En de wolven keken de dood kalm in het gezicht

De wolf en de zeven geitjes, Roodkapje, De drie biggetjes, Peter en de wolf – al van kleins af aan worden kinderen aangespoord om een angst voor wolven te ontwikkelen. Dat de stichters van Rome zouden zijn grootgebracht door wolven, net als Mowgli uit het Jungleboek, lijkt daar weinig aan te veranderen.

Hoe cultuurgebonden die wolvenangst is, blijkt uit de roman Wolventotem, van de tot voor kort onbekende Chinese auteur Jiang Rong. Op de steppen van Mongolië, waar het verhaal zich afspeelt, durven kinderen zowaar een wolvenhol in te kruipen om een nest welpen te roven, zonder zeker te weten of de moeder zich niet ook nog in het hol bevindt.

In tegenstelling tot landbouwvolkeren, die de wolf als een groot kwaad zien, vereren de Mongoolse nomaden de wolf van oorsprong als een voorouder. Uit dankbaarheid en respect wordt het lichaam van een overleden Mongoliër dan ook niet begraven, maar op veilige afstand van het kamp achtergelaten voor de wolven.

Het leven met de wolven wordt liefdevol beschreven door Jiang Rong, pseudoniem van een professor in de politieke economie die net als de hoofdpersoon in Mongolië heeft gezeten tijdens de Culturele Revolutie. Jiang zet een bij vlagen fascinerend beeld neer van de wolven zelf, die bewondering afdwingen door de manier waarop ze met verschillende roedels samenwerken om een kudde gazellen of paarden aan te vallen Of door de manier waarop een moeder haar nest verdedigt. Tegelijkertijd is Wolventotem een aanklacht tegen het Chinese landbouwvolk, dat de ondergang van de steppe en de nomadische cultuur heeft bewerkstelligd.

Maar de liefde van Jiang voor het oorspronkelijke Mongolië en de goedbedoelde boodschap kunnen deze lijvige roman niet echt staande houden. Daarvoor is de vertelling te naïef en geromantiseerd – elke vorm van literaire brutaliteit ontbreekt. De hoofdpersonen zijn stereotypen (een ‘pure’, wijze Mongoliër, een domme Chinese machthebber, een naïeve maar goedwillende Chinese student). In zijn bloemrijke beschrijvingen van het steppelandschap vervalt Jiang algauw in herhaling, en de verpersoonlijking van de wolven wordt al te ver doorgedreven (‘ze offerden hun leven op, door wraak geobsedeerd, en keken de dood kalm in het gezicht’).

De reden om het boek hier te lande in omloop te brengen is ongetwijfeld dat de uitgever hoopt mee te liften op de enorme hype die in China rondom het goed gepromote boek is losgebarsten toen het in 2004 verscheen. Inmiddels zouden er zo’n vier miljoen exemplaren zijn verkocht – maar er doen verhalen de ronde dat de Chinese uitgever het boek zelf in groten getale heeft opgekocht om de verkoop te stimuleren.

Recensie in NRC Handelsblad van:
Jiang Rong: Wolventotem. Vertaald uit het Engels door Daniëlle Alders, Marion Drolsbach, Susan Ridder, Jaap Sietse Zuierveld en Selma Bakker. Prometheus, 447 blz.

Groei, groei en groei alleen

‘Wij hebben nooit waarde gehecht aan ingenieuze goederen, noch hebben wij enige behoefte aan producten van uw land.’ Dat schreef de Chinese keizer Qianlong begin negentiende eeuw aan de Britten, die er op gebrand waren handelsbetrekkingen met China aan te knopen. De Britse diplomaat die er voor die missie op uit was gestuurd faalde volkomen, omdat hij weigerde, zo gaat het verhaal, de kowtow voor de keizer uit te voeren, dat wil zeggen zich negenmaal languit op de grond te werpen en daarbij het voorhoofd op de grond te slaan.

