loketten liep naar rechts naast de rivier een net straatje naar de kaai voor langeafstandsreizigers, in de volksmond Grote Pontkaai geheten. Aan de rivierzijde werd het straatje door een halfhoog muurtje begrensd, om te voorkomen dat er voertuigen de rivier in zouden rijden. Aan de andere kant stonden bomen en donkergrijze huizen. Toen we net een brommertje hadden gekocht, ging ik tegen de avond in dat straatje rijden op dat ijzeren beest, een Magnolia brommertje, om mijn rijvaardigheid te oefenen. Mijn vrouw stond bij het muurtje naar mij te kijken en zei dat ik langzamer moest rijden, om geen ongelukken te maken. Zodra ik vaart had gemaakt, was ik al bij de Grote Pontkaai, en in een oogwenk was ik al weer op de terugweg; een zachte voorzomerbries streek over mijn blote handen en wangen. Het brommertje kwam voor mijn vrouw tot stilstand en ik gaf het aan haar over zodat zij er ook van kon genieten. De eerste keer dat ze de brommer probeerde was ze nogal bang en durfde geen snelheid te maken. Eigenlijk was de brommer voor haar gekocht; ze had hem nodig omdat we in Xiaguan zo afgelegen woonden, ver van haar werk. Alleen is het haar nooit gelukt de rijkunst echt onder de knie te krijgen, en is het Magnolia brommertje uiteindelijk verkocht, samen met andere spullen. Misschien liggen brommers haar nu eenmaal niet en hadden we er destijds toen we hem kochten niet goed over nagedacht. Toen zij op het brommertje zat, reed ze zeer verkrampt naar de Grote Pontkaai. Pas nadat haar rug helemaal uit het zicht was verdwenen, verscheen ze weer in de bocht van de straat.

Als je uit bus 34 (of de pendelende minibusjes) stapt en met je rug naar het voorgevel van de Sun Yatsen-loketten een beetje terugloopt, kruis je een andere weg. Dat is de Tangshanstraat, die in deze wijk heel bekend is. De Tangshanstraat is voorbij de Rehebrug, het is de straat waar, op de Yushanweg na, de meeste mensen wonen. In een minibus vraagt de chauffeur altijd, vlak voor de Sun Yatsenkaai, of er mensen uit willen op het kruispunt van Tangshanstraat, want minibusjes kunnen stoppen waar ze willen. Maar op lijnbus 34 moet je bij de Sun Yatsenkaai uitstappen, honderd meter teruglopen en via de ingang van een warenhuis, een boekhandel en de Xiaguan-elektriciteitscentrale (dat is een van de weinige belangrijke voorzieningen waar de bewoners van de Tangshanstraat trots op kunnen zijn) de Tangshanstraat inslaan. Aan beide kanten van de straat staat een rij platte laagbouw, met daartussen een aantal eettentjes, waarvan ik de kookkunsten niet echt kan aanbevelen – je kunt zelfs wel zeggen dat die zeer te wensen overlaten. Toen er een aantal keer prijzen waren toegekend, hebben mijn vrouw en ik, wanneer we geen zin hadden om te koken, daar wel eens wat kant-en-klaars gegeten, maar de gebakken pens, waar mijn vrouw toch erg van houdt, was bij die zaakjes zo hard als katoen, niet weg te krijgen.

De huisnummering van de Tangshanstraat is ingewikkeld, maar er is niemand die het grote complex op nummer 53 niet kent. Wij woonden in dat grote complex op nummer 53, om precies te zijn, in appartement 103 van toren 19 in het nummer 53-complex. Vrienden die op bezoek kwamen vertelden we van te voren per telefoon dat ze, zodra ze in de Tangshanstraat waren, twee transformators zouden zien staan, met voorbij de tweede een steeg naar links die ze wat verder moesten inlopen om de ijzeren poort van het complex op nummer 53 te kunnen zien. Het complex heet ook wel het elektriciteitscomplex, de gezinnen die er wonen zijn grotendeels werknemers van de Xiaguan-elektriciteitscentrale. Jaren geleden had mijn werkeenheid ook wat grond op die plek gekocht en er een paar flats gebouwd (toren 15 tot en met 20), en nadat de oudere arbeiders naar nieuwe woningen in de stad waren verhuisd, werden deze flats van grijze baksteen, aan ons jongeren toebedeeld. Toen ons kind iets meer dan een maand oud was ging mijn vrouw vaak op het binnenplein wandelen, van de zon genieten, en kletsen met de oude vrouwen die niets om handen hadden en afwezig op een bankje zaten te staren. Ik klaagde daarover tegen haar, ik wilde dat ze minder naar buiten ging en thuis rustte, om te voorkomen dat ons hele privéleven naar die roddelende vrouwen zou doorsijpelen. Toren 19 bevindt zich in het grote complex, maar is niet het middelste gebouw, dat is toren 20, die dicht tegen toren 19 staat en precies zijn zon wegneemt, waardoor toren 19 vier seizoenen per jaar nergens voldoende zonne¬schijn heeft – dat was de reden voor mijn vrouw om in de grote binnenplaats van de zon te gaan genieten.

