Dai Wangshu, gedichten

Dai Wangshu (1905-1950) wordt beschouwd als de belangrijkste vertegenwoordiger van het Chinese symbolisme. Hij studeerde klassieke Chinese letteren in Shanghai en raakte al snel geïnteresseerd in de ‘nieuwe literatuur’ die in die tijd opkwam onder invloed van westerse opvattingen. Hij kreeg met name belangstelling voor de Franse letteren, besloot Frans te leren en vertrok in 1932 naar Frankrijk, waar hij zo’n twee jaar verbleef. Zijn oeuvre omvat ruim honderd gedichten en een groot aantal vertalingen van de meest uiteenlopende westerse auteurs (via het Frans).

Gedachten van een reiziger

De rietpluimen bloeien in zijn geboortedorp:
de hakken van de reiziger zijn met modder besmeurd.
Modder op zijn hakken, modder op zijn hart,
wanneer zal een beminde hand ze schoonvegen?

Hij slaapt op rotsen, eet van sterren,
jarenlang reist hij rond over bergen en rivieren.
Alleen in het geluid van krekels in de stilte
proeft de reiziger zijn vaderland.

Lied van een reiziger

Wanneer er op zee een briesje opsteekt,
ontluiken turqoise rozen op het donkere water
– het thuis van de reiziger?

De bamboe poort is het huis van de spin,
De aarde muur is het huis van de lychee,
en de fruitboom met zijn vele takken en bladeren van de spreeuw.

Maar de reiziger heeft zelfs geen heimwee,
hij deint tussen de walvissen en zeeslangen:
laat de eenzame bloemen van thuis zelf bloeien, zelf vallen.

Maakt de reiziger zich zorgen over zijn eenzame thuis
omdat er turquoise rozen op zee zijn?
Hij heeft veel eleganter gezelschap dan rozen.

Het elegante gezelschap is een veel zoeter thuis,
de heimwee van de reiziger doolt daarin rond.
Ah, laat mij eeuwig deinen tussen walvissen en zeeslangen.

Gesloten tuin

In de tuin van mei
zijn de bloemen al talrijk, de bladeren overvloedig,
maar in de dichte schaduw is het stil, geen vogel roept.

Het paadje is al flink bemost
en het slot is verroest –
de eigenaar bevindt zich onder verre zonnen.

Onder verre zonnen,
zijn daar ook weelderige tuinen?

Een vreemdeling gluurt langs het hek naar binnen,
dagdromend van de eigenaar ver weg.

Ik denk

Ik denk, dus ik ben een vlinder…
Over tienduizend jaar zal de zachte roep van een bloem
door het wolkendek dat droomt noch waakt
mijn fonkelend bonte vleugels doen beven.

14-3-1937

Improvisatie bij de grafsteen van Xiao Hong

Een eenzame wandeling van zes uur
om rode camelia’s bij je hoofd te leggen.
Ik wacht, de nacht duurt eindeloos lang,
en jij ligt te luisteren naar het gebabbel van de golven.

Regenlaan

Met een oliepapieren paraplu, eenzaam
dwalend door een lange, lange
en verlaten regenlaan,
hoop ik op een ontmoeting
met een meisje als een sering,
een meisje vol melancholie.

Ze heeft
de kleur van een sering,
de geur van een sering,
de weemoed van een sering,
treurig in de regen,
treurig dwalend.

Ze dwaalt door de verlaten regenlaan,
met een oliepapieren paraplu,
net als ik,
net zoals ik
zwijgzaam slenterend,
lusteloos, somber en bedroefd.

Stil komt ze nader
en nader, werpt
een blik als een zucht;
als een droom
gaat ze voorbij,
als een droom zo triest, zo vaag.

Als in een droom gaat
dit meisje langs mij voorbij,
een meisje als een sering;
stil gaat ze verder en verder
tot aan het vervallen hek,
tot aan het eind van de regenlaan.

In het treurige lied van de regen
vervaagt haar kleur,
vervliegt haar geur,
vervluchtigd is zelfs
haar blik als een zucht
haar droefheid als van een sering.

Met een oliepapieren paraplu, eenzaam
dwalend door de lange, lange
en verlaten regenlaan,
hoop ik op een glimp
van een meisje als een sering,
een meisje vol melancholie.

Witte vlinder

Wat voor wijsheid geef je mij,
kleine witte vlinder,
als je je bladzijden opent,
als je je bladzijden sluit?

Geopende bladzijden:
eenzaamheid.
Gesloten bladzijden:
eenzaamheid.

Nachtvlinders

Rondom de lichtkrans van een kaars
dansen nachtvlinders meelijwekkend in cirkels.
Deze wezens, neergedaald uit het land der geuren, doen niet denken
aan reeds gestorven insecten, nog niet gestorven bladeren.

Men zegt dat het dierbaren in slaap zijn,
die over bergen en passen, wolken en bomen zijn gevlogen
om ons leed te komen verlichten;
of gestorvenen die ons koesteren
en gedwongen door het geheugen de eenzame nacht hebben verlaten

Maar ik realiseer me dat zij mijzelf zijn,
want met hun gekleurde fluwelen vleugels
bedekken ze mijn schaduw,
laten hem in de duisternis blijven
¬- een vluchtige gedachte, geen droom,
zoals die dag dat ik in een feniks veranderde.