De anekdote is te vinden in het vermakelijke boekje Dat is Chinees voor mij van Peter Ho. Zonder al te diep te gaan, belicht Ho de filosofie, geschiedenis, familieverhoudingen en sociale gewoonten van met name het traditionele China. Al is de kowtow definitief verleden tijd, toch is de sterke hiërarchie waar de Brit tegenaan liep in de communistische marktmaatschappij nog duidelijk aanwezig. Een Chinese werknemer zal zich nog altijd zelden eerlijk uitspreken tegen zijn baas.

Ho maakt vooral inzichtelijk hoe traditionele, met name confucianistische waarden nog steeds doorklinken in de moderne maatschappij, maar de huidige politiek laat hij grotendeels buiten beschouwing. Dat is jammer, want als expert op het gebied van Chinese plattelandsontwikkeling, milieu en de daaraan gerelateerde beleids- en sociaal-economische vraagstukken zou juist hij daarop een goed licht kunnen werpen.

Garrie Van Pinxteren, tot 2006 correspondent in China voor NRC Handelsblad en momenteel voor de NOS, brengt in China. Centrum van de wereld wel de maatschappelijke, politieke en economische ontwikkelingen in kaart, zonder persoonlijk een oordeel te vellen. Haar gesprekken met de meest uiteenlopende mensen – Chinese zakenlui, journalisten, rechtsactivisten, fabrieksarbeiders, een arts, dorpsonderwijzer, professor, operadirecteur et cetera – laten de verschillende dilemma’s van het moderne China zien, waarbij steeds weer blijkt hoe de communistische staat de touwtjes voorlopig stevig in handen houdt.

Ondanks hun verschillende invalshoeken vullen de twee boeken elkaar mooi aan, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het onderwerp van de internationale betrekkingen. Bij Ho lezen we dat Europese landen, waaronder Nederland, al sinds het einde van de achttiende eeuw de Chinese markt willen veroveren. Ze onderwiepen zich in eerste instantie gedwee aan de Chinese regels: zo was er destijds maar één haven opengesteld, moest de handel tussen oktober en maart plaatsvinden en was het leren van Chinees strafbaar. Een kleine eeuw en vele oorlogen later waren de machtsverhoudingen totaal omgedraaid en werd China gedwongen tot vernederende verdragen.

Van Pinxteren suggereert dat in de huidige internationale betrekkingen de Chinese regering de regie voert. Net als in de tijd van keizer Qianlong is er nog altijd weinig behoefte aan producten uit het buitenland: de export vanuit China is vele malen groter dan de import, en van de buitenlandse ondernemers die volop van China’s groei willen profiteren, wordt kennisoverdracht geëist (kennis geeft immers de macht voor de toekomst). Elke interventie in het politieke beleid wordt afgewezen, en in hun winstbejag kijken westerse bedrijven niet al te nauw. Het zijn veelal bedrijven als Google, Yahoo en Microsoft die China helpen bij het uitoefenen van de internetcensuur, die echt niet alleen maar tegen sekssites is gericht.

Anderzijds merkt Van Pinxteren op dat China nieuwe arbeidswetten aan het opstellen is die arbeiders meer bescherming bieden. Die wetten zullen de arbeid duurder maken en daarom oefenen juist sommige buitenlandse bedrijven grote druk uit om ze tegen te houden, door te dreigen hun activiteiten naar andere landen te verplaatsen waar de productiekosten wél laag blijven.

Daarmee belandt China in een lastig dilemma. Zonder westerse investeerders is er geen economische groei en zal een nog groter gedeelte van de bevolking werkeloos zijn, met grote sociale instabiliteit als gevolg. Tegelijk zorgt de industriële explosie voor een toenemend aantal ernstige milieurampen, maar het beter handhaven van de bestaande milieuwetgeving zou de productiekosten van de westerse bedrijven opnieuw doen stijgen, en daarmee de kans op hun verdwijning naar het buitenland – een vicieuze cirkel.

De vraag is in hoeverre China zelf iets kan en ook wil gaan doen om die cirkel te doorbreken. Gaat de economische groei China echt boven alles zodat het land in deze gevaarlijke omhelzing met het buitenland blijft? Over dergelijke moeilijke vragen kan ook Van Pinxteren uiteraard geen uitsluitsel geven, maar ze wijst erop dat China inmiddels zelf zonder scrupules in Afrika, Zuid-Oost Azië en Zuid-Amerika investeert, waaronder in landen met dictatoriale bewinden die het Westen boycot.