En ons appartement 103… Ons appartement 103 was als volgt. Na het openen van de zware anti-inbraakdeur en de houten deur (op het kozijn zat het teken ‘geluk’ geplakt, de kleur was verbleekt maar verder was het intact) was er een aardedonkere, smalle gang. Als er vreemdelingen op bezoek kwamen die niet erg oppasten, schopten ze het schoenenrek, een ijzeren constructie die tegen de muur stond, omver. De gang zal niet meer dan twee meter lang zijn geweest, maar er kwamen vier deuren op uit, respectievelijk van de woonkamer, de slaapkamer, de keuken en de bergruimte. Die laatste was oorspronkelijk volgestapeld met huishoudapparaten, later hebben we er een bed in gezet en er de kamer van het kindermeisje van gemaakt. Zij was een nichtje van mijn vrouw, we gaven haar elke maand honderd vijftig yuan om op ons kind te passen als wij uit werken gingen. De keuken en de slaapkamer lagen tegen elkaar en de woonkamer was daar tegenover. In de woonkamer gaf een deur op het zuiden toegang tot een met bakstenen omheind binnenplaatsje (appartement 103 was op de begane grond, daarom kon er zo’n binnenplaatsje zijn, op de eerste verdieping en hoger was zoiets echt onvoorstelbaar). Op het binnenplaatsje groeide een plataan van meer dan tien jaar oud, midden in de herfst lag de grond met zijn bladeren bezaaid. We bekommerden ons er nooit zo om hoe het binnenplaatsje eruitzag en lieten de bladeren op de grond wegrotten. Alleen toen in een bepaald jaar enkele takken van de plataan tot vlak voor ons raam kwamen, waardoor het raam slecht open en dicht ging, heb ik een zaag geleend en die paar takken gesnoeid. Voor ons diende dit plaatsje enkel als stalling voor de brommer. Omdat, door de aanwezigheid van toren 20, de kleren die er te drogen hingen alleen de weerschijn van de zon kregen, bestond de binnenplaats enkel in naam. Toen we het huis bij ons trouwen inrichtten, legden we zeil op de grond van de woon- en slaapkamer, en mijn vrouw wilde dat iedereen die die kamers binnenging van slippers zou wisselen, een maat¬regel die me niet erg beviel. Als ik bijvoorbeeld van de kamer via de gang naar de slaapkamer wilde en dan weer van de slaapkamer naar de keuken, moest ik onderweg driemaal van slippers wisselen. Er was meer dat me niet beviel, zoals de eettafel in de keuken. Uit angst dat de rijstkommen van de wankele tafel zouden vallen, hielden we als we zaten te eten altijd met één hand onze kom vast en zodra we klaar waren met eten, ruimden we de tafel op om ongelukken te voorkomen. Waarom heb ik die simpele opklaptafel nooit omgeruild voor een houten? Gezien ons toenmalige inkomen is het onwaarschijnlijk dat we geen geld hadden om die te kopen.

Ik moet uitleggen dat mijn vrouw en ik al vijf jaar geleden verhuisd zijn uit appartement 103 in toren 19 van het complex op Tangshanstraat 53 in de Xiaguanwijk. We wonen daar nu ver vandaan in de achterbuurt van de Jianyuewijk. Het is niet overdreven om het een achterbuurt te noemen: de hele buurt bestaat uit vervallen, zelfgebouwde huizen, die onderdak geven aan allerlei mensen die aan de onderkant van de maatschappij zitten, zoals koelies, straatvegers, fabrieksarbeiders en straatventers. De beschaafdheid van deze mensen laat nogal te wensen over en er komen regelmatig gewelddadigheden voor als vandalisme, burenruzies en -gevechten. Wij wonen daar in een bovenkamer, een ouder echtpaar woont op de benedenverdieping van het huis, dat zo klein is dat wij langs hun bed de trap op en af moeten. We zijn verhuisd omdat ik mijn werk had verloren, en daarmee het huis in Xiaguan. Mijn vrouws beklag over onze woonsituatie, waar ik maandelijks mee word geconfronteerd, is eigenlijk wat te beschamend voor woorden; dit was ook niet bepaald wat ik voor ogen had, maar het was door omstandigheden zo gelopen en er was weinig aan te doen. Zoals het er nu voorstaat moet ik het gekibbel dulden van het oudere echtpaar beneden, dat dag in dag uit, jaar in jaar uit doorgaat, evenals de beledigende uithalen die de oude vrouw zo nu en dan naar mij maakt. Ik laat mijn humeur zelfs bewust met hun gemoedsstemmingen op en neer gaan. Zo klonken vorige winter uit de goedkope cassetteradio van de oude man van beneden hele dagen aria’s van een Pekingopera, van vroeg tot laat. Zodra ik wakker werd, hoorde ik de kamer overstromen met percussie- en erhuklanken, en de zinnen die ik in die tijd heb opgeschreven vertonen duidelijk een melodieus operaritme. Door mijn herhaaldelijke blootstelling aan de manier van gevoelsuiting van de traditionele opera, ben ik me ervan bewust dat de kunst er baat bij heeft. Maar natuurlijk kent het geduld van een mens z’n grenzen en alleen omdat ik mijn grenzen steeds verleg, kan ik alles tot nu toe verdragen.

Op een middag zei mijn vrouw plotseling dat ze een droom had gehad, ze dempte haar stem zodat hij niet zou doordringen tot de oren van het altijd alerte oude echtpaar dat de ogen goed de kost gaf en de adem inhield. Ze vertelde dat ze had gedroomd dat ze was teruggegaan naar ‘ons vroegere huis’ in de Xiaguanwijk. Ik keer haar ernstig aan, zes jaar hadden we in dat ‘vroegere huis’ gewoond, ik herinnerde me elke vlek op de muur, maar nooit had ik er tegen mijn vrouw over gesproken en ik deed mijn best er niet aan te denken. Zwijgend zat ik op de bank, gaf een tijdje geen kik; ik hoopte dat de droom van mijn vrouw over ‘ons vroegere huis’ in Xiaguan niet al te emotioneel was. Het viel mee, bedaard zat ze, alsof die droom niets met haar te maken had, een onderhoudend verhaal te vertellen. Na een blik op haar horloge, mompelde ze ‘ik moet de kleine bij de kleuterschool ophalen’ en ging tegelijkertijd haastig naar beneden. De volgende dag vertelde ze dat ze die nacht in haar droom opnieuw was teruggegaan naar het huis in Xiaguan, en ze vertelde me haar droom, die ongeveer hetzelfde was als de dag ervoor, op wat specifieke details na. Ik raadde haar aan om niet zo over ons huisprobleem te piekeren, ‘als de nood het hoogst is, is de redding nabij.’ Zonder het einde van mijn bemoedigende woorden af te wachten, draaide ze zich om en ging iets anders doen. Vanaf dat moment zei ze nooit meer tegen me dat ze ‘weer’ een droom had gehad over ons vorige huis. Ah, mensen zouden echt niet te vroeg¬ zo’n groot huis moeten hebben. Ik denk dat je in je dromen wordt geplaagd door je zorgen van overdag; waarschijnlijk zat zij, zodra zij niets te doen had, over ons vroegere huis in Xiaguan te peinzen.