Luo Fu, gedichten

Krab eten

op de tafel liggen stapels
uiteengereten krabbenschalen
een middag van chrysanten en wijn
een middag van pittige gembersliertjes
en een schoteltje zhenjiang-azijn
neerslachtig moet ik denken aan
monden
die er lustig op los spetteren
en
bruine klauwen die ooit zijwaarts
over mijn knokige tenen kropen

ik die eet met de scharen in mijn handen
ben niet per se ik met een zwak voor de herfst
de zomerdagen zijn al ten einde
de treurnis van de stad laat weinig meer over
dan het eten van krab aan een lange tafel
ik breng het glas naar mijn lippen
en tikkend tegen de krabbenschalen zing ik
en trek mijn wenkbrauwen op
en ben aangenaam opgewonden uit dank en ergernis
zelfs als ik een schurend geluid hoor
dat van achter komt aangevlogen

op dat moment moet ik ineens weer denken aan
die zijwaarts gerangschikte gedichten van mij
jullie zeggen dat het allemaal goede bedoelingen zijn
alleen is de taal afgestompt geraakt
en in de stank van krab bovendien
van smaak veranderd

11 oktober 1982

Peer schillen om middernacht

koud, en dorstig
staar ik stil
naar een Koreaanse peer
op een nachtelijk theetafeltje

echt een
peer
die ijskoud aanvoelt
een koperglanzend huidje
een mes doorklieft
zijn kern
blijkt ineens
een diepe, heel diepe put

trillend
pakken duim en wijsvinger losjes
een schijfje peer op

witte onschuld

het mes valt
ik buig me om het te zoeken
o! de vloer is bezaaid
met mijn koperkleurige huid

Het geluid van de regen de bergen in volgen, maar geen regen zien

Met een oliepapieren paraplu
zingend ‘in maart zijn de pruimen zuur’
midden tussen de bergen
ben ik het enige paar strooien sandalen

specht tik tik
echo ik ik
een boom draait omhoog in de pijn van het gepik

de bergen in
geen regen
de paraplu vliegt rond een groene steen
daar zit een man met zijn hoofd in zijn armen
hij kijkt hoe de sigarettenpeuk tot as wordt

de bergen af
nog steeds geen regen
drie bittere pijnbomen volgen de verkeerstekens
en rollen recht tot voor mijn voeten
ik pak ze op
het is een handvol vogelgetsjirp

Gouden drakentempel

De avondbel
is een paadje waarlangs toeristen de berg afdalen
getande varens
staan langs de witte stenen treden
kauwen het pad weg

als hier sneeuw zou vallen

maar ik zie slechts
een verschrikte grijze cicade
alle lantaarns op de berg
aansteken
één voor één

Een brief lezen om middernacht

Het licht van middernacht
is een beekje
dat nooit kleren heeft gedragen

jouw brief komt als een vis voorbij gezwommen
ik lees de warmte van het water
ik lees de roerende schubben op je voorhoofd
ik lees de rivier zoals ik een spiegel lees
ik lees in de spiegel jouw lach
zoals ik het schuim lees

De vrouw

Regen noch bloem
mist noch schilderij
sneeuw noch rook
licht noch maan
herfst noch zomer

soms een naamwoord soms een werkwoord
soms een huis soms een plein
soms een heldere hemel soms vallende regen
soms een diepe vijver soms een ondiepe poel
soms een proces soms een resultaat
soms een uitroep soms een vraagteken

noem haar water en ze is al verploegd tot veld
noem haar boom en ze is al verlegen tot meer
noem haar ster en ze is al verkristalliseerd tot zout
noem haar vis en ze is al verroosterd tot koekje
noem haar slang en ze is al vervlogen tot havik

Als je stil bent als een landmijn

Ik loop achter jou
achter je verzonken voetafdrukken
achter je doorweekte schaduw
achter je gedachten
loop ik

wat ik ook zeg of doe, onze liefde is slechts een oud shirt van dat ene jaar
distels en dorens bevestigen steeds weer schril fluitend
haar bloeddorstige karakter

een stap
een hartklopping
beangstigend om achter je te lopen
als je stil bent als een landmijn

Winterdagboek

Lente, de gehate wilg voor de trap ruiste al te zeer
ik kapte hem om, hakte hem in kleine stukken
gooide hem in de kachel

De bladerveger van hiernaast zei lelijke dingen achter mijn rug
vogels scholden me musicerend uit, pikten naar mijn raam
ook de dichter klaagde:
als die wilg er niet is
waar moet de maan dan hangen?

(Dit alles heb ik opgetekend in dagboek dertien)

Dit jaar kwam de winter vroeg, in de sneeuwstorm
gisternacht kwam er een aantal reizigers uit het zuiden
heimelijk stopte ik mijn dagboek in de kachel
laat hij die zich warmt aan het vuur zichzelf haten

Een vogel vliegt voorbij

Wierook spreidt de erhu van meneer Li
trekt onze laan tot
een lok lang vochtig haar

de deur van de binnenplaats staat open
een sliertje wierook volgt de muizenissenzinkt
naar de bodem van het kopje
op het theetafeltje
de as is slechts wit en koud
is slechts lente die gaat en herfst die komt

kun jij voor mij
de duizend verschillende slaaphoudingen in een rotanstoel
een naam geven?

de avondkrant ligt nog op het gezicht
in de slaperige ogen
vliegt
een vogel
voorbij

(juli 1970)

Yang Lian, ‘Tien maal zwart aan Arjen’

Al lang koesterden de Nederlandse dichter Arjen Duinker en de Chinese dichter Yang Lian de wens om samen gedichten te schrijven. In 2002 kreeg dat plan gestalte, mede door Het trage vuur. Duinker schreef een reeks ‘Tien paar ogen voor Lian’, waarop Yang Lian reageerde met deze tien gedichten.

