Zhu Zhu, gedichten

Van een wingerd tot een wasserette, van de Chinese Muur tot Florence en New Jersey, van Mandelstam tot Nalan Xingde, geen onderwerp lijkt de Chinese dichter Zhu Zhu (1969) vreemd. Maar een gedicht gaat zelden echt over datgene dat het noemt, zo verbeeldt de wilde wingerd die door hem beschreven in termen van een aanvallende tijger (het Chinese woord voor wingerd is ‘over muren kuipende tijger) in feite een bezitterige geliefde.

Door zijn onderwerpen goed te kiezen en ze vaak rond één beeld te concentreren, dat hij in alle facetten belicht, weet de dichter, die tevens afgestudeerd politicoloog en jurist, schrijver van essays, kunstcriticus en curator van hedendaagse kunst is, een gedetailleerde en visuele stijl te creëren. Elke regel is een uitbreiding van het beeld dat een wingerd kan oproepen. Een lichte speelsheid en ironie zijn hem bij deze manier van werken niet vreemd, zoals in het gedicht ‘New Jersey op de maan’, waarin een naar Amerika verhuisde Chinese dame in de leegheid van haar bestaan wordt vergeleken met een speelgoedtreintje dat over haar loopband loopt – een mooi portret dat getuigt van spijt én acceptatie.

In het verraad van idealen dat in dat gedicht aan de orde komt, zien we dat achter de gedichten een betrokken persoon schuilt. Zhu Zhu lijkt een dichter die nadenkt over individuele ontwikkelingen, maar ook over bredere maatschappelijke problemen zoals de vluchtelingenproblematiek en het terrorisme (in ‘Lekker weer’), of het meten met twee maten door westerlingen als het over levende Chinese schrijvers gaat (in ‘Florence’). Een meer persoonlijke, lyrische blik komt dan weer naar voren in een gedicht als ‘De zee in mij’, over het dichterlijke proces van de dichter zelf. Al met al geeft het werk van Zhu Zhu een heel originele, toegankelijke en menselijke indruk.

WINGERD

Wild is ze, haar zachte handpalmen

zijn omgevormd tot tijgerklauwen en zuignappen,

vanaf de allereerste sprong bedekt ze,

overlapt, verzwelgt de hele muur, hecht

het hele huis, tempert al het licht;

nooit deinst ze terug, zelfs als ze in de leegte stapt

verandert ze in een spiraalvormig schild; zelfs als

de winter is ingevallen, haar bladeren verwelkt zijn, blijft

nog altijd de rits gaatjes achter van de weggetrokken draad

waarmee zij zichzelf had ingelegd; ze wijkt geen duimbreed,

geniet van verbrijzelen, doet zodra de lente komt

aan zelf-verwenning door uitdijing, als

in een maquette plaatst ze haar vlaggetjes dicht op elkaar,

wil als aanstormende golven de steen kapotslaan;

ze is wanhopig, niet in staat het huis binnen te dringen,

maar tenminste beschut ze alles buiten.

Jaar na jaar. Zij heeft echt lief.

Noot van de vertaler:

De wilde wingerd heet in het Chinees letterlijk: Over muren kruipende tijger.


AAN HET NOORDEN

Ik droom van een wasserette een straat bij mij vandaan,

een hele groep wasmachines gromt bij vlagen.

Door een aquascopisch rond glazen gat

is te zien hoe vervuilde kleren worden gemarteld,

ze worden de maalstroom van de trommelbuik ingezogen,

opgeslokt, omwikkeld, rollen heen en weer in de vloed,

schommelen daarna slap als algen, lange vezels drijvend

in opborrelend helder water, langzaamaan transparant;

een eigenaardige warmte bakt vanbinnen,

tot de kleren geplooid zijn als een baby, opgerold in de droom.

Daar sta ik dan nadat ik mijn stoffige jasje heb uitgedaan

naakt, word in een andere reiniging gegooid,

zoenend en vrijend, als een bos stekels

vol realiteit en met netelroos,

bonzend te midden van de vlammen; wij verbruiken

lucht, en lucht alleen is voldoende.

Iedere keer ben jij de vlammen die mij wassen,

en ik dat legendarische shirt dat met vuur wordt gewassen.


LEKKER WEER

Wat een heerlijk weer,

jubelgroen welt op tussen gespreide takken,

in de lucht ontstaan blauwe linten en witte wolken;

straatvegers vegen de straten, en

de vogelveren tussen de hulst zijn kleuriger dan postzegels.