Op een ochtend daarna was ik dorstig en hongerig opgestaan, ik voelde me licht in het hoofd, in de ruimte om me heen hing een fel wit licht en even had ik moeite de meubels in de kamer te herkennen. Ik waste mijn gezicht aan de waskom, at wat opgewarmde rijst, ging voor mijn werktafel zitten, maar wist niet wat ik moest doen. Beneden heerste een zeldzame stilte. Vermoedelijk was de oude vrouw boodschappen gaan doen of zat ze zich hiernaast met de oude buurvrouw te verkneukelen over het wel en wee van anderen; de oude man kon mahjong zijn gaan spelen. Het vervallen huis zag er troosteloos uit, ik had enkel gezelschap van de zon, die mijn aandacht trok en me verwarmde, niets was levendiger dan die zon. Met zulk mooi weer moest ik echt naar buiten gaan. Ik deed wat kleingeld in mijn zak, ging de trap af en bemerkte toen pas dat de indeling beneden in één nacht flink was veranderd. Het bed was van het trapgat naar het raam op het noorden verschoven (waar het oude echtpaar voorheen at) en een lage, vettige kast, die ze al decennia gebruikten, was verzet; eerst stond hij op het westen, nu op het oosten. De eettafel, vol met etensrestjes, was vanzelfsprekend naar de trap verschoven. Dat ik niet wakker was geworden door het kabaal van die verschuivingen geeft wel aan hoe vast ik slaap.

Toen ik de achterbuurt uit was, kwam ik op de hoofdstraat. Lopend op het voetpad langs de hoeken van de hoogbouw kreeg ik een gelukzalig gevoel van in de stad te zijn. Ik was vergeten hoeveel dagen ik niet meer op straat was geweest. Doorgaans was ik eraan gewend om in het vervallen huis te wonen, om de vieze lucht in te ademen van de krappe ruimte waar een stank van zweet en rook hing, en toen ik ineens onder de weidse lucht vol frisse zuurstof stond leken mijn longen te barsten. Met zijn rode stralen kleurde de zon de aarde, de platanenkruinen, de zijkanten van de gebouwen, mijn lichaam. Ik liep voorbij de ingang van het Hualian-warenhuis; rechtvooruit was het begin van de Nieuwstraat, ik kon het standbeeld van Sun Yatsen op het midden van het plein al zien. Doelloos liep ik verder op het voetpad en zag alleen dat bus 34 na een rondje op het plein naast mij stopte. Ik keek om me heen, dit was de beginhalte van lijn 34, op het bordje stond ‘Begin Nieuwstraat’ geschreven. Zonder aarzelen stapte ik samen met de passagiers in de bus, en ging op een plek naast het gangpad zitten. Voorin bleven er passagiers op de bus springen, die daarna naar het achterste deel drongen. Op de stoel naast mij zat een rondborstig meisje, met haar smaakvolle leren tas beschermde ze het deel van haar buik onder haar borsten, alsof ze er net een stomp in had gehad.

Langzaam ging bus 34 op weg naar de Zhujiangweg en na een uurtje bereikte hij de eindhalte, de Sun Yatsenkaai. Het was er veranderd in de vijf jaar dat ik er niet was geweest. Ik zag dat er heel wat eettentjes waren bijgekomen voor het voorgevel van de loketten. In elk zaakje zaten her en der wat gasten leunend op de tafels te kletsen en te eten, geheel op hun gemak, terwijl de eigenaars energiek in de weer waren en onophoudelijk de wokken schudden. Het zonlicht scheen recht omlaag op de glinsterende grond voor de eetzaakjes. Ik voelde in mijn broekzak. Alleen al het geld bij elkaar zou net genoeg zijn voor een kom noedels, ik kon maar beter met een lege maag van de parasols bij het eettentjes weglopen. Ik liep terug tot de laan, zag de deur van de boekhandel halfopen staan en ging naar binnen. De uitstalling daar was juist min of meer hetzelfde als vroeger, er werden nog steeds weinig stimulerende, illegale uitgaven verkocht. Ik hing er wat rond, kocht een krant en stond toen weer buiten op straat, liep verder via de ingang van het Xiaguan elektriciteitsgebouw en sloeg toen rechtsaf de Tangshanstraat in. ‘De tweede transformator’, dacht ik al lopend en keek er intussen vanuit de verte naar. Ik kwam steeds dichterbij, gleed langs de betonnen pilaar die hem ondersteunde en draaide het weggetje in dat naar het complex op nummer 53 leidde. De twee witgelakte ijzeren poorten stonden wijd open, van buitenaf was er geen spoor van mensen te zien.

In het felle zonlicht leek het of er vanuit de ramen, als zwarte gaten in huizen, ontelbare ogen naar mij gluurden, naar deze persoon die na een jarenlange scheiding naar huis terugkeerde. Ik zag er ongeveer hetzelfde uit als toen ik hier woonde, alleen was mijn kleding meer versleten, ik leek wat slonziger. Misschien waren de mensen achter die ramen mij helemaal niet slechtgezind maar enkel nieuws¬gierig, misschien wilde ze weten hoe ik het al die jaren buiten had gemaakt en hoe ik me overeind had gehouden. Vijf jaren achterbuurt hadden mijn hart versteend zodat ik zelfs geen medelijden met mezelf had, maar toen ik daar over die bekende hobbelige klinkers van het complex op nummer 53 liep, waar ik ooit ’s ochtends de deur uitging en ’s avonds terugkeerde, en in de zon naar die rijen ouderwetse appartementen keek, welde het warme gevoel in me op dat ik toen ik klein was had als ik mijn ouders zag. ‘Ik ben weer thuis,’ dacht ik, ‘mijn huis is daar voor me, daarbinnen.’ Appartement 103 in toren 19, in die flat naast die Japanse mispel, dat was mijn huis. Het was er heel stil, er kwam geen enkel geluid uit. Ik keek vanaf buiten naar de gesloten ramen (de ramen van de keuken en kamer keken uit op de weg en vielen erg op in het geheel omdat de ramen van de andere huizen aluminium kozijnen hadden gekregen, alleen in mijn huis waren ze nog hetzelfde als vroeger, van roodgelakt hout). De ramen zager er smerig uit door de wind en regen van al die tijd en omdat mijn vrouw destijds niet was teruggegaan om de ruiten te wassen, er zaten een dikke laag stof en vieze vegen op. Ik herinnerde me dat we op een regenachtige dag waren verhuisd en dat ik, toen ik het laatste uit het huis had gehaald, de grendel van het raam nog goed had gecontroleerd en stevig dichtgeduwd. Ik had tegen mijn vrouw gezegd: ‘Oké, de deur op slot en we gaan.’ In de leeggeruimde kamer had mijn stem weergalmd.