Onderbreking van zwart

verwaarloosd geluk
verkent als wortels
strekt zich tast rond
gefluister vindt merkbaar geen oor
jij denkt dat ik over je heen vlieg
o nee ik dring langzaam binnen
in een elke dag opschuivende nacht in een buikholte
hoor je spreken van een lege grond

Trots van woorden

woorden beschouwen mensen als schaduwen
woorden maken levenden en doden gelijk
woorden voelen de wereld niet
in de lege schelp van een hand
ligt de schemering al lange tijd te rotten

Genua

plein hond bier gistende middagslaap
begint bij blauw de zee van zondag
is ook gesloten steen
splijt door iemands bulderende lach open
onder de pels van vertaling zijn wij bloot
en onschuldig zitten tegenover elkaar
zonder aandacht voor de verte tussen de wijnglazen
geen dichter die niet wreed is
daarom wordt de stad door het zeil gedragen op het lichaam

Mistige poëzie

praten over mistig, mistig is dood
ik herinner me dat enkele klanken vogels beschuldigen
enkele woorden schrapen over het strand
het leven weet dat alleen rillen in staat is om de tijd te schatten
een tank die een ploeg trek zit onder de modder
vermaalt steeds op de zelfde plek vlees en bloed
destijds waren we zo jong dat we nog niet begrepen
dat een in de mond gestoken lepel
juist vernedering opgraaft

Spoken verzamelde dichtregel

de dood die jullie in de pot hiernaast hebben gekookt is zeer smakelijk
gezichten beschenen door dodenakkers zijn namaakspoken
kou is een vergelijking kouwelijk een andere
wanneer spoken verweesder zijn dan alle bloemen
al het gras met menselijke gezichten heeft een winterse stroomrichting
met een houding die de dagen ontvlucht
één dag invluchten
spreken is schrijven schrijven is koken
en koken is leven

Exotisme van kleur

Citroen
een vredig gespreksonderwerp in een boomgaard
in de zomer over groen spreken
in de herfst over goud spreken
als een citroen

maar in de zomer zijn citroenen niet groen
in de herfst niet goud
ver van de woorden
spreken regendruppels over het leven

Ontmoeting
vogels lopen over een bladzijde wind
betreden het ritme dat ik niet begrijp

twee oren ontmoeten elkaar
in een onovertrefbare klank

verschrikt dromen vogels
dat de hemel kleding draagt

Afwezig
licht
tekent bamboe op zee
tekent waaier in lucht
tekent naam op steen

blauw is het al
zo blauw als wanneer ik afwezig ben

Zwart antwoordt
gladgestreken grond als een bouwstudie van het tijdvak
spoken zijn te ver spoken zijn nooit ver genoeg
huilend in je armen is een toekomstige schoonheid
de keuken eenmaal vergroten
de spiritistische seance heeft een vuurrode gloed van de openhaard
de fax gaat een dronken vriend
is zichzelf in een rollend handschrift aan het veranderen
keert dan schitterend terug naar huis om middernacht
hé! mooie dagen hebben vanzelf mooie-dagen-mystiek

Alleen over ogen
het licht op het lichaam van een levende is allang uitgestorven
leegtes worden zo overal uitgetekend
door paniekerig hulpgeroep van vogelzwermen in het centrum gedreven
lopen als afgesneden lucht
in het lichaam van de zee springen verandert de zee in een wond
dit vulpenblauw lijkt op het blauw van schulden
deze door vlees gedwongen ochtend levert
een betonlandschap
onthult de onmacht in je ogen

Luo Qing, gedichten

Luo Qing (Lo Ch’ing) werd geboren in 1948 in de provincie Hunan van het vasteland van China. In 1949 vluchtten zijn ouders met de Nationalisten naar Taiwan, waar Luo Qing opgroeide. Na zijn studie Engels aan de Furen Universiteit in Taipei en vergelijkende literatuurwetenschap aan de Universiteit van Washington (Seattle) doceerde hij jarenlang Engelse en Amerikaanse literatuur in Taipei.

Zijn eerste dichtbundel Manieren om watermeloen te eten publiceerde Luo Qing in 1972. Sindsdien heeft hij steeds meer naam gemaakt met zijn speelse, veelzijdige poëzie. De laatste jaren schrijft hij minder en is zich steeds meer gaan toeleggen op zijn kalligrafie en schilderkunst, waarmee hij internationaal exposeert. In 1996 was hij te gast bij Poetry International Rotterdam.

Zes manieren om watermeloen te eten

Vijfde manier: de bloedverwantschap van de watermeloen

Niemand zal een watermeloen voor een meteoriet aanzien
meloenen en hemellichamen hebben niets met elkaar van doen
Maar het valt niet te ontkennen dat de aarde een hemellichaam is
Daarom valt het moeilijk te ontkennen dat watermeloenen
met hemellichamen verwant zijn

Want de watermeloen en de aarde zijn niet alleen
met elkaar verbonden als ouders en kinderen, zij koesteren ook
gevoelens voor elkaar als broers en zusters – gevoelens
als
van de maan en de zon de zon en wij wij en de maan

Vierde manier: de geboorteplaats van de watermeloen

Wij wonen aan de buitenkant van de aarde blijkbaar
Blijkbaar wonen zij aan de binnenkant van de watermeloen
Wij rennen van hot naar her, onbeschaamd
Wij willen buiten wonen en licht verteren tot duisternis
om onszelf mee in te pakken, ons ijskoude, naar warmte verlangende zelf