China’s standpunt in dezen is in alle gevallen hetzelfde: net zoals het geen bemoeienis van anderen in de eigen politiek duldt, wil het zich niet in de politiek van andere landen mengen, het wil die niet, zoals Amerika, de eigen ideologie opleggen, maar er als gelijkwaardige partners mee samenwerken. En onder dat mom van gelijkwaardigheid slaat China zijn slag.

Veel Chinezen met een beetje geld die hun dromen in eigen land niet kunnen waarmaken, trekken nu naar de desbetreffende derdewereldlanden (in 2005 werkten 82.000 Chinezen in Afrikaanse landen). Daar beginnen ze, aldus Van Pinxteren, eigen bedrijfjes die de plaatselijke winkeltjes verdringen, óf ze werken voor grote Chinese bedrijven, die voor de Chinese groei noodzakelijke olie, koper, nikkel, tropisch hardhout, maar ook sojabonen en rijst in China importeren. Kennisoverdracht is er meestal niet bij, zodat de plaatselijke bevolking weinig baat heeft bij deze Chinese aanwezigheid, terwijl de grondstoffen van het land wel uitgeput raken.

Recensie in NRC Handelsblad van:
Peter Ho: Dat is Chinees voor mij. De Geus, 192 blz.
Garrie van Pinxteren: China. Centrum van de wereld. Balans, 240 blz.

Het beeld van Mao gaat aan gruzelementen

Wat zoeken wij in een buitenlandse literatuur zoals de Chinese, die zover van ons af staat? Iets ondefinieerbaars maar ‘typisch Chinees’ blijkbaar, want vaak vragen lezers van moderne Chinese literatuur zich een beetje teleurgesteld af ‘wat er nou Chinees is aan dit verhaal’.

Boeken als Lulu Wangs Het lelietheater verkopen waarschijnlijk juist zo goed omdat ze aan de verwachting van ‘het Chinese’ beantwoorden. Ze laten het andere, het exotische zien in de vorm van belangrijke historische gebeurtenissen, aangevuld met een flinke dosis couleur locale.

De roman Dien het volk van Yan Lianke, een vooraanstaand schrijver in China, heeft ook zo’n gebeurtenis tot inzet: de Culturele Revolutie, die het verhaal meteen in een karakteristieke tijd en ruimte plaatst en het boek de gezochte ‘Chineesheid’ verleent. Maar Dien het volk is geen roman om bij weg te dromen, het is een satire waarin Mao Zedong en de Culturele Revolutie op de hak worden genomen.

De belastering van Mao en de beschrijvingen van vrije seks waren een paar van de redenen waarom het boek in China verboden is, zoals de cover ons opzichtig duidelijk maakt. Ook die morele en politieke veroordeling staat garant voor een inkijkje in de exotische cultuur: een waarde die daar hoog in het vaandel staat, wordt kennelijk geschonden. Bovendien heeft het schandaal zelf natuurlijk een magnetische aantrekking; zo vond deze roman in China via internet alsnog een miljoenenpubliek.

Het verhaal volgt een kortstondige maar stormachtige, buitenechtelijke liefdesrelatie. Op het hoogtepunt daarvan verbrijzelen de geliefden een Mao-beeld en andere revolutionaire insignes. Die oneerbiedige acties ontaarden in een strijd wie van de twee zich het meest contrarevolutionair durft te tonen om daarmee te bewijzen dat zijn liefde het sterkst is.

Dat op zich interessante gegeven is erg cultuurgebonden en voor Chinezen veel humoristischer en choquerender dan het voor Nederlandse lezers waarschijnlijk zal zijn, omdat Mao voor ons weinig of geen status heeft. De wurgende greep van een relatie die tot gevaarlijke handelingen leidt, zou wél spanning voor de Nederlandse lezer kunnen creëren, maar dat element wordt in de roman helaas nauwelijks uitgewerkt.