Toen ik toren 19 inging en voor de deur van appartement 103 stond, ontdekte ik dat in de vijf jaar dat wij het huis hadden verlaten de anti-inbraakdeur was geforceerd. Hij zat niet op slot en ging open door er zachtjes aan te trekken, en op de plek van het slot van de houten deur restte nu een gat. In de gang achter de deur hing een geur van verrotting en een vochtige damp. Bij de verhuizing achtergelaten rommel, zoals houten stokjes en kartonnen dozen, lag nog altijd kriskras over de vloer in het donker. Op mijn tenen liep ik erover heen en ging zijdelings de keuken in. De pleisterlaag die wij op de keukenmuren hadden gesmeerd was op grote vlakken gescheurd en de kleur was ongelijk verschoten, wat een afgeleefde indruk gaf. Onder het noordelijke keukenraam lag een plas water, waarvan het oppervlak nog wat rimpelde. Ik liep erheen om het te bekijken en zag dat de kraan waar de waterbuis van onze wasmachine vroeger op aangesloten was geweest zachtjes lekte. Al die jaren had hij constant gelekt! Ik wist wel dat de hoofdkraan en alle kleine kranen in ons huis niet goed dichtgingen, maar werd destijds zo door het verhuizen in beslag genomen dat ik er helemaal niet aan had gedacht om ze te repareren. Gelukkig zat er in de hoek een gat naar buiten (waardoor waarschijnlijk muizen en dergelijke kropen) zodat niet heel appartement 103 was ondergestroomd. Ik liep heen en weer in de keuken, trok de wc-deur naast het aanrecht open en keek hoe de wc erbij stond, de keramische vloertegeltjes stonden vol droge voetafdrukken. Ik had er niet op gelet wie de wc allemaal had gebruikt tijdens de verhuizing, maar zo te zien waren het er heel wat geweest.

Ik beende de keuken uit naar de slaapkamer waar we een twee meter hoge kast hadden achtergelaten. Mijn vrouw had gezegd dat het huis in Jianye te klein was, die kast paste er niet in en we zouden hem later ophalen als het kon. In de kast lag een kapot dekbed en een elektriciteitssnoer. Omdat er jarenlang niemand had schoongemaakt waren de muren, de grond en de lamp aan het plafond met een donkerbruin stof bedekt, flarden spinnenwebben hingen door de hele kamer. De kast, die aan de buitenkant zo vies was dat de houtstructuur niet goed meer was te zien, stond daar nog altijd midden in de slaapkamer; in een vaasje op de rand hingen een paar verwelkte bloemen. Dicht bij de kast stond ik uit het raam te kijken, waarbij ik mijn best deed om te voorkomen dat mijn bewegingen het stof zouden opwaaien dat al jaren in diepe slaap lag. Hoewel het buiten ongewoon licht was, leek het vanuit de slaapkamer bewolkt, alleen heel zwakke zonnestralen kwamen door de troebele ramen gedrongen. Het dekbed dat we vroeger als matras gebruikten lag nog op dezelfde manier in de kast. Toen ik de deur opende, rook ik een rare schimmelgeur die me zo de adem benam dat ik mijn wenkbrauwen fronste. Het was me niet duidelijk waarom mijn vrouw altijd klaagde dat we te weinig dekens hadden, terwijl we deze hier hadden laten wegrotten. Ik bukte me om een horlogebandje op te rapen, eentje voor mannen. Over de roestvlekken wrijvend vroeg ik me af of het van een horloge was dat ik ooit had gedragen. Sinds de verhuizing heb ik geen horloge meer, de tijd doet er niet toe voor iemand zoals ik die de hele dag in een achterbuurt verblijft. Misschien was dat horlogebandje wel niet van mij. Ik herinnerde me dat ik het mijne kort na de verhuizing had verpatst, het kon niet hier zijn achtergelaten. Vermoedelijk was het verloren door de indringers die de deur hadden geforceerd, en dan waren de voetafdrukken in de wc ook van hen. Meer bewijzen waren niet nodig om aan te tonen dat zij clandestien, achter de rug van de huiseigenaar om, in mijn huis hadden geleefd. Wat zochten die gewetenloze ellendelingen eigenlijk in zo’n leeg huis? Behalve de kast was er niks kostbaars en ook die kast was trouwens niks waard, anders had ik hem lang geleden wel verkocht in plaats van zo af te danken, en al helemaal zou ik zijn bestaan in al die jaren niet bijna zijn vergeten. Nauwkeurig onderzocht ik de voetstappen bij het raam, die hetzelfde waren als op de wc-tegeltjes; ongetwijfeld hadden die lui ooit vanaf de plaats waar ik nu stond uit het raam het weer gadegeslagen. Het was waarschijnlijk een regendag geweest. Met modderige overschoenen aan en een zwarte regencape omgeslagen hadden ze de deur van mijn huis open¬ge¬stampt en binnen roekeloos overal onmiskenbare voetafdrukken gemaakt. Onverschillig waar hadden ze peuken gegooid, vellen van varkensworst en dat horlogebandje waarvan ik niet wist waar het vandaan kwam. Onweer had hun kabaal overstemd.