Binnenin zitten zij onbeweeglijk in lotushouding,
geconcentreerd, de duisternis omvormend tot een tastbaar, sereen elan,
voortdurend op zoek naar zelfversterking, zelfontwikkeling
Maar uiteindelijk zullen wij onvermijdelijk de aarde ingedreven worden
en zij zullen vroeg of laat naar de buitenkant van de watermeloen breken

Derde manier: de filosofie van de watermeloen

De geschiedenis van de watermeloenenfilosofie
is korter dan die van de aarde, langer dan die van ons
Zij zien, horen en uiten geen ongepastheden
Watermeloenen regeren volgens de Tao en
leven afgezonderd van andere watermeloenen

Zij zijn niet jaloers op kiezelstenen, kijken niet neer op kippeëieren
Watermeloenen zijn levendbarend noch eierleggend en
begrijpen het principe van overleven in moeilijke tijden
Daarom zijn watermeloenen niet bang voor invasies en nog minder voor
de dood

Tweede manier: het territorium van de watermeloen

Als wij een watermeloen stukslaan
is dat puur uit jaloezie
Het stukslaan van een meloen is hetzelfde als het kapotslaan van een ronde nacht
hetzelfde als het neerslaan van alle hemel lichamen
het rot slaan van een heel universum

Maar het resultaat zal ons altijd nog
jaloerser maken, want zo zal
de band tussen meteoriet en meloenzaad, de vriendschap tussen meloenzaad en universum
nog duidelijker worden, scherper
en opnieuw binnendringen in ons territorium

Eerste manier: Eet eerst maar eens, daarna praten we wel verder

Een afscheidsbrief over afscheid

Liefste,
Ik pak een pen
om een brief aan je te schrijven
ik neem een vel papier
drie regels twee regels
en heb al geschreven tot
hier
Aangezien ik tot hier heb geschreven
en ook alleen heb geschreven tot
hier
stop ik nu
en wens je
het allerbeste

Oprecht schrijf ik dit
de nacht van 28 maart
in het 75ste jaar van de Republiek
de nacht van 27 maart
1986 volgens de westerse kalender
de nacht van 26 maart
4684 volgens de Chinese almanak

N.B.
Wat in deze brief staat
houdt absoluut
geen verband
met alles wat
niet in deze brief staat

P.S.
Mocht deze brief
toevallig
een historicus
een archeoloog
een criticus
een anthologist
of een gluurder
onder ogen komen
dan verzoek ik beleefd
er geen aandacht aan te besteden
alstublieft

Nogmaals naar de blauwe zee kijken na al zo vaak naar de blauwe zee te hebben gekeken

Op de vlakke gladde zee
lijkt helemaal niets te zijn

Op de zee waar helemaal niets lijkt te zijn
is toch echt helemaal niets

Juist omdat er nooit wat is geweest
weten we dat er gewoon helemaal niets is

Maar is er op de vlakke gladde zee
werkelijk helemaal niets?

Op de zee waar helemaal niets is
– natuurlijk is daar helemaal niets

Op de vlakke gladde zee
is inderdaad uiteraard volstrekt helemaal niets

Noot van de auteur: Cao Cao schreef in het twaalfde jaar van de regeringsperiode Jian’an (208 n.Chr.) de gedichtenreeks De zomerpoort uit lopen, het eerste gedicht hiervan, “Kijkend naar de blauwe zee”, luidt als volgt:

Oostwaarts kijk ik van Jieshi neer.
Ik zie de blauwe zee.
Hoe rustig is het water!
Een bergeiland rijst op,
bomen staan er in overvloed,
planten groeien er welig.
De herfstwind fluit en zingt,
de golven zwellen kolkend aan.
De baan van zon en maan
lijkt uit de diepte voort te komen,
de glinsterende melkweg
lijkt aan de oppervlakte te ontspringen.
Hoe groot is mijn geluk!
Dit lied getuigt ervan.

P.S.:
Dit is de eerste keer dat ik
met een Chinese tekstverwerker
een gedicht schrijf
De twee karakters voor “rijst op”
heb ik zelf samengesteld met het
karakterontwerpprogramma

Onzichtbaar

Ik sta hier naar jou te kijken, jij kijkt niet naar mij
ik sta daar naar jou te kijken, jij kijkt niet naar mij
geduldig sta ik in alle hoeken en gaten
naar jou te kijken – jij kijkt nooit naar mij

Alleen jij kunt mij zien, maar je kijkt niet
je kijkt niet naar mij, omdat niemand mij kan zien
niemand kan mij zien, omdat
jij niet naar mij kijkt

Jij kijkt niet naar mij, dus ik besta niet
ik besta niet! Dan moet je niet denken dat jij bestaat
en als jij en ik niet bestaan, nou, dan kan niemand
bestaan

Maar, maar stel dat alles van alles
het gevaar van niet bestaan nadert
wil je dan nog altijd niet naar me kijken
niet naar mij kijken

Dan moet ik wel braaf hier staan, daar staan
staan in het binnenste van alles, en naar jou kijken
dan moet ik jou wel zien als alles, alles zien als jou
dan moet ik jou en alles wel zien als
mijzelf

De theeglasstellingen

Stelling 1
Stel: op een rond theetafeltje staan
theeglazen
stel: één glas is heet
één glas koud

Dan zijn er in de ronde kamer zeker
individuen
één is nog jong
een ander oud

Voor de bovengenoemde stelling
hoeft wie dan ook op de ronde aarde
slechts één glas thee in te schenken,
rustig, en hij kan het zeker bewijzen