Alles is zoals het moet zijn,

helder, oogverblindend, fonkelend in glanzende waardigheid,

zelfs de vlekken op de zijkant van het gebouw,

zelfs de vliegen die boven rond de vuilnisbakken zwermen . . .

alsof alles uit penseelstreken van de eeuwigheid komt. Wat een

heerlijk weer, net als op die ochtend dat de kleine

Oost-Europese landen uit het totalitarisme ontwaakten,

de lange nacht was voorbij, er was geen avondklok meer,

geen ontvluchting, geen onderdrukking . . .

Dagen als een wieg, als een schommel, in de dichte schaduw

van de plattelandstuin ontstond een zoet geroep; ver weg

wilden vluchtelingen terug naar huis, zoals op weg naar een afspraakje

een lied in je keel gaat jeuken. Maar hij was toch somber als

Manea, aarzelde tussen wel of niet terugkeren, voorvoelend

dat er angstaanjagendere dingen dan vroeger in het verschiet lagen…

Ja, er zal nog slecht weer komen, er zullen nog

langdurige crisissen zijn, langdurige vernielingen; lijden

willen weinigen erven, in rijkdom transformeren.

Het kwaad is slinkser dan ooit, onzichtbare oorlogen zijn net begonnen,

afgebrande vlaggen wapperen nog in het denken, maar in actie

hebben de overwinnaars zelf nergens weet van . . .

En wij, wij staan nog steeds in een verre rij van ijzeren jetlaghekken,

als een slak die zijn zware schelp draagt en zijn mastachtige antennes ophoudt,

niets meer dan lekker weer-toeristen zijn we, wier antennes

af en toe uit het gat van de atmosfeer steken.

FLORENCE

Een dag in haast. De route vertraagd

door te verdwalen. We bestuderen de stadskaart en vergeten

dat we staan te midden van sombere fascinerende

straten en gebouwen, dat we onwetend kunnen zwerven

door de zo plotseling herwonnen anonimiteit.

Misschien is dat ook waar Florence zelf naar verlangt,

anders zou ze niet zo veel sluitingsdagen instellen,

toeristen op trappen en pleinen laten staan;

met indrukwekkende marmeren muren beschut ze

een plechtige stilte, scheidt leegte af in gesloten kerken.

Iedere plaats kan ik aan een menselijk beeld koppelen,

Florence doet mij denken aan een oude dame,

vanachter zware, donkerpaarse gordijnen kijkt ze

naar buiten, een spottend lachje speelt om haar mond, in

haar kamer hangt een kleine Botticelli uit haar privéverzameling.

Dit soort snoeverij stemt me zwaar te moede: buitenlanders

prijzen onze klassieke kunst maar houden vol

dat Chinezen van nu alleen politieke poëzie moeten schrijven –

in hun verbeelding hebben wij, afgezien van bloedvergieten,

niet het recht om zoals vroegere kunstenaars het schone na te streven,

noch hebben we recht op de roes van routine en lyriek;

in een hevige kramp van moraliteit, in de oneindige

vouwen van de geschiedenis, snijden ze het leven af

van het gevoel met zichzelf, beperken het tot

voetnoten van lijden en onmenselijke kolonies.

Daarom had ik liever dat Florence helder en ruimtelijk was,

ondiep en vlak, als een schoteltje in een openluchtcafé,

de serveerster, ze heeft ons ons toetje gebracht en vertraagt

haar bewegingen omdat ze merkt dat wij naar haar rok kijken,

lijkt op een overrijpe Beatrice met nonchalant haar.

Het namiddagzonlicht lost het gewicht van elke boom,

haarvaten van bladeren ontvouwen in de wind, hun schaduwen

veranderen via ons voorhoofd in een ander treuzelen,

in het triforium praten bewakers in zichzelf: als je vanuit de ramen

van musea naar buiten kijkt, is het altijd mooi.

NEW JERSEY OP DE MAAN

            – aan L.Z.

Dit is jouw boom, rivier, grasveld,

jouw grote huis, jouw Amerika,

dit is jouw leven op een andere planeet,

je rijdt langzaam om mij door de heuvels te leiden,

als een Private Life-documentaire op een breedbeeldscherm.

Aan de woonkamermuren hangen replica’s van impressionisten,

de grond ligt vol met het speelgoed van je dochter,

overdag, wanneer je echtgenoot naar Manhattan is,

je kind naar de crèche, de buurt stil is, en alleen

een gesprek tussen een stofzuiger en een grasmaaier resteert,

maak jij op je loopband, als een speelgoedtrein

op zijn ronde spoor, het ene na het andere rondje . . .