Buiten werd het langzaam donker, zelfs het schaarse zonlicht dat door het raam viel was verdwenen. Ik kon geen licht aandoen, bij de verhuizing hadden we de elektriciteitsbedrading in het huis weggehaald, alleen de kap van de lamp zat nog tegen het plafond omdat hij er niet gemakkelijk af te halen was. Juist toen ik me erover verbaasde hoe de avond zo snel kon invallen, schoot er een lichtflits over het raam die de hele kamer verlichtte. Met mijn donkere schaduw afgetekend tegen de geverfde muur leek ik zelf een inbreker. De avondlijke stortregen maakte mij bewust van het gevoel van eenzaamheid diep in mij. Ik had dorst en honger en had geen idee hoe lang ik in dit appartement had gestaan dat ooit mijn thuis was geweest, ik was net rond het middaguur naar binnengegaan. Behoedzaam ging ik de slaapkamer uit en slenterde rond in de ruime woonkamer. Omdat ik geen horloge had, kon ik enkel intuïtief schatten dat het op dat moment misschien tussen negen en tien uur ’s avonds was. Ik staarde uit het woonkamer¬raam naar toren 20, waar de bewoners allang hun lichten hadden uitgedaan en sliepen. Voor mij stond alleen die torenhoge flat in de onzichtbare regen. Gescheiden door de regen staarde hij, toren 20, naar mij, hoewel het vuile raam mij afschermde. Mijn vingers pakten de grendel van het raam. Moeiteloos zou het opengaan en de regendruppels zouden op mij spetteren; ik zou mij enkel in de hoek van de kamer waar wij vroeger de bank hadden staan hoeven terugtrekken en de wind zou binnen zijn gang kunnen gaan en de staat van ons huis, die tot noch toe bewaard was gebleven zoals wij hem vijf jaar geleden bij de verhuizing hadden achtergelaten en die mij vanaf het middaguur toen ik naar binnen was gegaan een halve dag lang gezelschap had gehouden, zou worden vernietigd. Ik wrikte wat aan de grendel en haalde mijn vinger open. Ik had in dit huis gewoond, mijn levensadem hing hier, ik was eraan gehecht. Ik wilde niet langer buiten rondzwerven, ik wilde terugverhuizen, ik wilde opnieuw hier mijn thuis vestigen, de vitaliteit van appartement 103 herstellen, weer walmende oliegeuren in de keuken verspreiden, de slaap- en woonkamer in hun oude staat terugbrengen, de kleurentelevisie, de airconditioning, de bank, de kledingkast, het bureau, de computer, de koelkast terugzetten op hun plek van vijf jaar geleden. Ik ging hier niet meer weg, ik wilde hier blijven tot ik zo oud was dat ik niet meer kon bewegen en door anderen weggedragen zou worden, weg naar de plek waar ik dan heen moest gaan, maar tegen die tijd zou me dat allemaal gelijk blijven.

Op de tast ging ik met gebogen hoofd langs de muren de smalle gang in, opende stil de voor- en anti-inbraakdeur (waarvan de sloten nutteloos waren). Buiten appartement 103 deed ik beide zware deuren stevig dicht, zodat ze de schijn wekten goed op slot te zitten. Maar op het moment dat ik me omdraaide was ik er toch niet op gerust en opende de anti-inbraakdeur weer op een kier om hem krachtig dicht te gooien. Pas toen ik dat een aantal keer had herhaald en ervan overtuigd was dat hij in zijn normale hoedanigheid niet snel uit het slot zou schieten, bedaarde ik en trok me schoorvoetend terug. De regen viel nog altijd met bakken uit de lucht en overstroomde het lege terrein van het complex op 53. Ontsteld stond ik onder in de hal van toren 19, voelde me plotseling slap worden en viel even flauw, maar geleund tegen de muur kwam ik door een koele bries meteen weer bij zinnen. Machteloos keek ik naar de onophoudelijke regen en trok mij haastig terug in de hal. Na enige aarzeling klopte ik aan bij de buren van 102. Met deze buur (een man van middelbare leeftijd die in de logistiek werkte) had ik nauwelijks contact gehad, we hadden elkaar alleen elke maand bij het betalen van de elektriciteitskosten gezien en dan wat beleefdheden uitgewisseld, maar verder waren we terughoudend als vreemdelingen geweest. Er kwam geen beweging binnen en ik klopte nogmaals tot er licht in het wc-raam verscheen. Tot mijn verbazing deed een jongeman die ik nooit had gezien de deur open in plaats van een man van middelbare leeftijd. ‘Wat kom je doen?’ Licht gebogen maakte hij met één hand de riem van zijn broek vast. Waarschijnlijk was deze jongeman een familielid van de man van middelbare leeftijd, zo veronderstelde ik. ‘Mag ik wat water?’ Zonder op antwoord te wachten drong ik onbesuisd naar binnen.

Wijzend op een kapotte bank zei de jongeman mij te gaan zitten en hij schonk me een glas water in. ‘Ben je maar alleen?’ Argwanend liet hij vanuit de hoogte zijn blik over mij gaan. Omdat ik dat helemaal niet gewend ben, vermeed ik zijn ogen. ‘Heb je geen paraplu?’ Zijn belangstelling voor mij bleef onverminderd, terwijl zijn achterdocht erger leek te worden. ‘Je schuilt zeker voor de regen, hè? Onze deur staat voor je open, hoor. Doorgaans krijgen we eigenlijk maar weinig bezoek, als je eens wist hoe opgewonden ik was toen ik je op de deur hoorde kloppen. Ik ken je wel niet, tenminste, dat geloof ik, in ieder geval ben je niet van onze werkeenheid, maar zo leren we elkaar kennen. Voortaan weet ik me je te herinneren, of je nou elegante kleding draagt, of een zonnebril, zelfs als je een facelift hebt gehad of als je huid is afgestroopt, of – maar dat zou natuurlijk erg ongelukkig zijn – als je bent verbrand tot as en een skelet geworden. Je status maakt me niet uit, ik weet maar al te goed dat ik dan nog niets van je weet, ik kom zo vaak huichelaars tegen, mensen die zichzelf voorstellen geloof ik allang niet meer. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ik geen betrouwbare informatie kan zoeken om vast te stellen wie je eigenlijk bent, ik kan bijvoorbeeld mijn kennissen raadplegen, die allemaal vindingrijker zijn dan ik.’ Een gelige licht scheen op zijn zelfverzekerde gezicht, zijn vastberaden praatje maakte dat ik wel door de grond kon zakken. Na enig nadenken vroeg ik: ‘Jij woonde vroeger niet op 102, hoe is het met de vorige bewoner?’ ‘Promotie en verhuisd.’ ‘O,’ knikte ik en verzonk in gedachten. De jongeman stelde zich bedachtzaam op: ‘Hoezo? Ken je hem?’ ‘Niet echt, ik weet alleen dat hij hier vroeger altijd woonde.’ ‘Niet meer. Hij is enkele jaren geleden verhuisd.’ Hij vulde het theekopje dat hij me had gegeven bij met water en de toon die hij bezigde werd wat beleefder, ‘Ik deel dit appartement nu met twee studenten die het net toegewezen hebben gekregen. Ze liggen te slapen, wil je ze ontmoeten?’ Daar zag ik het nut niet van in en ik bromde een weinigzeggend ‘och’.