Stelling 2
Stel dat een theeglas geen waterput is
dan hebben doorzichtige glazen
en ondoorzichtige putten
niet alleen dezelfde hoogte, maar ook dezelfde bodem

Of de bodem de aarde is of een handpalm
of de hoogte zeven voet lang is of achttien lagen diep
een glas wordt altijd door iemand vastgehouden, stevig
zoals de aardbol altijd de waterput vasthoudt

Van glazen zijn er, omdat de mensen die ze vasthouden verschillen,
miljoenen verschillende soorten
van de aarde die putten vasthoudt is er, omdat putten verschillen,
echter altijd maar één, één soort

Een man naast een put, met een glas in zijn hand
denkt hieraan, drinkt het water op
en laat het glas in zijn hand naar de put teruggaan
laat zijn eigen lichaam naar huis teruggaan

Stelling 3
Stel dat je een glas in je hand hebt
dan moet je het goed vasthouden
als je niet voorzichtig bent en het glas breekt
dan breek je –

een glas melk, een glas warme liefde
een glas cola, een glas bruisende prik
een glas citroen, een glas zure, trieste gedachten
een glas drank, een glas niet te herinneren, voorbije tijd

Een glas, gebroken in je hand, is scherp en snijdt
bitter geluk, gebroken in je hart, is puntig en snijdt
spijt het wat snijdt, of snijdt het wat spijt?
snijdt het wat spijtend snijdt, of spijt het wat spijtend spijt?

Het spijtige is dat alle liefde alle prik
alle gedachten, voorbije tijd
alles zal veranderen in minuscule, harde, doorzichtige wrevel
veranderen in bezinksel op de bodem van een glas

Een glas bezinksel breken
dat is gelijk aan = jezelf breken
want een glas breekt gemakkelijk
net zoals hij die het glas
breekt

Sleutelstrand

Iemand is op het schelpenstrand
een bos sleutels verloren
iedereen zoekt verspreid overal aandachtig
zoekt een hele poos, maar ziet slechts
een lijn sneeuwwitte golven
glinsterende schelpen aaneenrijgen

Schelpen, schelpen
schelpen zijn de verloren sleutels van de zee
pak er zomaar een op
dan kun je de geheimen openen
van miljoenen jaren
verborgen op de bodem van de diepe zee

Gouden Kust

De zon op het blauwe water
weeft een gouden net
en wil dat het de jagende wolken tegenhoudt
die nog niet tot water zijn getransformeerd

Ik op het groene papier
weef een net van verbeelding
en wil dat het een lichtstraal tegenhoudt
die nog niet het hemelruim in is gezonden

Sneeuwnachtelijke weg-wijzer

Ik ben een huisje met rode dakpannen
in de koude koude winternacht
verklaar ik
aan alle beijzelde wegen de
vuurrode warmte

Witte vlinder zeemeeuw bus en ik

Alleen omdat ik rennend voor de bus plots een wit vlindertje zie,
uitdagend rondvliegend, alleen, tegenover de grote vlakte
van deinende daken, stop ik — schrik al rondkijkend plotseling op

en ben ineens vergeten wat zeeën zijn

Maar ik moet nog altijd de bus halen, en aan zeeën moest ik zomaar
denken, natuurlijk, soms als ik afwezig uit het busraam staar naar
de deinende gebouwen, denk ik opeens ook aan een thuisloze zeemeeuw
tegenover de deinende zeeën van de hele wereld

De hand met de bezem

De hand
De man met een bezem in zijn hand staat in de verte
zijn rug – naar ons toe
het is moeilijk te zeggen of hij kwaad is, of verdrietig
het is moeilijk te zeggen wat de afstand tussen ons is
rustig bedekt hij ons met zijn schaduw
het is moeilijk te raden wat hij ziet of denkt
nog moeilijker hoe zijn hand de bezem vasthoudt
in de hemel is helemaal niets op aarde is ook helemaal niets
– hemel en aarde zijn zonder einde –
de man met de bezem in zijn hand staat eenzaam
zijn rug naar hemel en aarde

Met
Als hij verdrietig is
houdt hij tegen zijn borst een gitaar
als hij kwaad is
omklemmen zijn handen een scherpe spade
als hij kijkt naar de verte, leeg en wit als papier
houdt hij in zijn handen een versleten bamboepenseel
als hij alleen maar aan het denken is…
heeft hij in zijn handen nog slechts een simpele
bezem, als een pendule zo
zo simpel
sim pel

De bezem
De hemel kent geen grenzen de aarde kent geen grenzen
toch staat de man met de bezem in zijn hand
aan het eind van hemel en aarde
hij schildert hemel en aarde, maakt ze één
verandert zijn achtergrond. Daarna
zijn rug naar alles
zijn gezicht naar ons
wij die in paniek zijn
zonder angst, zonder verdriet
zonder iets te zien, zonder iets te denken ook
steekt hij hem uit, slingerend, die lange lange lange lange
die bezem in zijn hand
be zem

Mens

Bergen rivieren zon maan
al honderden miljoenen jaren
doen jullie je uiterste best om
met aardbevingen overstromingen droogten getijden
aan de mensen te bewijzen dat jullie eeuwigdurend zijn
maar na al die honderden miljoenen jaren
kunnen jullie mij nog altijd niet overtuigen
jullie zijn slechts een onbeduidende illusie