Daarmee blijft het boek hangen in de nationale achtergrond van waaruit het is ontstaan, want de wijze waarop Yan alles beschrijft is weinig inspirerend. De ontwikkeling van de relatie wordt rechtlijnig gepresenteerd in clichématige beelden en platitudes (‘hij wist nog niet dat de hoogste vreugde altijd de diepste smart brengt’). Zo lijkt er voor deze in China opzienbarende roman internationaal toch geen bijzonder florissante toekomst weggelegd.

Recensie voor NRC Handelsblad van:
Yan Lianke: Dien het volk. Vertaald uit het Chinees door Mark Leenhouts. Podium, 191 blz.

Yi Sha, gedichten

Yi Sha (1966, China) kan tot de zogenaamde ‘volkse’ stroming in de Chinese poëzie worden gerekend, die zich door haar thema’s en taalgebruik afzet tegen de meer ‘intellectuelere’ dichters. Yi Sha is een echte provocateur, die als dichter en polemist menig schandaal heeft veroorzaakt, niet alleen door het soort onderwerpen dat hij behandelt, maar vooral door de manier waarop hij die neerzet. De hier gepresenteerde selectie die hij zelf voor Poetry International maakte zijn tekenend: de gedichten gaan over van alles en nog wat, variërend van alledaagse dingen als politieauto’s met gillende sirenes in rondspetterende moddersneeuw en het eten van lam, tot eerbiedwaardige onderwerpen als de dood van een vooraanstaand persoon als Arafat, borstkanker of Vietnam. Hoe dan ook wordt in alle gevallen het onderwerp, en daarmee de lezer, op de hak genomen: met zijn zwarte humor plaatst Yi Sha alles en iedereen buiten zijn normale, alledaagse context.

Zelf noemt Yi Sha de taal hij daarbij hanteert ‘naakt’, en inderdaad kennen zijn gedichten weinig opsmuk, in de vorm van duistere beeldspraak of ingenieuze taalspelletjes. Zijn gedichten zijn heel direct, dat wil zeggen, geschreven in de spreektaal en gericht op het beschrijven van de ‘kale feiten’, bijna zoals een documentaire beelden registreert.

Yi Sha werd geboren in Chengdu, de hoofdstad van de westelijke provincie Sichuan, en studeerde Chinees aan de Normal University in Beijing. Momenteel werkt hij aan de Foreign Language University in Xi’an. Yi Sha, die al vele publicaties en poëzieprijzen op zijn naam heeft staan, schrijft poëzie, essays en korte verhalen; vooral zijn poëzie is in vele talen vertaald. Zijn blog (in Chinees) is te vinden op http://blog.sina.com.cn/yisha

Zo van die dingen op een sneeuwdag

Op de straten op een sneeuwdag
spettert de moddersneeuw hoog op
een laatdunkende
politieauto komt met sirene voorbij
net zoals normaal
overal tussendoor schietend
het leuke is
dat hij er solide uitziet
maar zijn sneeuwjurk
niet van zich af kan schudden
net zoals
alle andere auto’s
die allemaal lijkwagens lijken
daarom heeft hij haast
een dichter
die juist op dat moment
op de modderige straat
voortploetert
en door zijn
vieze wielen
onder de modderspetters komt te zitten
is getuige van dat alles
en met een brok in zijn keel
bedenkt hij
gedichten zijn als sneeuw
in hun dubieuze relatie
tot deze staatspolitieauto’s

Ik ben zomaar doorsnee, voor wie zou ik bang moeten zijn?

Mensen gaan over straat
elke keer
als ik bij de ingang van de bank
een geldtransportauto zie staan
stop ik abrupt
en maak een omweg

Maar bij twee keer
kom ik er wat laat achter
ik kan mijn passen niet ongedaan maken
moet maar flink doorbijten
en verder lopen
dat stelletje ziet eruit
als dieven al stelen ze niet

De afstand is zo klein
dat ik duidelijk het gezicht van de soldaat
half verborgen in de stalen helm kan zien
op zijn kin staan enkele baardharen
en hij heeft zo’n akelig geweer
dat op een oprechte slang lijkt
maar diep van binnen weet ik hoe het ervoor staat
want ik ben heel duidelijk –