Hier ben ik verbaasd over een vervreemding,

niet omdat je al van nationaliteit bent veranderd

of iemands vrouw bent geworden, ik ben verbaasd

dat aan jouw omzwervingen zo snel een eind is gekomen –

het land van geluk waarvan we als kind droomden

is al vereenvoudigd tot een comfortabele kooi,

en op de dikke, zacht fluwelen kussens

hoef ik China maar te noemen of je mond trekt in een spottend lachje.

Het spijt me dat je een epische verandering bent misgelopen,

een mythe van tijd ondersteboven gedraaid in de realiteit:

ieder jaar van jou hier

is een dag die we in onze geboortestreek doorbrachten.

’s Avonds keer ik terug in mijn hotelletje in Queens,

hang mijn jas over de stoelleuning, voor mijn ogen drijft

die wilde meid van vroeger voorbij, ze hield meer van

vrijheid dan de Carmen uit de pen van Mérimée, liep mee

in demonstraties, als de godin geschilderd door Delacroix.

Het geheugen onthoudt alleen de haspel van de vlieger,

ik weet dat ik je niet meer terug naar huis kan brengen,

zelfs gelukwensen lijken overbodig.

Er is niemand om een taak aan toe te kennen, diep in de nacht

droom ik dat ik met één voet over de Stille Oceaan stap,

terug naar het brandende en rokende slagveld,

ik span er kruisbogen en blijf giftige zonnen neerschieten.

BIJ HET LEZEN VAN DE HERINNERINGEN VAN DE ECHTGENOTE VAN MANDELSTAM

Een verlaat boek. Stel dat ik het eerder had gelezen,

dan was het wolfraamdraad in mijn pupil ontbrand, waren mijn stembanden

in het donker transparant geworden, had ik geselrijmen gemaakt.

Er was altijd een kleine reus, met een vriendelijke, aandachtig luisterende

vrouw, die al het andere verdroeg voor het geluk van het oor: honger,

angst of het eigen leven; er waren altijd ontmoetingen in wandelgangen

bij een vervroegd vertrek, een aansteker lenen, een pesterij,

samen lachend naar de achterkant van een tijdperk lopend. Voorzichtig,

jouw vonken spatten op mijn rok. Nee,

dat was het grote gat dat in de stilzwijgende publieke goedkeuring was gebrand.

Durf je verder te lopen? Waarheen? Zal ik

teruggaan en nog een schot lossen op het Kremlin?

Nee, mijn lief, leer jezelf los te laten,

ik kan jou geen gezelschap meer houden, ik moet achterblijven,

een spook van de realiteit worden, echo’s voortbrengen.

HET SCHIET ME TE BINNEN DAT DIT DE STAD VAN NALAN XINGDE IS

Het schiet me te binnen dat dit de stad van Nalan Xingde is,

een Manchu, een scherpschutter in het Chinees,

hij was zo dicht bij de macht, zo dicht bij de liefde,

maar beide hoorden hem nooit toe – zijn korte leven

was geboekt door luxueuze en desolate loges in een theater,

als hij over de reling heen iets wilde omhelzen,

verdween het. Ah, gedoodverfde toeschouwer,

zeldzame basstem, eeuwen stilte kon alleen hij doorbreken –

zelfs zijn verre reizen naar grensgebieden waren niet om gevechten,

maar om uitgestrektheid en desolaatheid

terug te brengen naar onze poëzie. Wanneer de punt van zijn penseel

stilviel door het opzuigen van de gletsjers van de nacht,

doofden soldaten in ontelbare tenten olielampen

onder het geluid van hoorns. In de eindeloze derde wake van de ziel

was thuis nergens. Leven was enkel

een ontwakende droom. In de hoofdstad in gewone jaren

werden netjes gerangschikte geglazuurde dakpannen dof van het roet,

schudden vlaggenstokken in de zeewind;

de deur van zijn landhuis keek uit op een vijver, binnen de omheining

werd een zuidelijke tuin gekoesterd, regen van de dakspanten

was omsluierd door rook, zwaaiende, fonkelende parelgordijnen onthulden

deze monnik die tussen woorden zat te mediteren,

deze man wiens leven begon vanaf een volle maan,

eeuwig op zoek naar die allereerste, ontroerende blik.

ZOOMEN

I

Voorbij de Chinese Muur, voorbij

de bergen die kilometerslang geen begroeiing hebben,

zodra je in de lucht de bron van water kunt ruiken,

is het alsof je naast een uitgeholde grot

een fresco kunt zien die in het zonlicht is geplaatst:

een hellend, hoger en hoger stijgend bos van kakibomen,

wortels de rotsen ingedrongen, schimmels verwijderd,

vechtend om licht en regen met andere boomsoorten,

het groen wordt helder, wordt compact als

gesmolten metaal, stroomt naar de afgrond;

in die reeks van bijna oneindige getallen

is elk blad blij om anoniem te zijn,

blij om te dwarrelen, of nog aan een tak te blijven.