De Annalen van de waterbuffel

Ik was een brok ongevormde zwarte aardkluit
door een onbekende metselaar
achtergelaten op een groene geborduurde
wollen deken
door een gevoelloos ego
vergeten in een mistige, vaste
slaap
een lenteregen vulde plots de hemel, viel neer
en spoelde centimeter voor centimeter de modder van mijn lijf
ontdooide beetje voor beetje mijn ijskoude hart
onder het gehamer van de lentedonder en het gebeitel van de bliksem
schrok ik plotseling wakker
en met mijn horens fier rechtop
rees ik snel op van de grond

Onmiddellijk nam ik met mijn oost en west wijzende horens
de zon en maan boven mijn hoofd
links en rechts op mijn juk
ik droeg de twee schommelende lichtbollen in het rond
en dankbaar verkondigde ik plechtig
aan de tienduizend dingen
de geboorte van de eerste waterbuffel op de wereld

Noot van de dichter: met zijn Optekeningen van de hofhistoriograaf creëerde Sima Qian (ca. 145–90 v.Chr.) het genre van de keizerlijke annalen. Omdat de waterbuffel een dienaar van de boeren en een geluksbrenger voor het volk is, en omdat hij welwillend is als de hemel en de houding heeft van de oude wijzen, behoort hij zijn eigen Annalen te hebben.

Waterrijstlied

’s Ochtends bij het ontwaken zijn onze gezichten vol dauw
elke parel kristalhelder, elke druppel koel en verfrissend

we kijken om naar de kolen die hiernaast wonen
dik en rond, knus bij elkaar, een familie in zoete dromen

het water van het verre beekje: herdersjongens die net naar buiten stromen
ze duwen, trekken en springen luidruchtig, jagen op visjes en wekken zo de houten voetbrug

opgewonden staan wij vervolgens van voor tot achter in de houding
en gehoorzamen de oude zon die net naar zijn platform op de bergtop is geklommen

schommelend, de tenen in rijen naast elkaar
helder groen heffen we onze armen

we verwelkomen het zachte briesje
verwelkomen de eerste roep van een vogel

en vormen rijen voor de gymnastiek
ver— spreid

duizend li
ver

Dieven vangen

Na het douchen van de dagelijkse douche
en het wassen van de dagelijkse onderbroekenwas
schikt de dichter de schoongewassen broeken
in de koele sterrenhemel
legt zijn gewassen zelf
in het schone bed
bereidt zich voor op de slaap
de versleten boeken staan er gedienstig naast, energiek rechtop, onvermoeid
achter het boekenrek en voor de keuken lopen heimelijk muggen en muizen
maar afgezien daarvan is de atmosfeer heel gunstig voor de tienduizend dingen
de tienduizend dingen zijn rustig, ze houden elkaar in het oog
terwijl de dichter net slaapt
om middernacht

Dan waait plots de wind, de deur beweegt, het raam kleppert
kleppert alsof er degens kletteren
de meubels schrikken wakker, de schaduwen vliegen uiteen
uiteen tot een angstaanjagende geest
in het halfdonker lijkt er een dief naar binnen te glippen
de dichter vliegt met een ruk overeind, schreeuwt, pakt een pen en gooit
maar als hij de pen als een pijl ziet vliegen — een rinkelend geluid, een klap
de dichter springt naar voren, steekt zijn hand uit en grijpt
hard, koud, perfect rond: de wekker
in een mum van tijd zijn de tienduizend dingen weer rustig als altijd
maar ze horen het getik, dat de dakpannen doet trillen en het universum vult
terwijl de hand van de dichter de wekker vasthoudt
diep in de nacht

Na dit voorval —
de dichter inspecteert de deuren en de ramen, ziet niets
onderzoekt nauwkeurig de kasten, mist niets
hij kijkt nog wat rond, beseft dan ineens
dat hij enkele plukken haar kwijt is, stapels verwarde dromen
tientallen pagina’s idealen, en aan tijd tientallen jaren
de muizen, muggen en vliegen lopen heimelijk als vanouds
de aarde draait als altijd zonder te vragen naar goed en kwaad, zwart en wit
de boeken staan alsof er niets gebeurd is als vanouds rustig aan de kant
de sterren die dit alles uit de hoogte overzien schijnen met plezier in de donkere nacht
terwijl de dief de dichter besteelt
terwijl de dichter de dief grijpt
terwijl schemering en dageraad elkaar najagen

Ster, ster, sterren

— zwellen aan

De dauw die gisternacht
ongemerkt is verdwenen

is vannacht hei-me-lijk
weer teruggekomen

teruggekomen
teruggekomen

is hei-me-lijk weer, naar mij terug
ongemerkt op mijn gezicht gekomen

De ladder

De ladder staat
in een koud hoekje
onder de fruitboom
zomaar schuin
schuin geleund

Alle ladders
zijn zo
zowel voor gebruik
als erna

Verheffing

Elk blad wil
zijn schaduw van komend jaar
opeisen en omarmen
en
dwarrelt
omlaag

Gevonden bij de vijver

Vanaf de bodem van de groene groene vijver
komen gevleugelde woorden als koraalvissen
hei-me-lijk
te voorschijn drijven

draaien plotseling om

en zinken dan stil weg
in de bodem van mijn verborgen gedachten

Om eerlijk te zijn

Verborgen voor vader en moeder
kan het niet worden verborgen voor de rijstkom en de eetstokjes
verborgen voor de rijstkom en de eetstokjes
kan het niet worden verborgen voor de kledinggordel
de kledinggordel gordelt kleding
vliegend dansend in de wind
in de vlucht een dansend woord
te voorschijn dansend vanuit mijn gedachten
blauw als de lucht, groen als de lente, rood als
een blos, dat woord