Een beruchte bankrover
daar lijk ik echt niet op
dan zou ik al mijn schaamhaar moeten afscheren
en op mijn gezicht moeten plakken

Borstenonheil in de lente

Voor je de operatiekamer binnen werd geduwd
lag je op het bed dat je vervoerde
en zei tegen je beste vriendin
‘als ik wakker word en
deze twee schatten niet meer heb
dan was het dus kanker’
je sprak en gebaarde
met je handen voor je borst

Maar tegen mij – je echtgenoot
zei je helemaal niets
je wist heel goed dat ik
ervoor zou moeten tekenen
had je zo’n vertrouwen in mij
welke beslissing ik ook zou maken
inclusief mijn akkoord om
je mooie borsten te laten amputeren?

Plotseling had ik het gevoel alsof
deze lente niet voorbij kon gaan
ik was bang voor alles wat kon gebeuren
bang dat god zich ineens tegen ons zou keren
in gedachten knielde ik en knielde ik
ontelbare malen voor hem neer
en smeekte hem alles van mij weg te nemen
maar de borsten van mijn vrouw te sparen

Ik stond buiten de operatiekamer
te wachten op het oordeel
een seconde leek een jaar
een boer die niet kon schrijven
en aan mij stond te trekken
om mij in plaats van hem te laten tekenen
scheepte ik af

Dat boertje
bedacht plotseling
dat hij wél zijn eigen naam kon schrijven
en zo was het probleem opgelost
zodat zijn vrouw
een vrouw
zonder borsten werd

Liefste, om eerlijk te zijn had ik gisteren
op de oriëntatiemiddag
vóór je operatie
toen de deur van een verpleegkamer zomaar openstond
in een oogopslag twee
vrouwen gezien wier borsten geamputeerd waren
de dokter was hen net opnieuw aan het verbinden
ik vond dat ze nog altijd mooi waren
ik was dus al wel een beetje voorbereid

Geleide raketten en poëzie

Voor ik de deur uit ging
zei ik tegen mijn zoon
vanavond
moet papa
voor een groep studenten
die leren hoe je geleide raketten maakt
aan de ingenieursopleiding van de tweede artillerie-eenheid
een praatje gaan houden over poëzie
jij moet
netjes hier
thuis blijven
wachten tot mama terugkomt

Nadat ik die avond
van huis was gegaan
brak mijn zoon zich
het hoofd
over hoe het kon
dat zijn vader die alleen over poëzie kon praten
les moest gaan geven
aan mensen die later geleide raketten moesten maken
geleide raketten zijn supervet
en poëzie was enkel helder maanlicht voor het bed

Drie uur later
kwam ik thuis
mijn vrouw was er al
mijn zoon sliep nog niet
hij vroeg mij
of ik nog geleide raketten had gezien
nee zei ik
ik heb geld gezien zei ik
da’s wel genoeg
en ik overhandigde
mijn zoon de envelop
die een kolonel mij had gegeven
snel telde hij de biljetten
en zei toen tegen me
papa, ga de volgende keer
maar praten bij atoombommenmakers
die geven vast nog meer

Een lammetje

Tegen de avond zat ik
buiten voor het huis
op een bank
en zag op het veldje voor mij
een lammetje gras eten
het lichaam van het lam
was nog mooier dan een baby
in de omtrek was niemand
ik trok gekke bekken naar hem
en malend met mijn onderkaak
begon ik stiekem zijn engelachtige
uitdrukking te imiteren
maar wat ik deed leek nergens op
waarschijnlijk omdat
ik geen graseter ben
daarna verdween het laatste restje zonlicht
de schemering was overal rondom
en ik kon hem niet meer zien

De volgende dag bij het avondeten
was dat perfecte lammetje
al veranderd
in kleine stukjes
de stoom kwam er af
schapengeur verspreidde zich
en werd op onze tafel neergezet
met de uitdrukking van gras kauwen
die ik de vorige avond
van hem had geleerd
zette ik mijn tanden in zijn vlees

China’s realiteitszin komt door het onvermogen om een krachtige werkelijkheid te verzinnen