Omdat het geluid van de regen buiten er niet op wees dat het minder werd, leek het me beter geduldig op de bank te blijven zitten tot het zo weinig was dat ik op mijn gemak naar de halte van bus 34 kon lopen zonder doorweekt te raken. Even hadden mijn nieuwe buurman en ik niks te zeggen en zaten we in onszelf gekeerd, het leek ons moeilijk te vallen om wat vertrouwelijker te worden. Onder mijn voeten lagen nog altijd de goedkope, lichtgroene tegels die de man van middelbare leeftijd daar had gelegd, en zelfs de oude, donkerrode eettafel was door hem achtergelaten – hoewel ik zomaar een paar keer naar 102 was geweest, was die eettafel me goed bijgebleven. Ik durfde niet onbezonnen te werk te gaan, omdat ik me op dat moment in dat huis geconfronteerd zag met één zichtbare en twee onzichtbare jonge¬mannen en me zo voorstelde dat er een groot verschil lag tussen mijn en hun onderlinge kracht, maar ik giste dat zíj misschien wel zo onbehouwen ¬de deur van mijn huis hadden opengebroken en, terwijl ze zich vermaakten, mijn belangen hadden geschaad. Mijn lot mocht er dan voor mij misschien niet toe doen, maar ik moest aan vrouw en kind denken, zij zijn onschuldig. Van ’s ochtends tot nu was ik al bijna veertien uur uit hun wereld verdwenen en zij zaten on¬ge¬rust naar mijn terugkomst uit te kijken. Ik moest hoe dan ook snel naar hen terug¬keren. ‘Onze werkeenheid laat nogal te wensen over,’ dacht de jonge¬man hardop, ‘ze stoppen ons drieën bij elkaar in dit huis, terwijl ze appartement 103 hiernaast leeg laten staan. Sinds ik met dit werk ben begonnen, heb ik er geen mensen zien wonen. Wat onze bazen toch de hele dag uitspoken… We hebben er ooit weleens wat van gezegd maar het had geen zin, ze zeiden dat appartement 103 jaren geleden al was vergeven en vertelden me over die man, over de bewoner van 103, maar ik luisterde zonder iets te horen.’ Toen hij dat zei lichtte zijn ogen op en bestudeerde mij. Misschien kreeg hij een vage inval, iets ongrijpbaars in zijn duistere brein, waarvan hij voelde dat het bestond en dat het zich aan hem opdrong. Hij was er benauwd voor maar wilde het onwillekeurig toch ook ophelderen, zodat zijn gezicht duidelijk betrok.

Mijn beker neerzettend hief ik me op uit de bank en ging staan. Ik greep zijn verstrooidheid om appartement 102 uit te stormen, toren 19 uit, de ononderbroken regen in, die me doorweekte en in een levensgrote regendruppel veranderde, rollend over het lege terrein van het complex op nummer 53. Ik was uitgelaten als een kind, omdat ik me had bevrijd van de fatale reden (de regen) die mij ervan had weerhouden verder te gaan. Ik rende zo hard als ik kon, waarbij mijn leren schoenen, omdat ze volliepen met regen, met de hakken een persend geluid maakten; mijn schoenen piepten bij elke stap. Toen ik bijna bij de bushalte was, zag ik in het straatlicht een door de regen als splinternieuw schoon¬gespoelde bus 34 van voren over de weg naast mij langsrijden. Hij was leeg, er zaten slechts een paar mensen in. Ik stelde me voor dat ik één van hen zou zijn, dat ik nu lekker op bus 34 zou zitten. Ongeacht hoe hij schommelde of hobbelde, ik zou oneindig tevreden zijn, ik wilde wel al het geluk van mijn leven inruilen voor het geluk van dat ene moment. Maar in werkelijkheid moest ik naar dat rijtje huizen bij de halte van buslijn 34 rennen en op de volgende bus wachten. Die zou me naar het begin van de Nieuwstraat brengen en weer de nachtelijke regen ingooien. En ik zou verder moeten rennen door de regen, naar de schuilplaats van mijn gezin: de achterbuurt in Jianye.

Yang Lian, ‘Spooktaal’

Yang Lian (1955) begon in de jaren zeventig te publiceren in de ondergrondse scene van Peking en maakte in de jaren tachtig naam als een van de ‘duistere dichters’, ook wel ‘Misty Poets’ genoemd, waartoe ook Bei Dao en Duoduo werden gerekend. Na het bloedbad op het plein van de Hemelse Vrede in Peking in 1989 verkoos hij de ballingschap, en vestigde hij zich na enkele jaren in Londen. Sinds de jaren tachtig heeft Yang Lian een heel persoonlijke stem ontwikkeld in zijn poëzie. Hij is vooral bekend om zijn gedichtenreeksen en lange gedichten die een diepe kennis van de Chinese klassieke poëzie tonen. Behalve poëzie schrijft Yang Lian ook essays waarin wereldliteratuur, cultuur en politiek samenvloeien. Sinds 2008 is hij bestuurslid van PEN International. Zijn werk, dat vele poëziebundels omvat, is in vele talen vertaald. In het Nederlands verschenen een paar vertalingen van zijn werk in Het trage vuur, onder andere ‘Waar de zee stilhoudt’ (nr. 20, vertaling van Michel Hockx) uit 1998. Zie ook de Engelstalige vertalingen en informatie op zijn website.

Spooktaal

Sinds wanneer gebruik je het woord ‘thuis’ niet meer? Als je over dat oude, bouwvallige huis praat, zeg je altijd ‘daar’. Je hebt het ook niet meer over ‘teruggaan’ – ‘terug’, wat betekent dat? Je gaat alleen nog weg, steeds weer ga je weg, alsmaar verder. Elke ochtend als je wakker wordt ben je weer wat verder dan gisteren. De oppervlakte van de verre zee, schitterend in het zonlicht, dijt uit als gesmolten metaal of de peilloze diepte van een lichtbundel. Weldra zul je die keten grijsblauwe bergen op de andere oever niet meer kunnen zien.