De afgelegen veerplaats is verlaten en de boot dobbert alleen

–tweede voorbeeld van videopoëtica

De afgelegen veerplaats
de zilveren rivier stroomt
glinsterend door de ruimte

(de camera zoomt in)

wat glinstert zijn talloze
grote en kleine ruimteschepen

Is verlaten
tussen de ruimteschepen onderling
gaan allerlei elektronische berichten heen en weer
verzonden vanaf
allerlei verschillende modellen
computers (close-up) “ark 1 controlecentrum”
robotten (close-up) “ark 2 kapiteinskamer”
close up van alle zoogdierprimaten die in een ijskast van -1
000 graden rustig slapen (fade-out)
de “droomloze-slaaptester” is geïnstalleerd
rechts van de metalen vriesceldeur het projectiescherm toont
de gebruiksaanwijzing voor “ontwaken na duizend lichtjaren”
op de “testuitslagen” links van de metalen deur een leegte

En de boot dobbert alleen
op de bolvormige beeldbuis van het geheugen
flitsen bolvormige sterren
(de camera zoomt in)
een blauwe planeet
(zoomt verder in)
een blauwe bergketen
(zoomt nog verder in)
de Heilige Moedertop van de Himalya

in de omarming van de Heilige Moedertop
ligt een
primitief rechthoekig houten bootje
half verborgen in de sneeuw
het zichtbare deel
zit vol met hard ijs
het lijkt een zwarte spiegel
(de camera blijft inzoomen)
de spiegel
weerkaatst
vaag
de lange smalle staart van
de zilveren rivier
(flits flits)
(klik klik)
(klik flits)
(flits klik)

De mier

Vanuit de mensenzee
komt een mier naar je toe gekropen
Je weet niet of je er blij mee moet zijn of niet
Is het een vijand? Of een vriend?

De mier kruipt over je schoenen
en je ontdekt dat wat je draagt
eigenlijk een paar oorlogsschepen is
– goed gecamoufleerd, als een fort

De mier kruipt over je knieën
en je ontdekt dat je marmergladde lichaam
eigenlijk vol gevaren zit
– je schouders zijn kliffen, je borst een afgrond

De mier kruipt in je nek
en je ontdekt dat hij een hutje heeft ontdekt
een primitief hutje
met een deur, ramen en een schoorsteen

De mier kruipt je mond in
je neusgaten uit, kruipt over je oog
en je ontdekt voor het eerst dat een mier eigenlijk zo
groot is, groot, reusachtig groot

Uiteindelijk kruipt de mier je hersenen binnen
gaat je dromen in en uit…
breit je onvoltooide fantasieën voort
en je ontdekt dat er niets meer te ontdekken valt

Metamorfose

In zijn kooi slaat een kraai met zijn vleugels
krast, wipt heen en weer en kijkt naar mij
met een vreemde blik in zijn vreemde ogen
als van een mens die plotseling is veranderd
in een kraai – zijn bek open van ontzettting
alsof hij wil bewijzen
dat hij een kraai is die kan praten en denken
en die recht in mijn hart kan kijken

Even later zit ik in mijn piepkleine kamertje
te kijken naar de lucht buiten
opgewonden wil ik vliegen en begin ook te springen
als een kraai die plotseling is veranderd
in een mens – mijn armen open van uitgelatenheid
alsof ik wil bewijzen
dat ik een mens ben die kan vliegen en zweven
en die alle tienduizend dingen vrij in en uit kan gaan

Rookgordijn van liefde

Iedereen zegt dat je een eiland bent
maar ik denk nog altijd dat je een boot bent
nog altijd hou ik ervan om op jouw niet erg wijde vlakte
te dromen van een smal dek

Jij bent een boot
maar lig je schommelend verankerd in wind en regen
verankerd voor honderden jaren!
Jij bent nooit ver weggezeild

want/omdat je hebt geen keus dan je lichaam
bloot te stellen aan de zwaarden en laarzen van vreemdelingen
je broze levenservaringen te verhuren aan bloed aan tranen
te verhuren aan de allertreurigste verhalen

Jij bent een boot, een boot
maar je ligt vast verankerd op zee ver uit de kust
verankerd voor duizenden jaren
Jij kunt niet ver weg zeilen

want je torst altijd
overvloedige, overzware heimwee
Heimwee diep verborgen als erts
hard gevaarlijk en brandbaar

Goed, laat je dan een eiland zijn!
Moe van mijn wantrouwen moe van mijn zwerven
moe van mijn eenzaamheid
hoop ik toch zo

dat jij een manier kunt vinden
om aan/voor de kust te gaan liggen
Dat zou wel een hele losse/lichte
ligging zijn

Kun je de zonlichtlamp / TL-lampen even aandoen?

Ik loop het lokaal binnen,
de studenten zijn er nog niet,
ik kijk naar buiten, nog steeds
bewolkt met af en toe een opklaring en een bui

Sommige ramen zijn open, anderen niet
afhankelijk van het stof op de ruiten
– veel of weinig – is het uitzicht
helder of vaag

Onwillekeurig/achteloos haal ik
wat wc-papier/tissues tevoorschijn, loop erheen
en begin de ramen schoon te vegen
dan ontdek ik pas dat

sommige ruiten hebben, anderen niet
sommige doorschijnend zijn, andere halfdoorschijnend
tja, zo zijn klaslokalen nu eenmaal (altijd?)
ik veeg even 40, 50 ruiten min of meer schoon

4.08 uur
achter me hoor studenten binnenkomen
ik kijk om naar degene die in de hoek bij de deur zit
vraag kalm: kun je de zonlicht-lamp/TL-lamp even aandoen?