De relatie die gevonden moet worden is gevonden
het geld dat uitgegeven moet worden is besteed
maar de leningen van vrienden
zijn nog niet opgenomen
de reden is snel gevonden
de kip die aan de bankdirecteur was geschonken
kwam twee uur te laat
de directeur, brandend van ongeduld,
had al maar vast viagra ingenomen
zijn pik ging niet meer plat
hij bleef maar overeind
brandend in het vuur van de passie
maar volkomen nutteloos
een alles verterend vuur
dat uiteindelijk omsloeg in een
woede die alleen door wraak
kon worden weggenomen
en daardoor deed hij helemaal niks
‘Alleen daardoor?’
‘Alleen daardoor!’
door de gelatenheid van mijn vrienden
geneerde ik me
voor mijn eigen verbijstering
ik als schrijver
weet niks van de werkelijkheid
als ik de werkelijkheid beschrijf
ben ik bang dat nog onwetender lezers
me voor huichelaar uitmaken

Portret van een Noord-Europese dichter

1
Zijn zanghouding lijkt op die van een Italiaan
als hij drinkt lijkt hij een Russische zatlap – vrij van vorm maar niet van geest
maar hij is een zuivere Germaan
een door en door Zweedse dichter
af en toe – alleen af en toe
komt het ineens in hem op om naar Noorwegen te verhuizen
het honorarium dat het buurland aan schrijvers betaalt
is tien keer hoger dat dan van zijn moederland

2
Hij schijnt tot de top drie van Zweedse dichters te horen
in zijn gloriejaren
was de metro in Stockholm
vol gehangen met zijn portret
deze lente kwam hij naar Kunming
in de bloemenzolder van China
waarschuwde hij zijn Chinese vakgenoten
‘pas op voor romantiek’
hij zei: ‘Ik was nogal pessimistisch over de Chinese poëzie’
maar hij vervolgde onmiddellijk: ‘een paar jaar geleden’

3
Op de dag van de podiumvoordracht op het poëziefestival
lag hij de hele dag te slapen in zijn hotelkamer
zijn krachten sparend en in eerbiedige afwachting
van de rituele komst van het dichterlijke leven
in de schemering op weg naar de plaats van de voordracht
onderhield hij iedereen in de minibus
met een cocktail van aardbeiensap en Chinese brandewijn
natuurlijk dronk hij zelf het meeste
zijn voordracht van die avond kreeg grote bijval
die avond, na afloop van de voordracht,
kreeg zijn aansporing om naar de wallen te gaan
geen reactie

4
De volgende ochtend bij het ontbijt
tekende hij op het notitieboek van de vrouwelijke chef
een levensechte naakte vrouw
wij voelden ons flink opgelucht
ah! dat wilde hij dus!
na er nog een hele nacht over te hebben gedacht
opperden wat waardeloze Chinese poëziecritici
‘het is een metafoor – hij wil brood’
uiteindelijk dachten we het helemaal te hebben begrepen
hij wilde koffie en verlangde gezelschap

5
Ik was buiten het theater geprogrammeerd
en tijdens mijn voordracht in het theehuis ‘tussen de bloemen’
na een uitvoering van een trage Chinese citer
verscheen hij in het publiek
heel opzichtig
lachend als een idioot
en als hij niet lachte
leek hij te vliegen
toen hij mij om mijn dichtbundel vroeg
had ik net mijn laatste exemplaar weggegeven

6
Een vriendelijk Chinese vrouw
merkte op dat hij al de hele week hetzelfde overhemd droeg
om zijn reisroute – na zijn vertrek via Thailand terug naar Zweden –
lachten de mannen meewarig
de laatste avond
was er zelfs geen tijd meer voor afscheid
ik zag hem als een geest
een bar bij het theater binnenschieten
daarna was hij verdwenen
ik herinner me dit zomaar ineens weer
op een avond dat ik in het Stenen Woud bij Kunming verbleef
en hij aan de zij van een Dai zangeresje, koket als een slang
heen en weer drentelde
ook als een geest

Afwijzing in de Amerikaanse ambassade

De hele ochtend
drongen zo’n honderd mensen samen in een kleine ruimte
als de opslagruimte van een smokkelboot
in de verveling van het wachten op een visum
werd een meisje dat ballet leerde dansen
het mooiste punt van de hele zaal