Je wilt iets zeggen, maar niets is moeilijker dan dat. Probeer eens te vertellen hoe het is om van de eerste verdieping naar de tweede te lopen. Elke stap, elk moment. Je tenen dragen je, je neemt de eerste trap, vijftien treden, dan een bocht, de tweede trap, zeven treden. Zo, je hebt het gezegd, maar de woorden zijn stijf, als een samenvatting. Het is donker boven aan de trap, de leuning is verrot. Onder het kapotte tapijt zitten spijkers. En twee emmers, van plastic, staan midden op de vloer om de doorlekkende regen op te vangen. Het geeft niet dat de lamp stuk is, je kunt immers voelen. Je kunt voelen met je voetzolen, maar je kunt niet praten. Zodra je praat, zijn er woorden. Je kunt niet praten zonder woorden, en die zagen met een klein zaagje alle takken en bladeren af, zodat je een stuk hout wordt, glanzend wit als een bot. Elke dag als je de trap opgaat, denk je: dus dit is ballingschap. Elke tree moet je op je gevoel opgaan – mocht je misstappen, dan zou de hele wereld op z’n kop op jou neerstorten. Je zou over elke tree een heel canto kunnen schrijven, en van twee verdiepingen zou je dan een groots episch gedicht kunnen schrijven over de ballingschap van de mens, maar dat zou jíj nog niet zijn. Je kunt dat ongrijpbare gevoel niet onder woorden brengen, dus als iemand over de werkelijkheid begint te praten moet je altijd lachen.

Je zegt dat je vlucht, dat je vlucht in deze onbekende stad. Van het ene kruispunt naar het andere; wat hebben al die onbegrijpelijke straatnamen met jou te maken? Wat is het verschil tussen een boek van meer dan duizend pagina’s van begin tot eind lezen en een enkele pagina meer dan duizend maal omslaan? Een balling volgt eenvoudigweg een stippellijn van voetafdrukken, bij iedere stippel begint en stopt hij. Nog pijnlijker dan stil blijven staan is vastgenageld zijn. Het is niet erg glansrijk, je staat daar alleen maar omdat je geen kracht hebt om verder te gaan, je bent levend begraven in een dag die zich dagelijks herhaalt – zoals je poëzie, een leugen over waarheid. Vanaf een bepaald moment worden woorden bros als een oude verflaag, ze verbrokkelen en schilferen af. Als je stil bent, hoor je die angstaanjagende stem pas goed: weer een dag voorbij!

Leven, alleen om te leven, maar waarom? Die mooie zee en wolken hier persen je in een doorzichtige ronde fles. Het water golft wild om je hoofd en je voeten, ongrijpbaar kolkt het rond en spoelt het je hersens. Zo heb je geleerd naar de lucht te kijken, de hele ochtend te kijken naar alle verschillende figuren in de lucht. Het oude huis is heel hoog, zo hoog dat je niet droomt. Je wordt verdronken op de bodem van de zee, een gezonken boot, een vervallen geraamte dat naar de bodem zinkt waar de cyclus van transmigratie wordt verbroken. De dagen na de dood zijn ongetwijfeld zwaar, leeg, en al wat gezegd is, wordt begraven. Op de zee in de lucht vertrappen de grote voeten van de wolken je wreed, ze vermorzelen je, terwijl jij je verheugt op de dag dat jij je zo kunt wreken op de woorden.

Je gevoelens zijn veranderd. Ongemerkt zijn je gevoelens veranderd. Wanneer begon je ineens te verlangen naar al die oude dingen? Viel het stof in één nacht in je bloed neer? Als je het over je kindertijd hebt, lijkt het alsof je niet over jezelf praat maar over een andere persoon die zich in jouw lichaam verborgen houdt. In een etalage trekt zelfs een stuk wit-blauw namaakantiek je aandacht. Je staart ernaar. Wie staat daar vaag op afgebeeld? Een oud lucifersdoosje geeft je ineens een steek in je hart, enkele Chinese karakters en een handelsmerk in de vorm van een haast belachelijk symmetrische berg in de stijl van de keizerlijke tuin. Dertig jaar lang heb je ernaast gewoond, maar nooit voelde je je er mee verbonden. Hoe komt het dat je nu midden in de nacht wakker wordt en met gesloten ogen, alsof je droomt, het bergpad op en neer gaat? Dat je in dooitijd opnieuw dat paadje gaat opzoeken, dat gemeden wordt door bezoekers die van elders komen? Je denkt aan het beeld van de hoed die je hebt laten liggen op het bankje, je denkt dat hij daar tot vandaag is blijven liggen.

In het begin was je bang voor het vergeten. Bang dat je zou vergeten, bang dat je vergeten zou worden. Dus praatte je en schreef je elke ochtend. Je voerde aan je bureau een ritueel uit, met je stem zocht je je herinneringen om de steeds groter wordende leegte in je hart te vullen. Je zocht: een gezicht – veel gezichten, een zin – veel zinnen die ooit in je oren zijn blijven hangen. Heel lang volgde je de aderen van de wind, tot je plotseling stilhield en ontdekte dat de gezichten al lang geleden verdwenen waren, en dat hetgeen jij in je handen koesterde slechts een stuk hout was dat nog niet eens de benaming van masker verdiende. Vanaf het moment dat jullie uiteen zijn gegaan, zijn je herinneringen verstijfd, gestorven. Plotseling is er tussen de wenkbrauwen een spijker geslagen. Wat jij je herinnert is slechts dat dode gezicht met die onveranderlijke uitdrukking, altijd dat gezicht, schrikbarend jong. Je weet dat jij zélf die dagen hebt verlaten en naar de andere kant bent gegaan. De herinneringen hebben je vervormd. Hoewel je je vuisten stevig gebald houdt, begint het gezicht te smelten vanaf het moment dat je je moet ‘herinneren’, en langzaam druppelt het weg. Hoe harder je je best doet om gisteren te herinneren, hoe grondiger je vandaag verliest. Eigenlijk is het allemaal sterven: in vergetelheid sterven is hetzelfde als sterven in herinnering. Met wijdopen ogen en mond staar je naar deze wereld die dag na dag langs jou heen glijdt en onder de starende blikken verloren gaat, nu ben je echt bang, bang om te herinneren. De mensen die jij je herinnert of vergeten bent, herinneren zich of vergeten jou ook. Leven of dood, het zijn slechts twee termen die rondzwerven tot je op een goeie ochtend alles bent vergeten: Herinner jij je jou nog? Tussen jou en je schaduw, zo’n kleine afstand, zitten eenzame geesten samengepakt.