Knotvers

Elke boom
is een groeiend knotvers
De mussen, springend tussen de wirwar van takken
zijn onophoudelijk bewegende leestekens

RECULER POUR MIEUX SAUTER

Ik hou zo veel van haar
Niemand weet…
Hoe zouden ze kunnen weten

Dat ik haar wel moest doden
Om mijn pure, absolute liefde te bewaren

Ik hield een uitvaart voor haar, met gebeden, een diner
Maar ik begroef haar niet
Als vanouds liet ik haar in de menigte lopen
Nadat ze zich zorgvuldig had opgemaakt
Volgens de laatste mode gekleed, ontspannen lachend
als vanouds liefhebben, liefde bedrijven, de liefde verklaren
Alle eerbare oneerbare dingen doen

Niemand gelooft dat ik, die lachend naast haar staat,
Haar moordenaar ben, zelfs zij niet

Want zij heeft mij zo grondig gedood
Zij en ik weten niet
Willen niet weten

BRENG MIJ NAAR HUIS TERUG

Het toneelspel is afgelopen
Breng mij alsjeblieft naar huis terug
Ik ben zo eenzaam
Ik zie dat de toeschouwers een voor een vertrokken zijn
een grote stapel controlestrookjes in mijn hand achterlatend
Als je me welgezind bent
ga dan alsjeblieft
niet weg

Het toneelspel is afgelopen
Breng mij alsjeblieft naar huis terug
Ik ben zo moe
Ben vergeten of ik zonet op het toneel was of eronder
Ben vergeten vanwaar het boegeroep en geklap opklonk
Als je nog helemaal geen slaap hebt
vertel mij dan alsjeblieft
de waarheid

Het toneelspel is afgelopen
Breng mij alsjeblieft naar huis terug
Ik ben zo ongerust
Ongerust dat er thuis heel veel familie en vrienden zullen zijn
Die me opwachten met een verjaardagstaart om het succes te vieren
Als je daartoe bereid bent
laten we er dan alsjeblieft samen
naartoe gaan

Het toneelspel is afgelopen
Breng mij alsjeblieft naar huis terug
Ik ben zo bang
Bang dat de taart allang verdeeld is en het feest afgelopen
Bang dat mijn familie en vrienden al weg zijn en niet meer terugkomen
Als je er het fijne van wilt weten
ga dan alsjeblieft met me mee
terug

Het toneelspel is afgelopen
Breng mij alsjeblieft naar huis terug
Ik weet denk ik wel hoe het thuis is
Vergeef mij alsjeblieft dat ik daarnet zomaar wat heb verzonnen
Zo’n tien ikken verzonnen, voor jou
Als je het wilt begrijpen
vertrouw dan alsjeblieft samen met mij in dat
moeilijk te vertrouwen vertrouwen

Het toneelspel is afgelopen
Breng mij alsjeblieft naar huis terug
Niet meer dan een paar uur van huis
lijkt ineens langer dan een leven
Een leven verworden tot een uiteengespatte druppel
kan de bron van het begin niet meer vinden
Als jij niet bent vergeten hoe we terug moeten
wijs mij dan alsjeblieft de weg naar huis terug

Maar het toneelspel is afgelopen
Breng mij alsjeblieft naar huis terug
Ik ben zo onbillijk, onwillig
Als ik terug ben gegaan wil ik nog altijd opnieuw terugkomen
Terugkomen om te zien of ik nou eigenlijk
op het toneel was of eronder
Als je voldoende geduld hebt
wees dan alsjeblieft mijn eeuwige getuige

Want ik weet niet
of het toneelspel echt afgelopen zal zijn
of jij mij echt naar huis terug zult brengen
Breng mij naar huis, breng mij naar huis terug
Breng mij echt naar dat huis
waar iedereen zonder enig overleg terug naartoe gaat
om hard na te denken, te denken hoe
hij opnieuw terug kan komen

BITTERE THEE

“Bitter lijden komt door bittere thee”
Shen Jianshi

ik zoek je overal, maar kan je niet vinden
misschien heeft de zware sneeuw je sporen bedekt

de eerste keer dat ik je zag
zei je: ga zitten, ga zitten
toen ik naar je opkeek
zei je: neem toch wat thee
toen ik je nakeek
zei je: ik ben zo terug

zacht strijk ik over de versleten stenen tafel
ik kijk hoe de slappe thee sterk wordt, scherp, bitter
de gedroogde bloesems geuren, ontvouwen en bloeien
als de sneeuwbloesems op de zware weg waarlangs ik kwam
en jij ging, ik hou de hete thee goed vast en laat hem
langzaam mijn hele lichaam verwarmen

rondom wordt het donker en koud, je blijft almaar langer weg
in eenzaamheid doop ik mijn plompe hand in de lauwe thee
en schrijf een transparant ‘liefde’op de koude stenen tafel
zwijgend zie ik hoe deze bitterzuivere ‘liefde’
gelijkmatig verdampt door mijn hete vinger
en oplost in de donkere, koude lucht rondom

daarna schrijf ik het nog een keer
en nog een keer
de schrijfwijze van elke ‘liefde’ is anders
zo ook de verdamping
maar er blijft volop thee
en ik zie jou niet terug

misschien ben je al lang geleden teruggekomen
misschien ben je helemaal niet weggegaan
misschien ben je hier naast mij
en besefte ik niet, bedacht ik niet
besefte, bedacht ik al die tijd niet dat jij
misschien al die tijd in mijn hand was:

een kop lauwe thee
brengt mij in de donkere kou aan de kook