Voordat ik de visumbeambte ontmoette
was ik al weinig hoopvol gestemd
zo zag ik tussen de mensen die een visum kregen
bijna geen jongemannen
er waren er twee
de ene zag er oud en bedaard uit
de andere was een dwerg die nog niet tot het raam kwam
Amerika was bang
echt bang
ze waren nu bang voor mannen
o la! de visumbeambte met een lange baard
leek eigenlijk meer
op een moslim dan ik
en nog meer op een terrorist
zonder er lang over na te denken
wees hij mij resoluut af
het was vast het medelijden van een orang-oetang met een orang-oetang
in één oogopslag zag hij in mijn ogen
de verborgen moordzuchtige blik
achterdocht tegen emigratie?
bestaat dat dan?
de grote dichter Li Bai uit de achtste eeuw wilde naar Perzië emigreren
je moet verdomme geen belachelijke grap met me uithalen

toen ik naar buiten banjerde
was het balletmeisje
door een zwarte vrouw bij het raam afgewezen
ze was echt zo blij als een eend die gaat vliegen
vrolijk roepend liep ze weg
‘haar ouders dwongen haar zeker naar Amerika te gaan…’
luidde het steekhoudende oordeel van een van de teamleden

De neerslachtigheid van Vietnam

1
de regen slaat op de bananen
het is niet te zien dat er tranen vallen
wat overblijft zijn deze
natte stillevens

Vietnam is neerslachtig

2
diep in de nacht
kijk ik naar een oude heldenfilm
en ontdek een
neerslachtig Vietnam
uit mijn geheugen diep ik
die zwartwitte films op
op het scherm regent het

3
ooit heb ik in een lang gedicht geschreven:
‘oorlog is onechte/valse romantiek,
zij houdt haar geweer op een mooie manier vast
alsof ze op een harp speelt’

het geschrevene was ‘de weg terug naar je geboorteplaats’
het geschrevene was een Vietnamese schone
die mij erg depressief maakte

4
Ik denk aan een vriend
die naar Vietnam is geweest
om bewijzen te zoeken voor de neerslachtigheid van Vietnam
na enig beraad werd hij teruggehaald
mijn vriend
is geen neerslachtig mens
de kern is dat hij
neerslachtigheid niet aanvoelt

5
Over welk ‘Zuiden van de wolken’ heb je het?
Vietnam is het zuiden van het zuiden van de wolken
is het grensgebied van het wolkenland
onder de wolken
spoelt een grote rivier de zee in

6
sommigen vergelijken dit
met een vochtige vagina
het briljante was: Amerika
die pik die zich overal roekeloos insteekt
liep hier een flinke breuk op
voortaan had die zichzelf verheerlijkende man
een serieuze seksuele disfunctie
zoals Ernest Hemingway

7
Hoe zou ik durven neerkijken
op de mannen hier
die alleen commando’s sturen om van mijn vele landgenoten
begraafplaatsen op berghellingen te maken
daar hebben we allemaal zelf om gevraagd

ik zeg niet: ‘verontwaardigde soldaten hebben de overwinning’
ik wil zeggen: neerslachtige mannen
zijn de moedigste soldaten

8
Vietnam is zwaarmoedig

de regen slaat op de bananen
het is niet te zien dat er tranen vallen
wat overblijft zijn deze
natte stilleven

De dood van Arafat

‘Ik heb genoeg van die ouwe
die maar niet doodgaat en op een lepraleider lijkt
de klootzak hoeft zijn gezicht maar te laten zien
en de onrust tussen Palestina en Israël is gegarandeerd’

Dood, niet dood, bijna dood
de avond dat het recentste betrouwbare nieuws
van Arafats dood vanaf Parijs werd verspreid
moest ik denken aan een oude vriend
die enkel jaren geleden
privé
met mij sprak over
zijn indruk van deze politicus
zijn woorden –
geen visie
geen bewustzijn
geen intuïtieve kennis
geen mededogen
geen ziel
geen overtuiging
geen hart
geen longen
heb ik enkel vanwege
hun echte realiteitszin
hun gevoelige snaar
en de vitaliteit van zijn rijke woorden
meer dan tien jaar lang onthouden
(de taal die ik
als dichter nastreef
is toch wel ietsje anders)