Langs een gouden door de wind beroerde strook

wordt het fruit door het gepik van vogels nog zoeter,

zorgeloos zwellend, verwekend, druppelend.

II

Voor het raam vangt deze ene boom het blikveld, weer,

(licht in de stijl van Vermeer valt via hem het appartement in,

beschijnt dit maar half afgeschreven gedicht),

we zullen altijd in wederzijds onderzoek verzeilen,

zoals twee bladeren een bevende kaak vormen.

Kaki’s zijn vroeg in de zomer nog klein als tepels in de groei,

schuilen tussen het gebladerte, verlegen door hun toenemende gewicht,

hun kleur verandert als blozende, transparante oorlellen,

na wat vorst rijpen ze versneld,

veranderen in brandend rode soldeerbouten, naakt in de lucht

in de sneeuw, verlangend te worden gestreeld, uitgezogen.

Ik heb nog nooit zulke verdrietige borsten gezien,

hard als keien, het magma koud, beschadigd door gevorkte takken

wanneer ze vallen. Gescheurd vel, incontinente

afscheiding: bloed, gal, ras, kern.

Mijn starende blik verdonkert tot een grot waar het vreugdevuur uit is.

VERWILDERDE CHINESE MUUR

I

Label van het aardoppervlak

of wurgspoor van de afgrond van herinnering, verdwijnt in

bergen die, getroffen door erosie van zandstormen en droogte,

steeds meer lijken op de kleur van onze huid.

Ooit waren wij hier. Zelfs

een jonge soldaat opgeroepen uit een gehucht,

zal met een rechte houding en het gemoed van een rijkaard

tussen de kantelen door de vreemdelingen opnemen,

die niet meer zijn dan over dor land kruipende beesten.

Hier hebben we een gigantische badkuip geconstrueerd,

onze dagen zijn vaak een onderdompeling in warmte en loomheid.

Wanneer vrouwen in de tuin schommelen,

vergapen mannen zich aan weerspiegelingen in het water;

bloederig, ongekookt vlees is te vulgair,

de dakspanten van onze beschaving

zijn gepreciseerd tot het laatste omgekrulde puntje.

II

Nu de grondigste

van alle verwoestingen doorstaan:

vergeten – hij is als

de ruggengraat van een reptiel

die het einde van de verwering nadert,

bergkammen vol stilte uit de Juratijd,

met het dalen van de zon sterft de verre motor weg,

de avondgloed valt als roestige speerpunten.

Ik kom de kiem zoeken van een leven dat voor onze geboorte is verdwenen,

zoals filologische vingers geïrriteerd trommelen op

de rand van een lege schaal,

zijn binnenste al leeggevist.

III

In de paar perzikbomen op de steile helling

gaan de bijen zoemend en bedrijvig heen en weer,

ze hebben in de buurt een paar

als aardewerk stukgesmeten seintorens uitgekozen

om hun kamp op te slaan.

Hun lied lijkt te zeggen:

alles aan de natuur teruggeven . . .

Onkruid, als vingers diep in de aarde,

als een vitaal leger van schimmen dat hellebaarden en lansen ophoudt

klimt op de ingestorte treden,

in deze tijden vluchten talloze verschrikte landschappen

van museummuren vast overal in paniek alle kanten op.

DE ZEE IN MIJ

Die zee heeft geen uitweg, golven

splijten het gelaagde ravijn,

naderen in een tel, beuken op deze kaap;

ze komen, speciaal om de uitspringende rots te treffen,

met miljoenen bliksemflitsen diep in een woord,

slaan een boorgat, stijgen tot ver in de lucht, sproeien

als stoom in een zeebekken, worden vuurwerkresten,

kwastjes van algen, worden ontelbare tenten,

een kamp van een halve seconde, om plots door een

stoot uit te rekken tot de ruggengraat van de noodtoestand,

zodat de volgende rij golven nog hoger springt, komt ie!

Zo’n stroperige doorgang, met bloed opgekruld lemmet,

met een ploeg rechtgetrokken waterval, opgezweept door de wind

klimmen ze opnieuw, ja, pas na iets te hebben getroffen

zijn ze tevreden, pas na het uiteenvallen draaien ze terug,

nooit willen ze echt een stuk grond, een naam,

een oever –– hoewel hij niet vaak meer te horen is,

de zee in mij, weet ik dat hij nog bestaat.