Dit is dus het oude huis waar je vorig jaar juli in bent getrokken, in de kamer aan de straatkant op de tweede verdieping, zelf schoongemaakt. Je hebt in ieder geval een huis. En je hebt nog wat buren. Op het dak wonen twee kleine beesten, het lijken wilde katten. De hele nacht rennen ze op en neer, net alsof er een kudde paarden boven je hoofd galoppeert. De oude dronkaard van hiernaast zit opgesloten achter zijn deur te zuchten. Als hij je soms tegen komt op de trap, vliegen zijn ogen langs je heen alsof er niets is; je kunt horen hoe zijn blik tegen de muur botst, breekt en aan diggelen valt op de vloer. Je woont hier al zo lang, maar je weet nog steeds zijn naam niet. Achter de dunne houten wand zit hij te vloeken in een buitenlandse taal. Jij vloekt ook, in een andere buitenlandse taal. Je vermoedt dat soldaten van verschillende landen die na hun dood op één hoop worden gestapeld zo met elkaar praten. Jouw buitenland begint daar bij die dunne houten wand. Met die andere planeet heb jij niets te maken. Twee krankzinnigen. Zolang ze onder twee stukken dak krankzinnig worden, is de wereld veilig.

Tegen wie praat je dan nog? Wat zeg je? De bloederige navelstreng is nu pas afgesneden, met een modderige aardewerken scherf die scherper is dan een mes. Nu weet je eindelijk wat ballingschap is. Een zaag. Iedere dag zaagt. De gekartelde tanden bijten eerst in je en kauwen je dan helemaal fijn. Uit je poriën groeit gras, de scherpe haarwortels prikken in je vlees; het jeukt en doet pijn. Je wilt lachen, je wilt de straat op gaan en lachen, lachen naar een vreemdeling die op je af komt lopen. Je giechelt en duikt weg in een schaduw. Nu weet je wat het is om uit je land te worden verdreven, uit de tijd te worden verdreven, om ongebonden te zijn, vrij! Een kalf dat van de melkemmer is verdreven en dat loeit van de honger – mooie vrijheid! Je wilt alleen tegen jezelf praten, een monoloog houden, maar terwijl een kalf elke dag hetzelfde woord kan herhalen, kun jij dat niet. Jij moet anderen vragen heimelijk te komen luisteren of zelf met de oren van een ander luisteren, zodat je jezelf niet kunt bedriegen. Jouw woorden? Zodra jij je mond opent, ben je al uitgepraat. De dij van het kalf is gebrandmerkt. Het sissende geluid van het vlammend rode brandijzer dat op de huid wordt gedrukt, is ook lachwekkend. Andere mensen praten over hoeveel pond vlees er uit dat kalf gaat, jij luistert, je luistert en wacht. Nu is het pas wat rustiger. Zodra het stil is, maak je een oog van gips; zie je in de witte, lege diepte niet een stukje duisternis, zoals in de duisternis altijd slechts een witte leegte is? Jouw taal stopt daar. De celdeur slaat met een klap dicht. De hakken van de laarzen van de bewakers gaan rond binnen de muren, maar jij bent buitengesloten, als water dat naast de fles is geschonken. Flikkerende vrijheid. Je weet wat het is een vis te zijn die net uit het water is gehaald: je bent aan het eind gekomen maar kunt niet sterven. Zelfs het gebulder van de bewakers zou je willen horen, of het slijpen van een mes. Maar je kunt helemaal niets horen, terwijl de afstand zo klein is. Jij bent helemaal buitengesloten van gisteren en gevallen in vandaag, in dit vacuüm.

Vijfendertig jaar, te oud. Het is te laat om je leven vanaf het begin over te doen. Je kunt alleen schrijven. Alsof je eieren legt, laat je de woorden een voor een zwart op het papier vallen. Het zijn net vliegen die tegen het glas botsen en waarvan je je steeds afvraagt of ze zo hun schedels breken en doodbloeden. Is de lucht zo verleidelijk dat ze zichzelf zo wreed voor de gek houden? En jij? Houd jij jezelf niet voor de gek? In de leegte volharden jij en je gedichten in jullie inteelt. Zonder zwangerschap heb je geboorte gegeven aan een hoop afzichtelijke dingen die dol zijn op smerig bloed. Op luid gelach volgt bitter gehuil. Wat geeft een idioot nou om herhalingen? Je hersens zijn uitgehold. Jullie staan in een rij tegen de muur, rechtop en strak vooruit kijkend. Jij schrijft leegte, en dus word jij de leegte in geschreven. Holle woorden schieten je in slowmotion dood, een dood zo langzaam dat het haast helemaal geen dood is. Het oude huis weet heel goed dat je de nederlaag moet toegeven. Uit de muren stroomt plotseling ook bloed. Nog voor je valt voel je de ruïnes in je lichaam al.

Stilte, het enige overgebleven onderwerp. Je zou stil moeten blijven om die speciale visachtige uitdrukking in je ogen, van gewenning aan zout water, te bewaren. Wie er in deze wereld in slaagt zonder pijn te leven is de overwinnaar. Jij houdt niet van verlamming. Je kiest de nederlaag. Je geeft uiting aan de leugens die overal begraven liggen in de stilte. Je vertelt ze aan de lucht. Je lippen zijn al dood, dus het zijn postume woorden, je bent opgetogen, niemand wil jou zijn dood horen aankondigen.

Jij hebt geen thuis. Waar is een thuis goed voor? De auto’s onder aan het gebouw maken de hele dag lawaai, ze gaan langs elkaar heen, net zoals de voetgangers op straat. Op tafel gaan de zon en een gedicht op dezelfde manier langs elkaar heen; elk vindt de ander onwerkelijk. Jij vindt het zelf ook erg vreemd: waarom blijf je de kamer herinrichten? Het lijkt wel een gedenkruimte. Wil je vandaag ontvouwen tot een gisteren dat de moeite waard is om naar terug te komen? Nu is het enige oude ding jijzelf, en er is niemand die aan jou denkt. Nu weet je dat je al bent begraven onder de gele aarde. Als je door die gele aarde kijkt, breekt alles tot het omgekeerde beeld. Waarheen teruggaan? Onder de gele aarde is het geen echt buitenland, maar het is ook niet je eigen land. Jij leeft gewoon op een plaats waar je vroeger niet was. Je bent nergens. Dit oude huis… je bent eraan gewend geraakt om zonder enige reden geluiden van hiernaast te horen. In een kamer zonder mensen klinken voetstappen hol. Wie weet wiens gedichten daar worden gelezen, allemaal spooktaal. Ze zeggen dat het hier spookt. Ja, zeg je, het spookt.

Verschenen in Het trage vuur 3, oktober 1997. Hier de Chinese tekst.