Het stoffelijk overschot van Arafat
is terug naar zijn geboorteland vervoerd en begraven
wat ik kan doen is
is deze passage die in mijn hersens ligt opgeslagen opgraven
en begraven in de bloembak op mijn balkon

Rug naar de kerk

In Rotterdam
is het vrij normaal
om meeuwen en duiven samen te zien eten
daar is niets surreëels aan

In Rotterdam
worden meeuwen en duiven
het vaakst gevoed door
zwervers
– zo heb ik met eigen ogen aanschouwd

Met hun rug naar de kerk
zitten ze op een bank aan de rand van een plein
en voeren ze die witte engelen
brood en friet

En ik die langs kwam lopen
wilde ze ook heel graag voeren
maar was bang hen te storen
en dat een meeuw of een duif
mij, een vreemde buitenlander, een vinger zou afhappen

Vervolgens vond het volgende plaats:
sluw en steels rondkijkend
gooide ik een munt van één euro
rinkelend
in het ijzeren bakje van een zwerver

2007

Bijna onsterfelijk

‘De mens is zijn eigen vijand, in zijn diepste wezen wil hij geen mens zijn maar een onsterfelijke worden.’ Het verlangen naar onsterfelijkheid, lichamelijk en geestelijk, is in veel culturen een vertrouwd verschijnsel, en ook in de Chinese traditie is het diepgeworteld. De novelle Maanopera van de in China gevierde Bi Feiyu gaat over Xiao Yanqiu, een vrouw die de onsterfelijkheid van de roem najaagt.

Die roem heeft ze ooit kort gekend, toen ze de hoofdrol speelde in een beroemde opera over de mythische Chang’e. Deze werd daadwerkelijk onsterfelijk doordat ze in haar eentje de onsterfelijkheidspil innam die haar man had gekregen en samen met haar moest delen. Daarna steeg ze op naar de maan, vanwaar ze nu nog altijd neerkijkt op de aarde.

Yanqiu hielp haar stijgende sterrenstatus zelf om zeep door een glas heet water in het gezicht te gooien van haar doublure toen die haar rol voor één keer overnam. Twintig jaar later krijgt ze een nieuwe kans, omdat een rijke fabrieksdirecteur haar weer als Chang’e op het toneel wil zien. Maar de geschiedenis herhaalt zich en opnieuw identificeert Yanqiu zich volledig met haar rol: ‘zíj was Chang’e, en zij alleen.’

De traditionele Chinese operawereld vormt het kleurrijke decor van deze novelle. Maar achter de coulissen bevindt zich het moderne, snelle China waar alles draait om het grote geld en waar ambitie en jaloezie de overhand hebben. Met zinnen als ‘het is tegenwoordig geen schande meer om je geldschieter zijn zin te geven’ en ‘de mens slikt altijd de verkeerde pil…Waarom wil hij altijd meer dan hem gegeven is?’ lijkt de schrijver een impliciete kritiek op die maatschappij te willen geven.

Uiteindelijk gaat Yanqiu bijna ten onder aan haar ambitie, maar haar tragiek blijft een beetje in het lege hangen: waarom voelt ze zich Chang’e en is ze zo eerzuchtig? Omdat ze net zo eenzaam en verkild is als Chang’e op de maan? Omdat ze ook niet in staat is te delen? Zou ze zich net zo hebben geïdentificeerd met elke willekeurige andere rol?

Doordat Yanqiu als personage nogal stereotiep is, blijft Maanopera, het eerste boek van Bi in het Nederlands, wat schetsmatig. Daardoor rijst de vraag waarom dit boek wél verschijnt, terwijl iemand als Shi Tiesheng, die in zijn openhartige teksten sympathie toont voor al wat menselijk is, nog altijd onvertaald is.

Recensie in NRC Handelsblad van:
Bi Feiyu, Maanopera. Vertaald uit het Chinees door Mark Leenhouts. De Geus, 107 blz.